De Engelse Burgeroorlog is de oorlogsperiode in de koninkrijken Engeland, Schotland en Ierland tussen 1642 en 1651. Het verwijst naar de twee oorlogen (1642-1646 en 1648-1649) tussen de koningsgezinde aanhangers van Karel I van Engeland, de cavaliers, en de aanhangers van het parlement, de roundheads. Een derde oorlog (1649-1651) tussen de aanhangers van Karel II van Engeland en de verdedigers van het parlement eindigde met een beslissende overwinning van het parlement.
De burgeroorlog stelde het parlement dat voor die tijd veel rechten eiste van de koning, tegenover de koning die niets wilde geven aan het parlement. De onverzoenlijken vochten hun conflict militair uit en het parlement trok aan het langste eind. De oorlogen leidden tot de berechting en onthoofding van Karel I, de verbanning van zijn zoon Karel II en de vervanging van de monarchie en het Hogerhuis door het Engelse Gemenebest (1649-1653) en vervolgens het Protectoraat (1653-1659) onder de heerschappij van Lord Protector Oliver Cromwell. Een belangrijk precedent werd geschapen: de koning kende voortaan het gevaar van te willen regeren zonder parlement.
Voorgeschiedenis Koning Karel I van Engeland thumb|Karel I van Engeland Conflicten tussen koning en parlement waren niet nieuw, maar onder Karel I van Engeland kwam het tot een burgeroorlog. Karel I besteeg de troon op 27 maart 1625. Hij kwam uit het Schotse Huis Stuart. De nieuwe koning was een vreemdeling in Engeland. Op 1 mei 1625 trouwde hij met de katholieke Henriëtta Maria van Frankrijk, zus van koning Lodewijk XIII van Frankrijk. Met de Franse koningin waren katholieke priesters en zelfs een speciale vertegenwoordiger van de paus aan het hof verschenen. De koningin mocht haar godsdienst vrij belijden, had een kapel in Londen open voor het publiek, ze werd bediend door een bisschop en 28 priesters. Veel protestanten waren beducht voor de invloed van de koningin. Al dadelijk bleek het wantrouwen van het House of Commons tegen de nieuwe koning. Hij verwierf de reputatie voor veinzerij en oneerlijkheid die bij hem bleef en die niet onverdiend was.
Geldnood dwong Karel I in 1628 om het parlement bijeen te roepen. Engeland was met twee mogendheden in oorlog, Frankrijk en Spanje. Beide huizen vroegen de koning in een Petition of Right om voortaan af te zien van gevangenneming zonder vorm van proces, belastingheffing zonder parlementaire instemming, de procedure van krijgsrecht en van inkwartieren van troepen in privéhuizen. De koning moest wel toegeven en kreeg vervolgens zijn geld. De Petition of Right werd gestemd op 7 juni 1628. De manier waarop de koning zich tot het laatst toe verzette en zich daarna met listen en uitvluchten aan zijn gegeven woord probeerde te onttrekken, maakte echter een slechte indruk en beloofde niet veel goeds voor de toekomst.
Op 3 maart 1629 stuurde Karel I het parlement voor de derde keer naar huis na 1625 en 1626. Hij wilde voorkomen dat de Commons vraagtekens zouden zetten bij de koninklijke douanerechten. Het was zijn bedoeling om het parlement nooit meer samen te roepen. Nu meende hij definitief van het parlement verlost te zijn en eindelijk als een absolute monarch te kunnen heersen. Hij zou elf jaar regeren zonder parlement. De koning heeft velen die politiek gewicht hadden, voor het hoofd gestoten.
Karel I was een overtuigd protestant van de Anglicaanse Kerk. Hij steunde daarbij op de autoritaire en rechtse bisschop William Laud, later aartsbisschop van Canterbury. Beiden hadden langdurige engagementen om de Schotse godsdienst in de lijn van de Engelse praktijken te brengen. Hij drong de puriteinen de traditionele liturgie op in samenwerking met Laud. De koning redde zich financieel met het controversieel scheepsgeld. Van oudsher werden alleen havensteden geacht daarvoor een bijdrage op te brengen. In 1635 breidde hij het scheepsgeld uit tot het hele koninkrijk. Hij maakte er een jaarlijkse belasting van. Karel I breidde zijn Royal Navy meer uit voor persoonlijke trots dan voor verdediging. Om de schatkist te spekken deed de koning ook beroep op buitenparlementaire inkomsten zoals oude feodale rechten, het verkopen van monopolies, afgedwongen leningen en benevolences, het afpersen van ‘welwillend toegestane’ geldsommen. Wie weigerde te betalen, ging zonder proces naar de gevangenis. Er werd geklaagd dat zelfs de wet niet voldoende bescherming bood aan het bezit.
Schotse en Ierse opstanden Midden 1637 voerden Karel I en Laud het Book of Common Prayer in in Schotland. Het Schotse Book week nauwelijks af van het Engelse voorbeeld. Toen in juli 1637 die liturgie voor het eerst gebruikt werd in de St Giles' Cathedral in Edinburgh, brak er tumult uit in de kerk. De presbyteriaanse Schotten rebelleerden tegen de nieuwe liturgie. Het geweld verspreidde zich over de stad, naar de Lowlands en weldra was heel Schotland in opstand tegen het anglicaanse en Engelse Prayer Book. Op 28 februari 1638 werd de National Covenant formeel aangenomen in Schotland, een plechtig verbond tot herstel van de ware protestantse godsdienst. De Schotse kerk schafte eigenmachtig de bisschoppen weer af.
In 1639 trok Karel I met een moeizaam bijeengeraapt leger naar de Schotse grens voor de Bisschoppenoorlogen, maar tot meer dan schermutselingen kwam het niet in de Eerste Bisschoppenoorlog. De kwaliteit van de koninklijke troepen liet veel te wensen over. In uitzonderlijke omstandigheden moest het parlement om bijkomende belastingen verzocht worden. Karel I liet de daadkrachtige gouverneur van Ierland, Thomas Wentworth, graaf van Strafford, overkomen. Zijn adviseurs raadden de koning aan om het parlement opnieuw samen te roepen. Ze vertrouwden erop dat het parlement zou meewerken tegen de nationale vijand Schotland. Het werd een fatale misrekening. Op 13 april 1640 opende het Short Parliament. Het parlement zou zijn macht tonen en flink afrekenen met de misbruiken van de vorige jaren. De puriteinen vormden een invloedrijke minderheid die het parlement op sleeptouw nam. De puriteinse strateeg John Pym, die naar voren kwam als leider van de Commons, sprak over de natuur van parlementaire autoriteit. Hij bracht een nieuwe bestuurstheorie zonder het goddelijk recht van de koningen te vermelden. De klachten over elf jaar stilte werden nu aanvallen op het scheepsgeld, monopolies, boswet en andere maatregelen opgelegd door de koning. Het parlement wilde de berechting van gehate ministers en principiële verklaringen over de suprematie van het parlement. Gevraagd om geld voor een nieuwe veldtocht tegen de Schotten, eiste de Commons onder leiding van John Pym eerst herstel van de diverse burgerlijke en kerkelijke grieven van de natie. Na drie weken ontbond de koning het Short Parliament op 5 mei 1640.
Ondertussen gingen de Bisschoppenoorlogen verder. Op 17 augustus 1640 stak het Schotse leger de rivier Tweed over in de Tweede Bisschoppenoorlog. Deze oorlog verliep rampzalig voor de koning. Zijn troepen waren niet opgewassen tegen de Schotten. Op 30 augustus 1640 namen de Schotten Newcastle in en bezetten het noorden van Engeland. Karel I moest op 28 oktober 1640 een vernederende wapenstilstand sluiten met de Covenanters. Door de militaire dreiging van het Schotse leger was de koning verplicht om op 3 november 1640 het Long Parliament te openen. In de Commons bestond de overweldigende meerderheid uit tegenstanders van de koninklijke politiek. De Commons beten onmiddellijk van zich af en versterkten hun positie: thumb|Terechtstelling van Thomas Wentworth Aartsbisschop William Laud, de religieuze rechterhand van Karel I, werd in beschuldiging gesteld en gearresteerd op 18 december 1640. Laud voerde kerkhervormingen door die meer weg hadden van de katholieke gewoonten dan die van het protestantisme. De prachtige ceremonies stonden haaks op de protestantse soberheid. Het heette dat hij een andere godsdienst wilde invoeren. Thomas Wentworth, graaf van Strafford, de voornaamste raadgever van Karel I, werd ook aangepakt. Toen de impeachmentprocedure dreigde te mislukken, stemde het Hogerhuis op 8 mei 1641 snel een bill of attainder. Op 12 mei werd hij al terechtgesteld. Wentworth had in Ierland een leger op de been gebracht tegen de Schotten. Hij werd ervan beschuldigd dit te willen gebruiken om Engeland tot gehoorzaamheid te dwingen. Dat gold als hoogverraad. Het parlement bleef in sessie tot het zijn eigen ontbinding stemde. Op 5 mei 1641 besliste het parlement dat alleen het parlement zichzelf kon ontbinden. Voorheen deed de koning dat. Het parlement kreeg een permanent bestaan dat het nog nooit gehad had. Puritein John Pym stelde in juni 1641 tien maatregelen voor om de parlementaire controle op het hof en de raad van de koning te vergroten. De koning werd ontdaan van zijn koninklijk prerogatief. De buitenparlementaire inkomsten werden onwettig verklaard en de prerogatieve rechtbanken werden afgeschaft.
Op 23 oktober 1641 kwamen ook de Ierse katholieken in opstand tegen hun Engelse overheersers. De Ieren richtten een bloedbad aan onder de Engelse en Schotse kolonisten. Het was het begin van de Ierse Confederate Wars. De Ieren hadden het succes van de Schotse opstand gezien. In Engeland was men het oneens over de aanpak van de Ierse opstand. Het parlement wilde niet betalen voor een beter koninklijk leger dat de koning later ook tegen het parlement zou kunnen gebruiken. Karel I weigerde nog steeds om politieke eisen van het parlement in te willigen. Op 22 november 1641 keurde de Commons de Grand Remonstrance goed. Deze eisenbundel bevatte 204 klachten over de buitenlandse, religieuze, wettelijke en financiële politiek van de koning. Het document vroeg ook dat alle bisschoppen uit het parlement zouden worden gezet.
Op 4 januari 1642 kwam koning Karel I persoonlijk naar het Lagerhuis met 400 soldaten om John Pym en vier van zijn belangrijkste medestanders te arresteren en te beschuldigen van hoogverraad. Hij achtte de vijf parlementsleden verantwoordelijk voor alle problemen met het parlement. De vijf gezochten waren echter gewaarschuwd en in de City van Londen ondergedoken. De andere Commons zochten nu een toevlucht in het Londense stadhuis. De koning had de parlementaire onschendbaarheid geschonden. Het kwam tot een vertrouwensbreuk met de parlementsleden en de burgers van Londen. Londen was in oproer. Karel I voelde dat de grond te heet werd onder zijn voeten. Zijn veiligheid was niet langer verzekerd. Op 10 januari 1642 ontvluchtte Karel I met zijn familie Londen voor Hampton Court Palace.
Eerste Engelse burgeroorlog (1642-'46) thumb|Frontverloop in 1642-1645:
Koning Karel I ging in het land steun zoeken voor een gewapende strijd tegen het parlement. Op 22 augustus 1642 plantte hij de koninklijke standaard in Nottingham en liet een oorlogsverklaring voorlezen. Ondertussen had het parlement niet stil gezeten. Ze vroegen de graafschappen om een defensieve positie aan te nemen en hun eigen lieutenant-generals te benoemen in plaats van de getrouwen van de koning. In mei 1642 rekruteerde het parlement 16.000 soldaten en in juli 1642 werd Robert Devereux, graaf van Essex, aan het hoofd van het parlementaire leger geplaatst. De burgeroorlog kon beginnen.