Zuidbroek (Gronings: Zuudbrouk) is een dorp in de Nederlandse provincie Groningen. In telde het inwoners. Vanaf 1 juli 1965 is de voorheen zelfstandige gemeente opgegaan in Oosterbroek, daarna in Menterwolde (1990) en in de huidige gemeente Midden-Groningen (2018).

Het dorp wordt sinds 1992 doorsneden door de autosnelweg A7. De protestantse Petruskerk staat ten noorden van de weg, terwijl het station Zuidbroek zich in het zuidelijke deel van het dorp bevindt, evenals het grootste deel van de middenstand, de meeste woonbuurten (waaronder de nieuwbouwwijk Boslaan) en de bedrijventerreinen De Gouden Driehoek en Industrieweg. Aan A7 bevindt zich sinds 1995 een groot Van der Valk-hotel met een evenementenhal. Daarnaast heeft het dorp een belangrijke zandafgraving, Botjes Zandgat, waarvan een deel is ingericht als badstrand.

Zuidbroek speelde een belangrijke rol in de verwikkelingen rond de voormalige gemeente Menterwolde, waarbij de beoogde verplaatsing van de dorpssupermarkt naar het bedrijventerrein in 1999 tot aanhoudende politieke conflicten en sociale onrust leidde. Plannen voor een Factory outlet center, een streekziekenhuis en particuliere klinieken in de jaren 2006 tot 2013 werden door de provincie Groningen geblokkeerd. Ambitieuze plannen voor een sportcomplex, een vakantiedorp en een voetbaltrainingscentrum bij het Van der Valk-hotel bleven al eerder in de beginfase steken. De sportaccomodaties die met gemeentegeld bij het hotel werden aangelegd, waaronder een wedstrijdbad, gingen grotendeels teloor.

Indeling Onder Zuidbroek vallen de buurtschappen Spitsbergen, Tusschenloegen, Uiterburen en 't Veen (vroeger Uiterbuursterveen) en Westeind (vroeger Oosteinde genoemd). Op de grens met Scheemda lag de buurtschap Oudedijk. Het dorpscentrum stond bekend als Kerkhorn. Kerkelijk vormden Zuidbroek en Muntendam tot 1840 één gemeente. Op het bestuurlijke vlak golden de dorpen Muntendam en Tripscompagnie als zelfstandige kerspelen.

Zuidbroek had in de achttiende eeuw ten minste zeven buurtgilden, namelijk Noordergilde, Middengilde, Molengilde en Oudedijkstergilde (samen Uiterburen genoemd), Kerkengilde en Diepstergilde (samen Overburen), verder Tusschenloegstergilde. Het buitengebied van Zuidbroek werd op 19e-eeuwse kadasterkaarten onderscheiden in Uiterburenboven en Uiterburenbuiten, Zuidbroekboven en Zuidbroekbuiten (De Vennen), alsmede Tusschenloegen boven en Tusschenloegen buiten. De buurtschappen Spitsbergen en Jagerswijk lagen deels in Sappemeer; de streek ten zuiden daarvan werd Kostverloren genoemd.

Op het grondgebied van Zuidbroek ontstonden de waterschappen Jagerswijk, Spitsbergen en Kostverloren (1793), Overwater (1793), Roodetilsterpolder (1799, gedeeltelijk), Het Poeltje (voor 1832/1881), Uiterburen (vóór 1861), De Munte (1882), Eindelijk (1892), De Vennen (1908) en De Leest (1957). De belangrijkste watergangen zijn Winschoterdiep en Muntendammerdiep; nieuw gegraven zijn A.G. Wildervanckkanaal, Klingensloot en Vennenwatering. Het riviertje De Leest kreeg bij de laatste ruilverkaveling een nieuw verloop, terwijl Dwarsdiep, Papendiep, Nieuwe Watering, Hondelaansloot, Ouddijksloot en Kuindersloot kwamen te vervallen. Zuidbroek en Muntendam vormden een zelfstandig onderdeel van het Termunterzijlvest en het waterschap Oldambt. Het grondgebied behoort nu tot het waterschap Hunze en Aa's.

Geschiedenis

Middeleeuwen Zuidbroek is uit meerdere nederzettingen ontstaan. Oorspronkelijk ging het om veenontginningen aan de rand van het riviertje de Munte of Munter Ae, die in de tiende of elfde eeuw werden gesticht. Zuidbroek maakte mogelijk met Noordbroek, Noordbroeksterhamrik en Meeden deel uit van een oudere kernparochie die Broke werd genoemd.Jan Molema, 'Van de Mieden, Egeste en Broke. De middeleeuwse nederzettingsgeschiedenis van het zuidwestelijk Wold-Oldambt in kort bestek', in: Groninger kerken 10 (1993), p. 129-136. In 1283 wordt de parochie Suthabroke voor het eerst vermeld. De naam betekent "ten zuiden van het broek (moerasland)". De plaatsnaam komt later voor als Suidbroeck (1391, Suderbrock (ca. 1475), Suitbroecke (1498), Suydtbrouck (1579), Suidbroek (1781).G. van Berkel & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard, 2018. W. de Vries, Groninger plaatsnamen, Groningen 1946. O.S. Knottnerus, Alle verdronken Dollarddorpen, 2008. Het gebied werd al eerder bewoond, maar daarna weer verlaten. Aan de Uiterburen is in 1909 een urnenbegraafplaats uit de late Bronstijd of vroege IJzertijd (ca. 700 v.Chr.) gevonden.O.H. Harsema, 'Een urnenveld onder Uiterburen bij Zuidbroek, gem. Oosterbroek', in: Groningse Volksalmanak (1969), p. 194-205.

De oudste nederzetting is waarschijnlijk de buurtschap Uiterburen. Bij de driesprong met de Heiligelaanbevond zich in de middeleeuwen een kapel met begraafplaats, mogelijk met een kluizenarij (die olde kluse).De kerkrekeningen 1564-1587 vermelden een huisstede "mit een kleynen thuyn dar die olde kluse plecht toe staen". RHC Groninger Archieven 339, inv.nr. 59, fol. 46. Volgens overleveringen heeft hier tot 1270 de oudste kerk van Zuidbroek gestaan; restanten van een begraafplaats zijn in 1984 blootgelegd.Nieuwsblad van het Noorden, 24 en 27 november 1984. Op een provinciekaart van omstreeks 1680 staat dit Olde Kerckhof nog ingetekend. Vlakbij verrees rond 1500 een korenmolen. Verder naar het noorden lag de Drostenborg, het kasteeltje van de Gockinga's, die hier min of meer de baas speelden, totdat de stad Groningen in 1456 het gebouw overnam. Aan de Uiterburen stonden nog enkele steenhuizen. Verschillende boerderijen stonden echter verderop in het veld, verspreid op een handvol zandkoppen of ‘klingen’ die bescherming boden tegen het opdringende rivierwater. De naam Uiterburen (*Uter-berethe, bêre = woonplaats) is wellicht aan deze vooruitgeschoven positie ontleend. Bij de aanleg van de A7 hebben archeologen onder de Oudedijksterweg de restanten van een oud akkercomplex (een es) gevonden, dat vanwege het water is verlaten. Nog in de zeventiende eeuw lag hier de buurtschapje Uterbeerte; ook sprak men wel van het Zuidbroeksterhamrik.

De tweede nederzetting werd Overburen genoemd. Die ontstond meer naar het westen. De eerste bewoners van het het gebied ten zuiden van de Heiligelaan (de Vennen) hadden namelijk al snel met wateroverlast te kampen. Daarom verhuisden zij naar een nieuwe bewoningsas langs de Nieuweweg of Bovenweg, de Kerkstraat en de Spoorstraat. De Heiligelaan – zo genoemd omdat hij op het land van de kerk lag – vormde een verbinding tussen de beide hoger gelegen nederzettingen. In het verlaten gebied – nu bedrijventerrein De Gouden Driehoek – zijn de restanten van ten minste vier steenhuizen uit de veertiende eeuw gevonden.H.A. Groenendijk en J. Molema, 'Een middeleeuws steenhuis op het bedrijventerrein "De gouden driehoek" te Zuidbroek (Gr.)', in: Paleo-aktueel 9 (1998), p. 88-93. Ook waren hier steenovens te vinden waar dakpannen werden vervaardigd. Het nieuwe dorpscentrum kwam rond de Petruskerk te liggen, die volgens overleveringen in 1270 werd gebouwd. Naast de kerk verrees een pastoorswoning, verder was hier een visvijver te vinden. In het volgende huis woonde de onderpastoor of vicaris. Later kwam er nog een schooltje naast de poort van het ommuurde kerkhof bij (nu gebouw De Kerkhörn). Verder werd hier omstreeks 1524 een armenhuis (gasthues) voor Noord- en Zuidbroek gesticht, dat in 1571 Jurjensgasthuis werd genoemd, maar later weer verdween.Het armenhuis was gesticht door pastoor Hemmo, die in 1524 een rente schonk ten behoeve van "den armen huijssitten tho Suedtbroecke ende Noertbroecke" (Oldambster Warfsminuten, nr. 217). O.D.J. Roemeling, Patroonheiligen, priesters en predikanten in Groningen en Drenthe tot omstreeks 1640, zeer voorlopige versie, Leeuwarden 2019, p. 1109. In Zuidbroek bevond zich vermoedelijk een voorwerk (grangarium in Broke) van het praemonstratenserklooster te Schildwolde, dat omstreeks 1250 werd toegewezen aan het nonnenklooster te Heiligerlee.H.Th.M. Lambooij en J.A. Mol (ed.), Vitae Abbatum Orti Sanctae Marie. Vijf abtenlevens van het klooster Mariengaarde in Friesland, Hilversum en Leeuwarden 2001, p. 485. Het westelijke verlengde van de Heiligelaan heette in de negentiende eeuw Kloosterlaan. Aan de Nieuweweg bevond zich later een boerderij die bekend als stond Grangsheerd; ook heette een pad dat vanaf de kerk naar het westen liep de Kloosterlaan.

Ten slotte was er nog een derde nederzetting langs de Legeweg of Edeweg (Oudfries: ēde = 'veen') in de Tussenklappenpolder, ten zuiden van het zijrivierje De Leest (ook: Leetse). De nederzetting was een voorloper van het huidige Muntendam en had hoogstwaarschijnlijk in de vijftiende eeuw een eigen kerk, waaraan omstreeks 1500 twee geestelijken waren verbonden.Nog In 1639 was sprake van vier "mandelen ofte Pastorije landt" van Zuidbroek te Muntendam bij de Edewech. De kerk van Zuidbroek bezet hier een vicarie- en een prebendeheerd. O.D.J. Roemeling, Patroonheiligen, priesters en predikanten in Groningen en Drenthe tot omstreeks 1640 (zeer voorlopige versie), Leeuwarden 2019, p. 574-575. Het dorpje werd kort daarna vanwege de inbraak van de Dollard verlaten, maar bleef een zelfstandig kerspel dat tot 1840 kerkelijk onder Zuidbroek viel. Aan het huidige Muntendammerdiep bevond zich ook een voorwerk van het Grijzemonnikenklooster te Termunten (de huidige Kloosterplaats), dat kennelijk verantwoordelijk was voor het onderhoud van een sluis te Muntendam.

In de middeleeuwen lag Zuidbroek aan een handelsroute richting Duitsland, die vermoedelijk al in de dertiende eeuw bestond. In 1457 sloot de stad een overeenkomst met de bisschop en het stadsbestuur van Münster om deze weg nieuw leven in te blazen.W.J. Formsma, Geschiedenis tussen Eems en Lauwers, Assen 1988, p. 26-28. A.S. de Blécourt, Oldambt en Ommelanden, Assen 1935, p. 322. T.K. Dullemond, ‘Een nieuw kanaaltje en een oude weg’, in: Bijdragen tot de kennis van de provincie Groningen en omgelegen streken 1 (1901), p. 172-173.. Het karrenspoor liep via Harkstede, Kolham en Slochteren naar Stootshorn en vandaar via de Dwangsweg naar de huidige Drostenlaan. Hier konden de wagens over het hoogveen en langs de Drostenborg naar Uiterburen rijden. Van daaruit ging de route naar het zuiden, om via een zandweg – de zogenaamde Hondenlaan – bij de Legeweg uit te komen. Hier sloeg men weer af naar het oosten. Langs de Luttike Brugge (1451) over het riviertje de Ae bereikte men dan Meeden en Westerlee. Door de toenemende wateroverlast moesten de reizigers evenwel uitwijken naar hogere gronden. De hoofdroute liep voortaan via de Nieuweweg (Nije Wech, 1617) door Zuidbroek en vandaar door de rietkragen van het Pusepad naar het zuiden. Via de Legeweg en de huidige Eendrachtsweg (Oudeweg of Boeren Miedenweg) bereikte men vermoedelijk Muntendam, waar al rond 1600 een brug (mogelijk Galgentil genoemd) over de Ae lag. Later kwam het trekpad langs het Muntendammerdiep in gebruik. Het handelsverkeer werd door deze landschappelijke veranderingen flink bemoeilijkt. Daarbij kwam dat de huifkarren van de handelsreizigers vaak bredere sporen maakten dan gewone boerenwagens, zodat ze op de gewone dorpswegen problemen kregen. Toch bleven de oude karrensporen nog lange tijd in gebruik. De Olde brugge bij de Legeweg wordt nog genoemd in 1645.