thumb|350px|De gravure Grote Lama of Eeuwige VaderUit: China Illustrata van Athanasius Kircher (Amsterdam, 1667) De geschiedenis van de ontdekkingsreizen in Tibet begint mogelijk in de eerste helft van de 14e eeuw met het bezoek van de franciscaner monnik Odoric van Pordenone aan Lhasa. Veel van de Europeanen die Tibet tot de 20e eeuw aandeden waren missionarissen en zendelingen die het doel hadden er een evangelisatiepost te vestigen.

In de laatste eeuwen van het 2e millennium kwamen daar ook steeds meer ontdekkingsreizigers bij, ondanks het feit dat het land zich afsloot voor buitenlanders sinds het midden van de 18e eeuw. Onder de ontdekkingsreizigers bevonden zich wetenschappers, geografen, soldaten en mystici.

Mythevorming rondom Tibetaanse christenen Eind 8e eeuw De brieven van Timoteüs I, patriarch van Bagdad en hoofd van de Assyrische Kerk van het Oosten van 779 tot 823, zijn de eerste duidelijke bewijzen van de aanwezigheid van christelijke missies in Tibet en overlappen de regeringen van drie grote, boeddhistische keizers Trisong Detsen, Sadnaleg en Tri Ralpachen.Schaik, Sam van (2 december 2007) Christianity in early Tibet. Gearchiveerd op 2 juni 2023.

De brieven van de patriarch van de Assyrische Kerk bevatten verschillende verwijzingen naar Tibet. In een brief geeft hij een lijst van de landen waar Trisagion, een van de oudste christelijke gebeden wordt gereciteerd. In deze lijst wordt Tibet ook genoemd. In een andere brief vertelt Timoteüs dat hij kort ervoor een aartsbisschop voor de Turken heeft aangesteld en hij hetzelfde van plan is voor de Tibetanen. Beide verwijzingen komen uit de jaren 790, tijdens Trisong Detsens regering. Ook is er tussen de manuscripten van Dunhuang een schilderij gevonden die door een Chinees kunstenaar is geschilderd die gedateerd wordt in de 9e eeuw, kort nadat Dunhuang Tibetaans grondgebied werd.

thumb|left|Pape Jan in de wereldkroniek van Hartmann Schedel (1493)

Pape Jan De eerste duurzame ontmoeting tussen het westen en Tibet was gebaseerd op de mythes dat de Tibetanen christenen waren als nakomelingen van de Nestorianen, volgelingen van de mythische Pape Jan of misschien zelfs inwoners van het aardse paradijs. Wanneer het gerucht over de Tibetaanse christenen niet was rondgegaan, zou Tibet volgens tibetoloog Martin Brauen niet zo vroeg door missionarissen zijn bezocht en zou de regio langer een witte vlek op de kaart zijn gebleven.Brauen, Martin (2004) Dreamworld Tibet - Western Illusions, Weatherhill, Trumbull CT, , pag. 2-6, oorspronkelijk: Traumwelt Tibet. Westliche Trugbilder, Verlag Paul Haupt, Bern, 2000

Een Europeaan die nog twintig jaar voor Marco Polo langs de grenzen van Tibet trok op reis naar Mongolië, was de Vlaming Willem van Rubroeck. Hij deed dit in opdracht van de Franse koning Lodewijk IX om te onderzoeken of er een christelijke koning over dit gebied heerste. Zijn reis begon op 7 mei 1253 en hij kwam in december dat jaar aan bij de Mongoolse keizer Möngke Khan in diens kamp op Kirgiezisch gebied. Een jaar lang bleef hij in de Mongoolse hoofdstad Karakorum.Hoyaux, Reginald (1998) 25 eeuwen Tibet, , pag. 53-54

Eerste Europeanen thumb|300px|Vertrek van Odoric van Pordenone in de 14e eeuw De eerste Europeaan die Tibet bereikte, zou de Italiaans geestelijke Odoric van Pordenone kunnen zijn geweest.

Pordenone keerde 1331 terug uit China en zou via land door Azië zijn teruggereisd. Een van de mogelijkheden die hij hierbij had, was een terugkeer via Tibet is gereisd, waarbij hij ook Lhasa kan hebben bezocht. Of dit ook werkelijk het geval is geweest, is niet bekend.

Uit het Indisch Mogolrijk zond keizer Akbar de Grote in 1580 een expeditie naar Tibet uit, om de bron te onderzoeken van de Ganges

De eerste Europeanen waarvan vaststaat dat ze in Tibet aankwamen, ondernamen deze reis vanwege een mythe, namelijk dat Tibetanen christenen waren. Dit is af te leiden uit het volgende citaat van de jezuïet António de Andrade, waarin hij motiveerde waarom hij en zijn reisgenoot Manuel Marques afreisden naar het koninkrijk Guge in West-Tibet.

thumb|125px|António de Andrade

Uit een document in archieven van de Sociëteit van Jezus (Jezuïeten) komt naar voren, dat de motivatie van Andrade mede voortkwam uit de Bijbelse voorspelling in Jesaja 18:7, waarin staat dat mensen die de apocalyps zouden overleven, op een berg woonden. In het betreffende vers beschreef Jesaja echter de berg Zion in Israël, waardoor het onduidelijk is waarom Andrade het in verband bracht met de Himalaya.Didier, Hugues (1989) Die Jesuiten-Mission in Tsaparang, kommentiert und interpretiert nach den Dokumenten in den römischen Archiven der Gesellschaft Jesu, in: Brauen, Martin (2004) Dreamworld Tibet - Western Illusions, Weatherhill, Trumbull CT, , pag. 3, oorspronkelijk: Traumwelt Tibet. Westliche Trugbilder, Verlag Paul Haupt, Bern, 2000

Andrade stond in die tijd aan de hoofd van de missie van jezuïeten in het Patriarchaat Oost-Indië. Tijdens hun reis naar Tibet werden hij Marques vriendelijk ontvangen door de soeverein van Guge in 1624. Op zijn terugreis werd Andrade toegestaan een kerk te bouwen. Andrade was in zijn verslagen gemengd positief en negatief, waar Nuño Coresma tien jaar later ronduit negatief over de Tibetanen was. In de verslagen van Andrade zit de tegenstelling dat het een vredelievend volk is dat houdt van het gevecht. In een ander verslag noemt hij het een moedig volk dat ervaren is in oorlogsvoering. In werkelijkheid lag de koning van Guge in die tijd continu in oorlog met legers uit het zuiden (Garhwal, huidig Uttarakhand) en het westen (Ladakh). Een deel van zijn onsamenhangende beeld wordt verklaard uit de zelfcensuur in zijn verslagen, bevooroordeeldheid, matige begrip van het Tibetaans en zijn poging de vreemde Tibetanen te begrijpen. De mythe van de vredelievendheid van de Tibetanen is sindsdien echter blijven voortbestaan tot in de 21e eeuw.

Nuño Coresma ondernam de reis in 1635 samen met Manuel Marques. waarbij zij een grotere vijandigheid ontmoetten. Ze werden in hun huis gevangen gehouden en erna het land uitgezet.Desideri, Ippolito & Filippo De Filippi (1932, herdruk 2004) An Account of Tibet: The Travels of Ippolito Desideri of Pistoia, S.J. 1712-1727, Routledge, , pag. 12, 15, 369

Berichten over Shambhala De eerste berichten in het Westen over het mystieke land Shambhala kwamen van de Portugese João Cabral en Estêvão Cacella die het schreven als "Xembala". Ze dachten dat het een andere naam was voor Cathay, de naam die Marco Polo aan China gaf. In 1627 vertrokken ze naar Tashilhunpo in Shigatse.

In de 18e eeuw kwamen er meer jezuïeten en kapucijnen uit Europa die steeds meer tegenstand ondervonden van de Tibetaanse lama's totdat ze uiteindelijk uitgezet werden in 1745.

Niet alle Europeanen werden in die tijd verbannen. Zo bezocht de Engelse edelman George Bogle in 1774 Shigatse om te onderzoeken of er handel mogelijk was voor de Britse Oost-Indische Compagnie. Hij werd toen niet alleen vriendelijk ontvangen door de zesde pänchen lama in Tashilhunpo, maar hij trouwde ook een Tibetaanse vrouw en hij introduceerde het eerste aardappelgewas hier.Teltscher, Kate (2006) The High Road to China: George Bogle, the Panchen Lama and the First British Expedition to Tibet, Bloomsbury, Londen,

thumb|China Illustrata (1667) van Athanasius Kircher De eerste verslagen die bezoekers uit Tibet meebrachten, begonnen pas op te komen in de 18e eeuw. Wat vooral opviel, was de eerbied die men in Tibet schonk rondom de persoon van de dalai lama. Zo beschreef Jean-François de La Harpe in zijn werk Abrégé de l'histoire générale de voyages in 1820 hoe de uitwerpselen en urine van de dalai lama voor heilig werden gehouden en door dienaren als geneesmiddel werden gebruikt.Harpe, Jean-François de La Harpe (1820) Abrégé de l'Histoire générale des voyages, deel VIII, pag. 332 Évariste Huc, katholiek missionaris in dit gebied tussen 1844 en 1846, sprak dit tegen en noemde het een belachelijke legende, een uitspraak echter waarbij er wel enige druk op hem uitgeoefend werd.Huc, Evariste (1853) Souvenir d'un voyage dans la Tartarie, le Thibet et la Chine pendant les années 1844, 1845 et 1846, Le Clere, Paris, 1853, deel II, p.p. 344-345 In China Illustrata uit 1667 haalt Athanasius Kircher en verwijst daarbij naar de reis van een maand die Johann Grueber en Albert Dorville maakten naar Lhasa in 1661Dif, Jean, Chronologie en ligne, ingang 1667, bezocht 24-12-2008. Gearchiveerd op 6 maart 2023.

19e eeuw In de 19e eeuw werd de situatie voor buitenlanders in Tibet gevaarlijker. Het Britse Rijk drong zich op vanuit Noord-India naar de Himalaya en Afghanistan toe en het Keizerrijk Rusland breidde zich uit in Centraal-Azië. Beide machten werden argwanend over de intenties van de ander in Tibet, een land waarvan zij beide niet veel afwisten. China, dat Tibet claimde als een protectoraat wakkerde de angst van Tibet aan dat buitenlanders een bedreiging waren voor de goudvelden en de gevestigde religie, het Tibetaans boeddhisme.

Tegen de jaren 1850 had Tibet alle buitenlanders het land uitgezet en de grenzen voor iedereen gesloten, behalve voor de Chinezen. Elke Tibetaan die een buitenlander hielp, moest het ontgelden met verminking, marteling of de dood.

thumb|120px|Nain Singh In 1865 begon het Verenigd Koninkrijk Tibet in het geheim in kaart te brengen. Getrainde Indische landmeterspionnen gingen verkleed als pelgrim of handelaar en telden hun stappen op hun reizen door Tibet, zodat ze kaarten konden samenstellen. Nain Singh was bekend om zijn berekeningen van de afmetingen en hoogte van Lhasa en trok langs de rivier Yarlung Tsangpo westwaarts zonder te worden ontdekt.

thumb|left|120px|Nikolaj Przewalski thumb|left|120px|Gombojab Tsybikov In 1872 kwam kolonel Nikolaj Przewalski van het Russische leger Tibet vanuit het noorden binnen en verzamelde veel wetenschappelijke informatie. Hij bereikte Lhasa echter nooit in de drie pogingen die hij op het Tibetaans Hoogland deed.

In de laatste drie decennia van de 19e eeuw probeerden velen vergeefs de hoogvlakte door te trekken en er kwamen veel verhalen binnen in Europa over grote fysieke ontberingen, zware weersomstandigheden, lawines, bandieten en monniken die onderzoekingsreizigers terug naar de Indische grens begeleidden.

In 1889 probeerde William Rockhill als eerste Amerikaan Lhasa te bereiken. Hij was een diplomaat in Peking en sprak Tibetaans en Chinees. Verkleed als een Mongool strandde hij echter in het onherbergzame plateau omdat zijn gidsen hem in de steek lieten. In 1891 probeerde hij het nogmaals en werd onderschept op 177 km van Lhasa en het land uitgezet. Toch heeft hij op zijn reizen nog veel informatie kunnen verzamelen over Tibet.

In 1892 werd Annie Taylor op drie dagen reizen voor Lhasa onderschept. Na een smeekbede aan de Tibetaanse rechter haar te laten leven als ze terugging, werd ze gespaard en uitgezet.

thumb|120px|Ekai Kawaguchi In 1895 vertrok George Littledale met zijn vrouw en een neef naar Lhasa vanuit Noord-India. Ze reisden 's nachts om ontdekking te voorkomen. Zij geraakten tot op 49 km afstand van Lhasa en werden daar door 500 bewapende Tibetanen gestopt.

In 1899 lukte het de Japanse ontdekkingsreiziger en zenmonnik Ekai Kawaguchi wel om met de instructies van Sarat Chandra Das Lhasa te bereiken. Hij was verkleed als een Chinese monnik en bleef langere tijd in Lhasa waar hij de dertiende dalai lama Thubten Gyatso bijstond als therapeut.