thumb|De Thiende: bladzijde 13 met een voorbeeld hoe decimale breuken worden opgeteld. thumb|Decimale notatie van 184,54290 met omcirkeld het aantal keer dat door 10 moet worden gedeeld.
Simon Stevin (Brugge, 1548 – Den Haag of Leiden, februari 1620) was een natuurkundige, wiskundige en ingenieur afkomstig uit Vlaanderen.
Hij introduceerde in de westerse wereld de mogelijkheid om het decimale talstelsel ook voor breuken te gebruiken, door middel van cijfers achter de komma, en gaf de vestingbouw een wiskundige grondslag. Hij leverde als pionier vele bijdragen aan theorie en praktijk in wiskunde en natuurkunde en toegepaste wetenschappen als waterbouwkunde en landmeetkunde.
De Nederlandse taal kreeg dankzij Stevin, die de woorden bedacht of populariseerde,J.M. van der Horst, J.A. van Leuvensteijn, W. Pijnenburg, M.C. van den Toorn (redactie), Geschiedenis van de Nederlandse taal, Amsterdam University Press (1997), p. 340-341. eigen wetenschappelijke termen, zoals "wiskunde" ("de wetenschap van wat zeker is"), "natuurkunde", "scheikunde", "sterrenkunde" en "meetkunde". Ook "evenredigheid", "middellijn" en "noemer" danken we aan hem.Margriet van der Heijden. Oerknal: dat is pas klare taal. NRC Handelsblad, 15 mei 2021.
Levensloop Over de persoonlijkheid en levensloop van Stevin is weinig bekend. Zijn biografische gegevens zijn vergelijkbaar met die van Pieter Bruegel de Oude: men kent beiden vrijwel uitsluitend door hun werk. De schaarse gegevens die bekend zijn over de levensloop van Stevin werden door verschillende historici, die elkaar vaak tegenspreken, verzameld. De historicus die het grondigst onderzoek verrichtte naar het leven van Stevin, is E.J. Dijksterhuis.Dijksterhuis, E. J.: Simon Stevin, Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage, 1943; de biografische gegevens over zijn vaders familie werden opgespoord door Jan Van Acker (1999) en Pieter Donche (2002) en geresumeerd in het werk van Vanden Berghe (2004) (zie literatuur). Bij twijfel wordt zijn werk geraadpleegd.
Afkomst Stevin werd geboren in 1548 in Brugge, als onwettig kind van Antheunis (Anton) Stevin en Cathelyne (of Cathelijne) van der Poort. Dat jaartal 1548 is te vinden op een schilderij, een portret van Simon Stevin (zie afbeelding), dat eigendom is van de bibliotheek van de Universiteit van Leiden,Het schilderij wordt als bibliotheekornament vermeld op pagina 500 van de catalogus van 1716-1741 van de openbare bibilotheek van de universiteit van Leiden Catalogus Librorum Tam Impressorum Quam Manuscriptorum Bibliothecae Publicae Universitatis Lugduno-Batavae. - Leiden, 1716-1741 en dankzij het werk van SchouteetSchouteet A., De afkomst van Simon Stevin en diens werkkring in Vlaanderen, Handelingen van het Genootschap "Société d'Emulation" te Brugge 80 (1937) 137-146 weten we van het bestaan van documenten in het stadsarchief van Brugge.
Op het schilderij staan de volgende vermeldingen: links boven "NATUS BRUGIS Anno 1548" (Geboren te Brugge in 1548); rechtsboven "DENATUS HAGÆ COMITIS Anno 1620" (Overleden te 's Graven Hage in 1620); en onderaan "SIMON STEVIN. MATHEMATICUS INSIGNIS CONSILIAR. CELSISSI. MAURITII PRINCIPIS ARAUSIONENSIUM" (Vermaard wiskundige. Raadgever van de doorluchtigste Maurits prins van Oranje). Hij noemde zich later Simon Stevin Brugghelinck of Brugensis.
Zijn moeder was een welgestelde vrouw, die familiegoederen erfde uit een Ieperse nalatenschap. Ze was de dochter van Hubrecht, die in 1512 of 1513 poorter werd van Brugge. Ze had nog twee kinderen, Hubrecht en Emerentiana, van een zekere Noël de Caron (overleden in 1560), die afwisselend burgemeester en schepen (wethouder) was van het Vrije van Brugge, een onafhankelijk gebied rondom de stad. Later trouwde ze met ene Joost Sayon, die in 1556 lid was van de Schuttersgilde Sint-Sebastiaan te Brugge.
Simons vader was afkomstig uit Veurne en was lid van de kolveniers- of schuttersgilde van Sint-Barbara in Brugge. Documenten tonen dat ene meester Stevin belast werd met de uitvoering van belangrijke bouwwerken aan de nieuwe gebouwen van de Vierschaar in 1560.Artikel G. Vandenbergh Simon Stevin, tijdschrift De Vlaamse Stam, jaargang 34, pag. 323-328 en bibliografie Hij was de jongste zoon van de burgemeester van Veurne. Men weet niet of hij poorter was van Brugge, wel werden veel andere Stevins vermeld in de Brugse poortersboeken.
Eerste 30 jaar Over Simons jeugd is vrijwel niets bekend. Een van de eerste bewaard gebleven documenten over hem is zogenaamd een "mondigverklaring", ook wel ontvoogding genoemd, gedateerd op 30 oktober 1577. Na zijn mondigverklaring had Stevin geen voogden meer nodig om zijn zaken waar te nemen. Deze acte vermeldt dat Stevin "ghecommen was ter oude van acht en twintich jaeren ofte daerontrent", en dat hij twee voogden had, ene Joachim de Fournier en Joost Sayon (de echtgenoot van zijn moeder). Zijn mondigverklaring was een formaliteit: men moest een voogd hebben om ontvoogd te kunnen worden, en zijn voogden waren aangesteld op 30 oktober 1577. Een ontvoogding (op achtentwintigjarige leeftijd) was niet ongebruikelijk. Voogden werden meestal pas aangesteld wanneer de (minderjarige) bevoogde daadwerkelijk bezittingen had die beheerd moesten worden, Dijksterhuis (p. 40) en Devreese en Vanden Berghe (p. 40) vermoeden dat Stevin tot 1577 geen of onvoldoende eigen bezittingen had en dat hij ten tijde van zijn mondigverklaring een grote som geld, bijvoorbeeld een erfenis, verwachtte.
Uit een vermelding in zijn eigen werk Wisconstighe Ghedaechtenissen blijkt dat hij een tijd werkzaam was als kassier en boekhouder te Antwerpen. miniatuur|Fragment uit de Stevins Castramentation (1618) over de wiskundige bouw van een fort. Bewaard in Openbare Bibliotheek Brugge. In 1577 keerde Stevin terug naar Brugge, volgens Van Hercke, en werd er door de schepenen aangesteld om als klerk (1577-1581) te werken op het kantoor van Jan de Brune bij het Brugse Vrije, ook de tekst van de ontvoogding vermeldde dat Stevin deze functie had.
Van Hercke vermeldt verder dat Stevin vanaf 1571 reizen ondernam naar Pruisen, Polen, Zweden en Noorwegen. Het is zeker dat hij deze landen bezocht heeft omdat hij in zijn werken verwijst naar ervaringen die hij daar opdeed. Dijksterhuis twijfelt er alleen aan dat die reizen hebben plaatsgevonden tussen 1571 en 1577, zoals Van Hercke beweert.
Reden van zijn uitwijking Stevin verliet Brugge in 1571, schijnbaar zonder een welbepaald doel voor ogen. Tevens vraagt men zich af waarom hij in 1577 weer opduikt. Een mogelijke verklaring is dat de opeenvolging van de politieke gebeurtenissen in Brugge Stevins handelen zou hebben beïnvloed. Brugge was namelijk het theater van intense religieuze twisten. De katholieken en de calvinisten namen het bewind steeds van elkaar over, bevochten elkaar, maar werkten soms ook samen. De krachten werden bijvoorbeeld gebundeld om de wetten van Filips II te ontduiken of om zijn vertegenwoordigers te bevechten.
Stevin was waarschijnlijk protestant. Als katholiek zou Stevin immers nooit een vertrouwenspositie kunnen verwerven bij Prins Maurits (zie verder). Dit verklaart waarom hij in 1571 Brugge verliet. Tot 1573 werden namelijk protestanten verbrand in Brugge op bevel van onder anderen de Hertog van Alva. De opstandelingen bestonden hoofdzakelijk uit protestanten, onder meer omdat Spanje een katholiek land was. Pas in 1576 was er officieel een zekere vorm van vrij geloof toegelaten.
In 1577 brak er een veiliger tijdperk aan voor de protestanten. Er deed zich een calvinistische staatsgreep voor in verschillende delen van Vlaanderen. Tijdens die staatsgreep werden verschillende Spaansgezinde kerkelijke en wereldlijke gezagsdragers gevangengenomen. Op dat ogenblik dook Stevin weer op in Brugge.
Tussen 1578 en 1584 was het bestuur van Brugge in de handen van de calvinisten, die dezelfde methoden als hun tegenstanders toepasten. Ze verboden de plechtigheden en de diensten van de katholieken. Alle blikken in Vlaanderen waren gericht op de Noordelijke Nederlanden: de protestanten vestigden al hun hoop op een overwinning van Willem de Zwijger en zijn zoon Maurits van Nassau op het Spaanse gezag.
In 1581 besloot Stevin zich toe te leggen op universitaire studies. Hij vertrok naar de Universiteit van Leiden, die door Willem van Oranje in 1575 was gesticht. Op 16 februari 1583 schreef hij zich uiteindelijk in als Simon Stevinius Brugensis (= Simon Stevin uit Brugge). Tot 1590 blijft zijn naam voorkomen in de registers van de universiteit.
In Leiden publiceerde Stevin in hoog tempo allerlei boeken, voornamelijk over wiskunde en natuurkunde, en kreeg hij diverse octrooien voor een aantal uitvindingen en verbeterde technieken, zoals voor het bemalen van drassige gebieden. Stevin moet dus, voor zijn komst naar Leiden, al een uitstekende vooropleiding hebben gehad; over deze vroegere periode is echter niets bekend.
Eerste periode in het Noorden Eenmaal in het noorden begon Stevin met zijn wetenschappelijke publicaties (zie Werk). In 1582 werd zijn eerste werk, de Tafelen van Interest, over handelsrekenen gepubliceerd door Christoffel Plantijn te Antwerpen. De meeste werken van Stevin werden gedrukt door Plantijn die in 1583 ook een drukkerij oprichtte in Leiden.
De eerste jaren van Stevins verblijf in Leiden werden besteed aan wetenschappelijk onderzoek. Het is niet bekend waar hij de nodige basis hiervoor verwierf. Tussendoor was hij ook actief als ingenieur. De poging om theorie en praktijk, spiegheling (vergelijk het moderne woord bespiegeling) en daet, met elkaar te verbinden, loopt als een rode draad door zijn hele werk.
Stevin verbeterde onder meer de poldermolen en ontwierp in 1601 de zeilwagen. Om zijn hydraulische uitvindingen in de praktijk om te zetten sloot hij een overeenkomst met Jan Cornets de Groot, vader van Hugo de Groot. Deze De Groot was burgemeester van Delft en een zeer hechte vriend van Stevin. Samen lieten ze op verschillende plaatsen windmolens bouwen en bestaande verbeteren. Tevens deden ze eerder dan Galilei een valproef van de toren van de Nieuwe Kerk van Delft, waarmee ze Aristoteles weerlegden.
De relatie met prins Maurits Maurits van Nassau (1567-1625), de latere prins van Oranje en de stadhouder van Holland en Zeeland en tevens kapitein-generaal, was bijzonder geïnteresseerd in toegepaste wiskunde en stelde Stevin in 1593 aan als privé-docent. De inhoud van deze lessen vatte Stevin samen in zijn boek Wisconstighe Ghedachtenissen (1605-1608). Tezelfdertijd diende hij als ingenieur bij het Staatse leger. Hij speelde zeker een rol in de verandering aan het front, maar zijn effectieve rol is nergens beschreven.
In 1604 werd Stevin, op aanraden van Maurits, benoemd tot kwartiermeester. Maurits had grote waardering voor Stevin en er ontstond een hechte vriendschap die niet door iedereen werd gewaardeerd. Stevin maakte deel uit van comités die verdediging en navigatie onderzochten. Verder werd hem door Maurits gevraagd een onderwijsprogramma te ontwikkelen dat snel ingenieurs kon opleiden. Stevin bleek hiervoor de geknipte persoon, dankzij zijn combinatie van didactische kwaliteiten en kennis van theorie en praktijk. Aan deze opleiding, de Duytsche Mathematique (Nederlandse wiskunde) in Leiden, kregen leerlingen, in het Nederlands, lessen in reken- en landmeetkunde alsmede vestingbouw. Opvallend is zijn grote aandacht voor de Nederlandse taal. Stevin beweerde namelijk dat het Nederlands beter geschikt is voor kennisoverdracht dan het Grieks, Latijn of een andere moderne taal.
Aan het einde van zijn carrière beviel Stevins rol als kwartiermeester hem niet meer. Hij verzocht de Staten-Generaal tevergeefs om een hogere functie en loonsverhoging.