Spinnendoders (Pompilidae) zijn een familie van insecten die behoren tot de vliesvleugeligen. Het zijn vrij grote wespen die hun naam danken aan een opmerkelijke vorm van broedzorg. De familie vertegenwoordigt ongeveer vijfduizend soorten, en vormt daarmee een relatief kleine groep van insecten.

Alle soorten hebben zich gespecialiseerd in het vangen van spinnen. De wespen zijn zeer behendig in het uitschakelen van de spin door deze met een snelle steek te verlammen. Een buitgemaakte spin wordt vervolgens naar het nest gesleept. De verlamde spin wordt uiteindelijk begraven of ingemetseld waarbij de wesp een ei op de spin afzet. De wespenlarve die uit het ei kruipt, eet vervolgens de nog levende spin op, waarna de larve zich verpopt. In de pop transformeert de larve naar een volwassen spinnendoder die zich uit de cocon werkt, waarna de cyclus opnieuw begint. Het zijn altijd de vrouwtjes die het werk verzetten en op spinnen jagen; de mannetjes leven van nectar uit bloemen en sterven kort na de paring.

Spinnendoders worden over de gehele wereld aangetroffen, maar vooral in de tropen. In België en Nederland komen ongeveer 75 soorten voor. Pompilidae in het Nederlands Soortenregister Pompilidae op waarneming.nl Pompilidae op waarnemingen.be Door hun complexe levenscyclus, die zich deels ondergronds afspeelt, is van veel soorten nog niet alles bekend. Van enkele parasitaire soorten spinnendoders is de voortplantingswijze pas relatief recentelijk ontdekt.

Spinnendoders worden gemeden door vele dieren vanwege de pijnlijke steek. Ook voor mensen resulteert hun steek in een felle pijn.

Naamgeving In het Nederlandse taalgebied wordt de groep meestal aangeduid met de naam spinnendoders. Daarnaast wordt ook de naam wegwespen wel gebruikt.

Spinnendoders worden ook in andere talen vernoemd naar hun gewoonte om spinnen te vangen, zoals in het Engelse 'spider wasps'. In sommige talen worden ze vernoemd naar hun habitat, zoals in het Duitse 'Wegwespen'. Het Duitse 'Weg' betekent looppad of zandpad en dit is een omgeving waar spinnendoders vaak kunnen worden gevonden.

De wetenschappelijke naam van de spinnendoders is Pompilidae. De naam van het type, het geslacht Pompilus, werd in 1798 voor het eerst gepubliceerd door Fabricius. (1798). Supplementum Entomologiae Systematicae: 212 Op deze naam baseerde Latreille in 1805 de familienaam Pompilidae. (1805). Histoire naturelle, générale et particulière des crustacés et des insectes: ouvrage faisant suite aux oeuvres de Leclerc de Buffon, et partie du cours complet d'histoire naturelle 13: 277; de familienaam werd door Latreille gespeld als "Pompilii". In 1901 ontdekte de Amerikaanse entomoloog Fox dat de naam Pompilus een homoniem was van de eerder gepubliceerde naam Pompilus , 1784, een naam voor een inktvisachtig dier. (1784). Sammlung vermischter Abhandlungen zur Aufklärung der Zoologie und der Handlungsgeschichte: 128; Schneider gaf de naam aan een "inktvis" zonder zuignappen, die in een schelp leeft en die, volgens Schneider zelf, van Linnaeus een andere naam had gekregen maar door Plinius al Pompilus werd genoemd. Figuur XVII B uit Rumphius' D'Amboinsche rariteitkamer (1705), waarnaar Schneider verwijst, laat een Nautilus zien. Omdat de naam van Plinius ouder was, moest die volgens Schneider als geldige naam worden geaccepteerd. De afspraak dat namen die vóór de tiende druk van Linnaeus' Systema naturae zijn gepubliceerd geen status hebben, werd pas later gemaakt. Fox ging er daarom van uit dat de naam Pompilus en de daarop gebaseerde familienaam Pompilidae niet beschikbaar waren voor de wespen, en stelde Ceropalidae voor als nieuwe naam voor de familie.

In 1796 had Latreille de geslachtsnaam Psammochares gepubliceerd, overigens zonder soorten en dus zonder type. Latreille zelf behandelde die naam vanaf 1802 als een synoniem van Pompilus . In 1910 stelde Banks dat, als de naam Pompilus niet beschikbaar was, Psammochares de oudste beschikbare naam voor het typegeslacht van de spinnendoders was, en dat die dan op grond van de prioriteitsregelICZN Art. 23.1 voor het geslacht gebruikt moest worden. Banks baseerde daarop vervolgens de familienaam Psammocharidae , 1910. De status van Schneiders naam was al vanaf de publicatie onduidelijk en de naam werd in 1935 door de International Commission on Zoological Nomenclature voorgoed ongeldig verklaard.; door tussenkomst van de Tweede Wereldoorlog werd de beslissing pas in 1945 gepubliceerd. De naam Pompilus was daarmee weer beschikbaar. Tezelfdertijd besliste de ICZN dat ook de naam Psammochares ongeldig was, waarmee de lang voor de familie gebruikte naam Pompilidae in ere kon worden hersteld.

De naam van het typegeslacht Pompilus komt van het Griekse , wat loods betekent.Stichting Anemoon - Nautilus - Website gearchiveerd op archive.org Dit verwijst naar de gewoonte om spinnen te transporteren. Soorten uit het geslacht Pepsis worden in de Engelse taal wel tarantula hawk genoemd, wat 'tarantulahavik' betekent.

Verspreiding en habitat Spinnendoders komen wereldwijd voor in warme gebieden, vooral in de tropen en in woestijnen. Ze worden vooral aangetroffen in open, droge streken met een zanderige tot lemige ondergrond. Alle soorten komen alleen bij zonnige weersomstandigheden tevoorschijn. Bij regenachtig weer zijn spinnendoders trager en dit verkleint de kans om een spin te bemachtigen. Ook op het heetst van de dag zijn spinnendoders niet actief; ze zijn met name in de ochtend en in de namiddag van zonnige dagen te zien.

Spinnendoders hebben bloemen nodig om zich te voeden met suikerrijke nectar en zijn vaak in bloemrijke omgevingen te vinden. Ze leven uitsluitend van nectar, de mannetjes hebben energie nodig voor hun zoektocht naar een vrouwtje en de vrouwtjes moeten aan nectar komen om hun energieverslindende jacht op spinnen te faciliteren.

Vanwege hun leefwijze geeft een aantal soorten voorkeur aan een bepaalde habitat. De soorten uit het geslacht Pompilus begraven hun prooi in zand. Dergelijke soorten zijn vaak bij zandverstuivingen te vinden. Soorten uit het geslacht Agenioideus begraven hun prooien tussen stenen en zijn vaak bij oude muren te zien. Spinnendoders kunnen ook in omgevingen voorkomen die sterk door de mens zijn aangepast, zoals tuinen en parken.

Uiterlijke kenmerken Spinnendoders zijn in vergelijking met andere wespachtigen een zeer uniforme groep. De verschillende soorten kunnen sterk in grootte en lichaamskleur verschillen maar hebben verder een overeenkomstige lichaamsbouw. In vergelijking met andere soorten vliesvleugeligen worden spinnendoders relatief groot. De kleinste soorten bereiken een totale lichaamslengte van ongeveer zes millimeter. De grotere soorten kunnen meer dan vijf centimeter lang worden. De allergrootste soorten behoren tot het geslacht Pepsis. Deze spinnendoders komen alleen voor in Noord- en Zuid-Amerika. De soort Pepsis pulszkyi kan een lichaamslengte bereiken van zeven centimeter en heeft een vleugelspanwijdte of vlucht van ongeveer tien centimeter. Pepsis pulszkyi is hiermee voor zover bekend het grootste vliesvleugelige insect.

Spinnendoders vallen op door hun slanke lichaam en relatief lange poten. Ze hebben daarnaast lange draadachtige antennes die, in tegenstelling tot die van veel andere wespachtigen, geen knik hebben.

Spinnendoders hebben meestal een zwarte basiskleur met een rode, gele of witte tekening. Vaak zijn gele of witte vlekken aanwezig op de zwarte basiskleur. Sommige soorten hebben een afwijkende rode kleur, zoals de vertegenwoordigers van het geslacht Tachypompilus. Soorten uit het geslacht Poecilopompilus hebben een overwegend gele kleur.

Kop thumb|Delen van de kop van een spinnendoder: Spinnendoders hebben een opvallende kop met grote ogen, lange en dikke antennes en vaak zeer krachtige kaken. De kaken van spinnendoders hebben vaak een of twee tandachtige, verharde uitsteeksels aan de binnenzijde.

Als alle vliesvleugeligen hebben spinnendoders facetogen, die bestaan uit vele kleine suboogjes die de ommatidia worden genoemd. De ogen spelen bij spinnendoders een grote rol bij het opsporen van prooien. De ogen zijn ovaal van vorm en niet rond of langwerpig zoals bij andere vliesvleugeligen.

Bij alle soorten zijn boven op de kop drie kleine enkelvoudige oogjes aanwezig die ook wel ocelli worden genoemd. De configuratie is twee oogjes aan de achterzijde en een oogje aan de voorzijde. De enkelvoudige oogjes hebben een ondergeschikte visuele functie: ze kunnen alleen grote veranderingen van de lichtintensiteit en de invalshoek van het licht waarnemen.

De belangrijkste zintuigen van spinnendoders zijn de antennes. Deze bevatten vele chemosensorische cellen die geurdeeltjes waarnemen. De spinnendoder is hierdoor goed in staat om de geuren van spinnen waar te nemen.

De antennes zijn draadvormig of filiform, relatief lang en dun en niet verdikt. Een antenne bestaat uit verschillende segmenten of leden, de antennedelen hebben nooit uitsteeksels. De basis van de antenne is wat breder; dit is de scapus. Het eerste lid van de antenne wordt de pedicellus genoemd en alle andere leden worden flagel genoemd (meervoud: flagellen). De antenneleden zijn bij spinnendoders ongeveer gelijkvormig. Anders dan bij de meeste vliesvleugeligen, zoals bij plooivleugelwespen, bijen en mieren, hebben de antennes nooit een scharnierpunt of 'knik'. De antennes hebben ook geen verdikt uiteinde zoals bij andere vliesvleugeligen voorkomt. Mannetjes en vrouwtjes zijn aan hun antennes te onderscheiden. Mannetjes hebben altijd dertien antenneleden terwijl vrouwtjes er altijd twaalf hebben. De antennes van mannetjes zijn recht, die van vrouwtjes zijn naar binnen gekruld. Opmerkelijk is dat na de dood van een vrouwtje de antennes nog sterker naar binnen gaan krullen.

Borststuk thumb|290px|left|Belangrijkste lichaamsdelen van een spinnendoder, afgebeeld is Pompilus rufipes: Het borststuk draagt de drie paar poten aan de onderzijde en de twee paar vleugels aan de bovenzijde. De bovenzijde van het borststuk bestaat uit drie platen, het propleuron aan de voorzijde en het metapleuron aan de achterzijde. De middelste plaat wordt het mesopleuron genoemd en deze plaat heeft een bij de spinnendoders een dwarsgroeve zodat het lijkt alsof het borststuk bedekt is met vier platen in plaats van drie. Spinnendoders hebben in vergelijking met andere vliesvleugeligen relatief lange poten; vooral het achterste (derde) potenpaar is erg lang. De poten worden tijdens het vliegen omlaag gehouden. Zij bestaan uit verschillende delen zoals het dijbeen of femur, de scheen of tibia en het uiteinde van de poot draagt het klauwtje of tarsus. Bij de spinnendoders zijn het dijbeen en de scheen altijd voorzien van stekelige haren, die de sporen worden genoemd. Ze kunnen bij een aantal soorten behoorlijk groot worden. Het aantal sporen per poot en de grootte en positie ervan zijn een belangrijke determinatiekenmerk bij de spinnendoders.

De tarsus eindigt in een klauwtje, dat bij veel soorten voorzien is van kleine haartjes die tezamen een kamachtige structuur vormen. Spinnendoders begraven hun prooien vrijwel altijd in de bodem. Door de tarsale kam aan het pootuiteinde wordt het pootoppervlak vergroot en kan de wesp efficiënter grond verzetten.

Aan de bovenzijde van het borststuk is het halsschild of pronotum aanwezig. Het halsschild is bij de spinnendoders altijd vergroot aan de achterzijde en reikt tot aan de basis van de vleugels.

Spinnendoders hebben gekleurde vleugels, in tegenstelling tot vrijwel alle andere vliesvleugeligen die transparante vleugels hebben. De kleuren bestaan uit een eigen kleuring en worden niet veroorzaakt door bijvoorbeeld een gekleurde beschubbing of kleine haartjes. De vleugels zijn vaak 'rookachtig' donker van kleur. De vleugels van spinnendoders kunnen ook een blauwe of bruine tot oranje of gele kleur hebben. Bij een aantal soorten is de vleugelpunt donkerder dan de rest van de vleugel.