miniatuur|Evolutie van mobiele telefoons miniatuur|Mobiele telefoon (detail) miniatuur|Zend- en ontvangstmast voor mobiele telefonie miniatuur|Zendmast T-mobile op ongeveer 60 meter hoogte

Een mobiele telefoon, ook wel mobiel(tje) (Nederland), gsm (België) of cellulair (Suriname) genoemd, is een draagbaar toestel waarmee mobiele telefonie via een landelijk netwerk van zendmasten mogelijk wordt gemaakt. Mobiele telefoons maken gebruik van radiogolven en van telefooncentrales om binnen een bepaalde regio communicatie tussen de gebruikers mogelijk te maken. Dit kan zowel in een openbaar als in een privénetwerk. Een voorbeeld van een gesloten privénetwerk is het C2000-netwerk voor hulpverleningsdiensten in Nederland, of Astrid in België. De eerste generaties maakten gebruik van analoge modulatie, latere van digitale (gsm en UMTS).

De term mobiele telefoon omvat niet de zogenaamde draadloze telefoons die gekoppeld zijn aan een vaste telefoonaansluiting en die alleen gebruikt kunnen worden binnen een straal van honderd meter van het basisstation.

Om radiofrequenties te gebruiken voor mobiele telefonie is in Nederland een vergunning van het Agentschap Telecom van het ministerie van Economische Zaken noodzakelijk. Mobiele telefoons moeten door dit agentschap (of een vergelijkbare instantie in een ander EU-land) worden goedgekeurd.

De eerste mobiele telefoon, de DynaTAC 8000X van Motorola, woog 790 gram. In 2019 wogen veel mobiele telefoons minder dan 100 gram. Geavanceerdere toestellen zijn smartphones; deze wegen veelal tussen de 100 en 200 gram.

In 2010 werden er 1,4 miljard mobiele telefoons verkocht.https://www.nu.nl/economie/2434837/14-miljard-mobiele-telefoons-verkocht-in-2010.html. Gearchiveerd op 6 maart 2016. In 2011 was 65% van de verkochte telefoons een smartphone.65% van telefoons zijn smartphones. Gearchiveerd op 30 juli 2023.

Geschiedenis van de mobiele telefoon in België/Nederland In de jaren 1950 werd begonnen met de opzet van een semi-openbaar netwerk van zogenaamde mobilofoons, vooral gebruikt door bepaalde groepen. Er was geen gespreksgeheim. Een gesprek moest bij de telefoniste worden aangevraagd en daarbij moest worden opgegeven waar de mobilofoonabonnee zich ongeveer bevond. Spreken en luisteren was niet tegelijk mogelijk en het was gebruikelijk “Over!” te zeggen om het woord aan de tegenpartij te geven. Een telefoniste, die meeluisterde, schakelde in de centrale de verbinding om.

ATF-1 tot en met ATF-3

In de jaren 1970 ontstonden de autotelefoon-netwerken. De Nederlandse PTT die destijds het staatsmonopolie had op telecommunicatie, hanteerde voor dergelijke netwerken de afkorting ATF. De netwerken gebruikten aanvankelijk frequenties van ca. 150 MHz, later ca. 450 MHz en ten slotte ca. 950 MHz. De netwerken waren analoog; er werd gebruikgemaakt van frequentiemodulatie en iedereen met een simpele ontvanger kon meeluisteren.

ATF-1, dat rond 150 MHz werkte en in maart 1980 werd geïntroduceerd, was tamelijk omslachtig. Zo moest de gesprekspartner die de abonnee vanaf het vaste net opriep weten in welk van de drie oproepgebieden in Nederland de opgeroepene zich bevond. Wel kon ATF-1 in Duitsland en Oostenrijk worden gebruikt. Doordat de capaciteit slechts toereikend was voor circa 2500 gebruikers zat het systeem na 3 jaar al vol.

ATF-2 werd in 1985 geïntroduceerd en werkte volgens een in Scandinavië ontwikkeld concept: Nordic Mobile Telephone. Het werd ook wel NMT-450 genoemd vanwege de gebruikte frequentieband. Er konden 50.000 abonnees op worden aangesloten. In 1989 zat het systeem in Nederland vol. Een uitbreiding op ATF-2 vormde ATF-3, dat met het NMT-900 systeem werkte op de 900MHz-frequentieband en in 1989 in bedrijf kwam. Hiermee konden kleinere toestellen worden gerealiseerd met kleinere antennes en lagere vermogens en er konden meer gebruikers op worden aangesloten.

Gebruik was in eerste instantie uitsluitend toegestaan aan boord van voertuigen. Wie een autotelefoon aan boord van een schip gebruikte was in overtreding. Aan boord van schepen was uitsluitend een marifoon als communicatiemiddel toegestaan. Het duurde jaren voordat aan deze situatie een einde kwam.

ATF-3 werd als laatste ATF-net in 1997 opgeheven.

Uit een filmpje van Frans Bromet uit 1998 leek het er nog op dat de meeste Nederlanders het mobiel bellen nog niet zagen zitten.. Gearchiveerd op 28 maart 2025.

Per 1 januari 2005 zijn de frequenties rond 151 MHz van het ATF-1-netwerk vrijgegeven voor kerkradio.

Greenpoint

Van 1992 tot en met 1998 kende Nederland een semi-mobiel telefoonnetwerk onder de naam Greenpoint met de Greenhopper-toestellen die volgens de ETSI-standaard I-ETS 300 131 (CT2) werkten.

Gsm

Sinds ongeveer 1993, met de start van het gsm-netwerk, is het aantal mensen met een mobiele telefoon zeer sterk gestegen. Tot begin jaren 1990 was het gebruik beperkt tot zakenlieden, binnenvaartschippers en beroepschauffeurs. Het eerste netwerk voor mobiele telefonie in België werd door Proximus op 1 januari 1994 opengesteld.

Tien jaar later had bijna elke Nederlander en Belg een mobiele telefoon. Hierdoor is het telefoneren in openbare ruimtes, treinen en auto’s gemeengoed geworden. De overheid zag zich genoodzaakt maatregelen af te kondigen tegen het telefoneren in de auto met het toestel in de hand. In ziekenhuizen werd gevraagd de mobiele telefoon uit te schakelen aangezien oude apparatuur mogelijk gestoord kon worden. Gaandeweg is medisch apparatuur minder gevoelig geraakt voor de aanwezigheid van mobiele telefoons. Geruime tijd werd ook in vliegtuigen gevraagd om mobiele telefoons uit te schakelen, maar het is toegestaan om mobiele telefoons in vluchtmodus te gebruiken tijdens de vlucht.

In gebieden waar geen dekking via een gsm-netwerk beschikbaar is, kan telefoneren via een satellietverbinding een geschikte oplossing vormen. Verschillende systemen zijn beschikbaar.

Datadiensten Mobiele telefoons bieden behalve de telefoniedienst ook steeds meer datadiensten. Deze data kunnen weer naar een (draagbare) computer getransporteerd worden. Steeds meer data kunnen op het toestel zelf bekeken en ingevoerd worden. Een datadienst werd sms, die het mogelijk maakt korte tekstberichten te ontvangen en te versturen, en later Whatsapp dat daarnaast ook de mogelijkheden van beelden verzenden en beeldbellen aanbiedt. Deels raakten hiermee semafoons achterhaald.

GPRS, EDGE en UMTS zijn speciaal gemaakt om packet switched data toe te laten op het netwerk. Hierdoor werd een mobiel internet mogelijk dat voorzag in internettoegang.

Verder is er wifi: dit zijn lokale netwerken die verbonden zijn met het internet. Publieke wifinetwerken worden hotspots genoemd. Doorgaans is het gebruik van een hotspot voor gebruikers gratis, maar er bestaan ook betaalmodellen. Verder is er bluetooth voor het verbinden van mobiele telefoons onderling, of mobiele telefoons met andere apparaten (zoals computers, printers of fotocamera's) die ook zijn uitgerust met bluetooth.

Continue verbinding In Nederland en België staan UMTS-zendmasten, die in een straal van 10 km het signaal van een mobiele telefoon kunnen ontdekken. Sinds 5G zijn daar de vele small cells bij gekomen.Kleine zendmasten zitten overal verstopt, AD, David Bremmer, 31 augustus 2016 08:10 (update 11:43). Geraadpleegd 15 januari 2021. Gearchiveerd op 21 januari 2021. Mobiele telefoons zijn - als ze voorzien zijn van energietoevoer/batterijen - continu verbonden met deze masten. Bij het bellen zendt de mobiele telefoon een signaal naar de andere mast (ook wel node B genoemd). Al die masten zijn verbonden aan een kast, waarin zich apparatuur bevindt die “weet” in welke cel (bereik van een node B) een bepaalde mobiele telefoon zich bevindt. Deze locatiegegevens worden opgeslagen en bewaard - ook wanneer telefoons op 'uit' staan, wat op gespannen voet staat met de privacy van de telefooneigenaar. Dit kan met oudere modellen mobieltjes worden omzeild door de batterij tijdelijk te verwijderen wanneer de telefoon niet in gebruik is; in nieuwere modellen zijn de batterijen dieper weggestopt in het apparaat.

Onderdelen van de mobiele telefoon Een mobiele telefoon heeft over het algemeen de volgende onderdelen: Microfoon voor de opvang van spraak Luidspreker voor de weergave van spraak Toetsen (met ten minste de cijfertoetsen 0 tot en met 9, * en #) (bij een touchscreenmodel kunnen deze ontbreken). Mobiele telefoons hebben meestal niet voor iedere letter een toets. Daarom wordt bij het invoeren van tekst (voor een sms, voor het telefoonboek enz.) gebruikgemaakt van multi-tap of T9. Er zijn overigens wel modellen die complete (fysieke) toetsenborden hebben, die bijvoorbeeld onder het toestel vandaan schuiven. Beeldscherm Een of meer microcontrollers, vaak drie: applicatie, baseband en DSP Hoogfrequenteenheid met zender en ontvanger Antenne, al dan niet ingebouwd in de behuizing van het toestel Batterij voor de stroomvoorziening Keramische resonator voor het belgeluid, soms gecombineerd met de luidspreker Trilelement voor het stil oproepen van de gebruiker Ingebouwde digitale camera Geheugenkaart (meestal een microSD-kaart) Geïntegreerde gps-antenne FM-radio (met analoge ontvanger of via software-defined radio, SDR)

Het beeldscherm kan zijn uitgevoerd als: lcd oled tft, al dan niet in kleur Bij een touchscreen functioneert het beeldscherm tevens als invoereenheid.

Ontwikkeling van de gebruiksmogelijkheden

Een mobiele telefoon had in 1996 de mogelijkheid voor: Telefonie met spraakcommunicatie

Een mobiele telefoon had in 1998 de mogelijkheid voor: Telefonie met spraakcommunicatie Trilfunctie

Een mobiele telefoon had in 2003 gewoonlijk de volgende mogelijkheden: Telefonie met spraakcommunicatie Trilfunctie Dual Band Bluetooth (in eerste instantie bij de duurdere/zakelijke toestellen) Mobiel internet (WAP, onder andere via GPRS) (idem) Tri Band (idem) Sms-functie Camera voor fotografie of video-opname

Vanaf 2004 werden de volgende mogelijkheden toegevoegd: Extra gegevensopslag EDGE (gebruikt voor 2G)

Vanaf 2005 werden de volgende mogelijkheden toegevoegd: De pda’s geïntegreerd met wifi, GPRS, WAP en gsm. Quad Band UMTS (gebruikt voor 3G) Televisie gps-ontvangst (en andere navigatiesystemen zoals Galileo) FM-ontvangst (via internet kan webradio worden gebruikt)

Vanaf 2007 werd de volgende mogelijkheid toegevoegd: Touchscreen

Vanaf 2008 werd de volgende mogelijkheid toegevoegd: Een applicatiewinkel waar digitaal software kan worden aangeschaft (Google Play, Apple App Store).

Vanaf 2011 werden de volgende mogelijkheden toegevoegd: NFC, een (bestands)overdrachtstechnologie. 4G, een snellere techniek voor mobiel internet. Enkele fabrikanten rusten hun toestellen met 3D-schermen uit.

Veel mobiele telefoons hebben een eenvoudige rekenmachine en kunnen eenvoudige uitvoering audio-, afbeeldings- en videobestanden afspelen/weergeven (draagbare mediaspeler-functie), en deze produceren met de audiorecorder-functie en de foto- en videocamera-functie (en dus ook camcorder-functie).

Hoewel meestal allerlei verschillende bestanden naar een mobiele telefoon gezonden kunnen worden, bijvoorbeeld via bluetooth, kunnen op de telefoon alleen bepaalde bestandstypen worden geopend. Zelfs een tekstbestand (anders dan een binnengekomen sms of een op de mobiele telefoon ingetypte notitie) kan in veel gevallen niet worden weergegeven. Een smartphone heeft meestal wel die mogelijkheid.

Technisch zijn de mobiele telefoons mogelijk geworden door vooruitgang in de miniaturisatie van elektronische componenten, het gebruik van digitale technieken en vooruitgang in de batterijtechnologie. Ze werden ook steeds kleiner (begrensd door de hanteerbaarheid, de ruimte die de toetsen vergen, en de wenselijkheid van een niet te klein scherm) en lichter.

Besturingssystemen