thumb|200px|Stadsverwarmingsleidingen in Tübingen (D); De leidingen voor aanvoer en terugvoer liggen naast elkaar. Elke leiding bestaat uit een buitenste en een binnenste buis. Het heet water stroomt door de binnenste buis. Tussen de binnenste buis en de buitenste buis zit isolatie. Warmtedistributie is een verwarmingssysteem, waarbij gebouwen worden verwarmd via een ondergronds netwerk van warmwaterleidingen. Warmtedistributie voor (een groot deel van) een stad wordt stadsverwarming genoemd. Ook de term stadswarmte is gangbaar. De vraag naar warmte vertegenwoordigt een aandeel van ongeveer 50% van het totale energieverbruik in Europa.

Geschiedenis Een van de eerst bekende vormen van stadsverwarming in de wereld ligt in Chaudes-Aigues, een Frans dorpje in de buurt van Lyon. Het water uit geothermische warmtebronnen werd door een systeem van buizen aan ongeveer dertig huizen in het dorpje afgeleverd. De nieuwe, moderne, varianten van de warmtesystemen hebben dezelfde vorm van het distribueren van warmte onder de aangesloten gebouwen.

Techniek In veel gevallen maakt warmtedistributie gebruik van aftapwarmteVaak krijgt deze warmte onterecht het predicaat RESTwarmte maar boven de 50 graden heeft aftappen van warmte uit centrales niets meer met REST te maken. van elektriciteitscentrales, maar ook geothermie, aquathermie, de warmte van afvalverbrandingsinstallaties (AVI's) en de restwarmte van datacenters en uit industriële processen worden gebruikt. Er wordt echter ook substantieel warmte opgewekt in zogenaamde hulpcentrales wanneer de vraag naar warmte het aanbod uit restwarmte overtreft of wanneer er geen aansluiting is op het warmtenet (zoals bij de Silodam in Amsterdam).

Elektriciteitscentrales hebben een rendement van tussen de 35 en 60%, en de rest van de energie wordt via koelwater of koeltorens aan de omgeving afgegeven. Bij het gebruik van aftapwarmte van elektriciteitscentrales voor warmtedistributie wordt de hoeveelheid gegenereerde elektriciteit wel iets kleiner, maar deze afname is veel minder dan de hoeveelheid warmte die gebruikt kan worden. Elke 5 gigajoule aan warmte die wordt afgetapt leidt typisch tot een vermindering van 1 gigajoule aan geproduceerde elektriciteit (warmte aftap zorgt ongeveer voor 20% meer primair brandstofgebruik). Het gebruiken van de aftapwarmte geeft daardoor een grote besparing ten opzichte van het apart opwekken van elektriciteit en warmte. Een lage temperatuur warmtenet zou de voorkeur moeten genieten bij centrales daar dat op 100% restwarmte kan draaien en er dus niet meer fossiele brandstof nodig is en er nauwelijks verliezen optreden tijdens het transport (15 in plaats van 30-55% verlies).

Nieuwe ontwikkelingen zijn gebruik van biomassa, warmtepompen en zonnecollectoren en warmtenetten met lagere temperaturen. Door het schaalvoordeel (een grote warmtebron in plaats van vele cv-ketels) en/of een duurzame (rest)warmtebron is warmtedistributie meestal brandstofbesparend. Om de kosten te kunnen berekenen, heeft elk huis een warmtemeter. Het warmteverbruik wordt uitgedrukt in gigajoules. 1 gigajoule warmte komt ongeveer overeen met het verstoken van ruim 30 kubieke meter aardgas.

De huizen in de steden/wijken met warmtedistributie zijn niet aangesloten op het aardgasnet. Het warm tapwater wordt vaak met behulp van een warmtewisselaar door de warmtedistributie verwarmd. In sommige gevallen wordt het warme tapwater bij het verdeelstation geproduceerd. Deze woningen hebben dus een aparte leiding voor warm tapwater. Koken vindt dus elektrisch plaats. In sommige gevallen hebben de woningen wel een gasaansluiting voor warm tapwater en om te koken.

Bij oudere netwerken bedraagt de ingangstemperatuur 90 °C en de retourtemperatuur 70 °C. Bij nieuwe warmtenetten is de ingangstemperatuur 70 °C. De retourtemperatuur bedraagt dan ongeveer 40 °C. De transporttemperatuur in het hoofdnet ligt meestal tussen de 110° en 130° graden (stoomnet). In de wijkcentrales wordt de temperatuur afhankelijk van de buitentemperatuur geregeld naar de 90°-70° voor de huizen. Een koel warmtenet is een voorbeeld van de nieuwste generatie warmtenetten. Dit is bi-directioneel met temperaturen grotendeels onder de 30 graden en maximaal 50 graden. Zo kan tegelijk gekoeld en verwarmd worden, waardoor maximale uitwisseling tussen terug geleverde koude en warmte van verschillende gebouwfuncties plaats vindt. De gewenste temperatuur wordt geproduceerd door decentrale warmtepompen bij de gebruiker (gebouw of woning). Anders dan bij een traditioneel warmtenet, heeft het ‘KoWaNet’ geen gedefinieerde toevoer- en retourleiding, maar een gedefinieerde warme en koude leiding, waarbij zowel de warme als de koude leiding van het net als toevoer of retour wordt gebruikt, afhankelijk van de vraag. De energie uitwisseling van warmte en koude leidt tot een zeer lage behoefte aan externe energie, van warmte, koude als ook elektriciteit. Indien de warmte- en koudevraag niet in balans zijn, kunnen KoWaNetten aanvullend gevoed worden met restwarmte (bijv. uit riool, datacenters, supermarkten, ijsbanen, industrie), zonnewarmte (bijv. zonnecollectoren, PVT), en geothermie. Een KoWaNet is daarmee hetzelfde als een 5e generatie warmtenet zoals ook toegelicht en gedefinieerd door Boesten et al, 2019.

Generaties warmtenetten

Eerste generatie warmtenet miniatuur|260x260px|De vier generaties van warmtenetten inclusief warmtebronnen. Vijfde generatie is niet opgenomen in deze afbeelding. Het eerste generatie warmtenet, als eerste aangelegd in de stad New York, gebruikte als energiedrager stoom. Dit was ook het geval in Utrecht, waar de Pegus in 1923 de oude elektriciteitscentrale aan de Nic. Beetsstraat ging aanwenden voor het leveren van warmte aan het Academisch Ziekenhuis Utrecht aan de Catharijnesingel. Dit eerste stadswarmtesysteem van Nederland ging later over van stoom op heet water en breidde zijn werkgebied verder uit over de stad.

Deze manier van verwarmen van gebouwen wordt tot op heden nog steeds toegepast. De temperatuur van het hoofdnet bedraagt, zoals eerder benoemd, tussen de 110°C en 130°C.

Tweede generatie warmtenet De tweede generatie van warmtenetten is een breder gedragen en ingezette generatie. Deze generatie is ontwikkeld in de jaren dertig van de twintigste eeuw en gebruikte in tegenstelling tot de eerste generatie onder druk gezet water in plaats van stoom als energiedrager. Het water wordt direct vanuit de warmtebron aangesloten op de gebouwen en bedraagt temperaturen van vaak 100°C of hoger.

Derde generatie warmtenet De derde generatie warmtenet kent dezelfde vorm als de tweede generatie warmtenet en bouwt hier verder op door. De gebruikte aanvoertemperaturen liggen lager dan de temperaturen van de tweede generatie en liggen daarom vaak onder de 100°C. Daarnaast zijn mogelijkheden voor het verwarmen van het water uitgebreid met de mogelijkheid om warmte te winnen uit geothermie, biomassa, restwarmte uit industrie. Daarnaast biedt deze generatie de mogelijkheid om de warmte op te slaan.

Vierde generatie warmtenet Een van de meest recente en veel geïmplementeerde vorm van warmtenetten. Deze generatie kent aanvoertemperaturen die significant lager liggen dan de voorgaande generatie warmtenetten, vaak tussen 40°C en 70°C. Deze generatie warmtenetten kenmerkt zich door een groot aantal toevoegingen aan de manieren van warmtewinning en -opslag;

miniatuur|Binnenwerk van een warmtenet installatie uit 2022 bij afnemerDatacenters voor warmtewinning; Toekomstige, nog niet bekende, warmtebronnen, en; Surplussen van andere energiebronnen als zon en wind.

Naast warmte biedt de vierde generatie warmtenetten ook zogenoemde "koude" netten, waar warmte mee afgevoerd wordt.

Vijfde generatie warmtenet De meest recente generatie van warmtenetten. Een generatie die nog niet breed in gebruik is, maar wel steeds meer ingezet wordt in nu en in de nabije toekomst. Dit netwerk bouwt verder op de vierde generatie en kenmerkt zich door: lage aanvoertemperaturen (lager dan 40°C, gecentraliseerde seizoensopslag van warmte en de verbeterde mogelijkheid van het koelen van gebouwen. De lagere aanvoertemperaturen hebben als effect dat de warmteverliezen kleiner worden.

Naast de eerder genoemde kenmerken, heeft een vijfde generatie warmtenet het kenmerk dat er gebruik gemaakt wordt van ringnetwerken. Ringnetwerken zijn aaneengesloten transportleidingen waar de warmtedrager, in het geval van warmtenetten onder druk gezet water, door het hele netwerk kan stromen. In deze ringnetwerken kan het water bi-directioneel stromen, wat inhoudt dat het warme water directer geleverd kan worden.

Nederland In Nederland is warmtedistributie in de jaren zeventig en tachtig op gang gekomen. In 2000 hadden 212.000 huishoudens een aansluiting op een warmtedistributienet. In 2004 wordt het aantal op 250.000 geschat. Jaarlijks komen er circa achtduizend aansluitingen bij. In april 2011 zijn er ongeveer 550.000 huishoudens aangesloten op stads- of blokverwarming. De eerste stad in Nederland met stadsverwarming was Utrecht in 1923.Hulpwarmtecentrales Utrecht Utrechtse Stichting voor het INdustrieel Erfgoed provincie Utrecht

Bij de vaststelling van de warmtetarieven in Nederland wordt in beginsel het 'NMDA'-principe (NMDA: Niet Meer Dan Anders) aangehouden. Energie-Nederland, het verbond van Nederlandse energiebedrijven, stelt jaarlijks een adviestarief vast op basis van verbruikscijfers bij referentiewoningen. Bij projecten die gesubsidieerd worden door het rijk, ziet Agentschap NL toe op de warmtetarieven. Bij veel projecten zijn bewoners van mening dat zij te veel betalen voor hun warmte. De Kamerleden Ten Hoopenvan het CDA en Samsom van de PvdA namen in 2010 het initiatief tot een warmtewet, die o.a heeft geleid tot standaardmethode voor het vaststellen van de aansluitbijdrage en het tarief. Om de klanten te beschermen is er bovendien een maximumtarief, dat ervoor zorgt dat men maximaal dezelfde kosten heeft als bij aardgas. Deze Warmtewet is in juli 2008 aangenomen door de Tweede Kamer, en werd op 10 februari 2009 zonder stemming door de Eerste Kamer aangenomen. De Warmtewet trad in werking op 1 januari 2014.Dossier: Warmtewet, Aedes

In Nederland wordt warmtelevering, op papier, veel hoger gewaardeerd dan aardgas waardoor de huizen in de berekeningen sneller voldoen aan de gestelde EPC-norm en de bouwer dus minder hoeft te isoleren. Dat dit het milieuvoordeel tenietdoet en de aangesloten gebruiker tot 30% meer warmte gebruikt moeten de gebruikers voor lief nemen; dit wordt niet meegenomen in het NMDA-tarief.Warmtetarieven voor huishoudens, onderzoeksrapport BECO Groep, 7 juni 2010

Steden met stadsverwarming