Dit artikel behandelt de geschiedenis van de Verenigde Staten van Amerika, de prehistorie van het gebied daarbij inbegrepen. De geschiedenis in strikte zin begint met de komst van Europeanen in de 16e eeuw. De Spanjaarden, Engelsen en Fransen stichtten vervolgens een aantal koloniën in Noord-Amerika. De Verenigde Staten bevochten hun politieke zelfstandigheid tijdens de Amerikaanse Revolutie (1775-1783). De Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) was een duidelijke breuk in de ontwikkeling van de jonge natie.
Van een agrarisch land bestaande uit los met elkaar verbonden deelstaten zijn de Verenigde Staten sinds de Tweede Wereldoorlog het rijkste en machtigste land ter wereld geworden. De opkomst van de Verenigde Staten als wereldmacht begon in het midden van de 19e eeuw met de expansie naar het westen toe en na de Amerikaanse Burgeroorlog werd deze uitbreiding doorgezet. De instroom van immigranten voedde ook de economische expansie van het land. Met de interventies in de Eerste en Tweede Wereldoorlog was de positie van de Verenigde Staten als wereldmacht verzekerd.
Precolumbiaans Amerika Onze kennis van de periode voor 1607 berust uitsluitend op archeologische en Spaanse bronnen.
De indianen, de oorspronkelijke bewoners van Noord- en Zuid-Amerika, stammen af van migranten uit het noordoosten van Siberië die over de Beringstraat naar Amerika zijn getrokken. Bijna alle indianen hebben zwart sluik haar en een donkere huidskleur. Lange tijd is gedacht dat de zogenoemde Cloviscultuur de komst van de eerste mensen van over de Beringstraat vertegenwoordigde. Recente vondsten en genetisch onderzoek toonden echter dat hun voorouders zich hier al veel eerder gevestigd hadden.
Zowel in het zuidwesten, in de streek waar de huidige vier staten Colorado, New Mexico, Arizona en Utah tezamen komen (de Anasazi) en in het Mississippigebied (Cahokia) bestonden inheemse culturen die een aanzienlijk peil van ontwikkeling gekend hebben. Cahokia was bijvoorbeeld een fikse stad tijdens de Europese middeleeuwen. Tot een hoogcultuur zoals in Mexico of Zuid-Amerika is het echter op het grondgebied van de Verenigde Staten niet gekomen.
In het gebied ten noorden van Mexico leefden naar schatting ongeveer een half miljoen indianen op het moment dat de kolonisatie vanuit Europa begon. (2009): De Amerikaanse geschiedenis in een notendop, vierde, geactualiseerde druk, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, p.9. Hun leefwijzen verschilden sterk: sommigen waren nomaden, anderen leefden sedentair. Zowel landbouw, jacht als visserij werden door hen bedreven. Er bestonden meer dan zeshonderd indianentalen.
Spaanse expedities De eerste Europeanen die noordelijk Amerika trachtten binnen te dringen waren de Spanjaarden. Deze hadden zich voordien gevestigd in Mexico. Op het moment dat zij het noorden verkenden, bestond het huidige grondgebied van de Verenigde Staten hoofdzakelijk uit uitgestrekte wouden, prairies en woestijnen. Hernando de Soto trok in 1539 Florida binnen en begon een expeditie door het zuidoosten. Hij werd echter in 1541 door de Mississipiërs verslagen en stierf als gevolg hiervan. Zijn expeditie leverde niet de rijke buit op die hij ervan voorspeld had en dit maakte voorlopig een eind aan Europese inmenging. Toch had het contact een belangrijk gevolg: de invoering van het paard. Dit dier zou het leven van de bevolking van de uitgestrekte prairie sterk veranderen.
miniatuur|links|Pilgrims tekenen het Mayflower Compact
De koloniale tijd (1607-1763) miniatuur|Kaart uit 1685 van Nieuw-Nederland en New England door Nicolaes Visscher. miniatuur|Geseling van een slavin, verbeeld door William Blake (1796).
In 1607 stichtten Engelse kolonisten Jamestown, de eerste permanente nederzetting in wat thans Virginia is; in 1620 kwamen de Pilgrim Fathers aan in Massachusetts. Langzaamaan breidden de Engelsen hun koloniën aan de Amerikaanse oostkust uit; op termijn ontstonden hier dertien koloniën. Georgia, gesticht in 1733, was hiervan de laatste. Meer in het binnenland bouwden de Fransen in Louisiana en in Quebec een keten van forten. Ook Spanje vestigde koloniën in Noord-Amerika, met name in Florida en wat later Mexico en de zuidwestelijke staten van de VS zouden worden.
Deze periode stond mede in het teken van de verdrijving van de indianen, vaak met geweld, door Engelse en andere Europese kolonisten. Deze bouwden vooral in de Zuidelijke koloniën aan de Oostkust een slaveneconomie op, gebaseerd op de export van tabak en andere producten naar Europa. In Europa beschouwde men de koloniën doorgaans als wingewesten. Hun belangrijkste taak was het leveren van grondstoffen. Conform de heersende economische theorie van het mercantilisme werd de opbouw van een eigen nijverheid in de overzeese gebieden verboden of tegengewerkt.
In de loop van de 18e eeuw begonnen de philosophes, de verlichtingsdenkers, de koloniale exploitatie ter discussie te stellen. Zij verdedigden het gelijkheidsbeginsel. Sommigen, met name de Franse Abbé Raynal, waren zelfs van mening dat het proces van kolonisering zowel voor Europa als voor de koloniën niets dan rampen en ellende had gebracht. Veel invloed hadden dergelijke opvattingen vooralsnog niet.
De Europeanen voerden ook menigmaal onderling strijd, vaak in samenwerking met verschillende indianenstammen, om zodoende hun koloniale rijken te versterken of uit te breiden. De grote mogendheden, met name Frankrijk en Engeland, in mindere mate Spanje, streefden ernaar een zo groot mogelijk deel van de wereld te beheersen. Ook om Noord-Amerika voerden zij een verbitterde strijd. Een reeks van oorlogen was het gevolg. Deze zijn merendeels genoemd naar de regerende vorsten. In de politiek van deze periode speelden dynastieke belangen veelal een doorslaggevende rol. Achtereenvolgens werden de volgende conflicten in de Nieuwe Wereld uitgevochten: de Oorlog van koning Willem (1688-1697), de Oorlog van koningin Anna (1702-1713), de Oorlog van koning George (1740-1748) en de Franse en Indiaanse Oorlog (1756-1763).
Tijdens de oorlog tussen Frankrijk en Engeland, de Zevenjarige Oorlog, die van 1756 tot 1763 ook in de overzeese gebiedsdelen werd uitgevochten, verloor Frankrijk vrijwel al zijn koloniën in Noord-Amerika. Nu de grootste concurrent van de Engelse kolonisten verslagen was, begonnen deze de bemoeienis van het moederland als hinderlijk te ervaren. De Britse regering probeerde daarentegen haar gezag te verstevigen, onder andere door er een permanent leger te stationeren. In 1763 waren een aantal indianenstammen in de Ohio-vallei onder leiding van Pontiac in opstand gekomen. Dit was voor de Britse regering reden om verdere expansie naar het westen te verbieden. Het was de bedoeling dat de Appalachen als grens, de zogenaamde proclamation line, fungeerden.
De Engelsen probeerden via diverse belastingmaatregelen de Amerikaanse onderdanen mee te laten betalen aan de militaire kosten van het imperium door de Zevenjarige Oorlog. Plannen voor diverse belastingwetten zoals de Stamp Act en de afgekondigde proclamation line droegen in hoge mate bij aan het uitbreken van de onafhankelijkheidsstrijd in 1775.
De strijd om de onafhankelijkheid (1763-1789)
In de periode 1763-1789 werden de Verenigde Staten als natie geboren. Rond 1763 waren er aan de noordkust van het gebied 13 koloniën. Onder deze kolonisten groeide een sterk Amerikaans zelfbewustzijn. Vanuit Europa zag men de koloniën als een soort wingewest, dat mede moest bijdragen aan de betaling van de oorlogsschulden. Juist rond belastingheffing vanuit het moederland Engeland ontstond het conflict dat in 1776 leidde tot de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten. De inzet voor de strijd met Engeland was de vraag: mag het moederland eigener beweging aan de koloniën belastingen opleggen? De kolonisten zeiden "nee", het moederland zei "ja".
In de periode 1763-1775 legde de Engelse regering allerlei belastingen aan de koloniën op: 1. De sugar act (1764): De Amerikaanse kolonisten moesten invoerrechten op suiker betalen, terwijl smokkel streng werd bestraft. Hierdoor kwamen er ook huiszoekingen en inkwartieringen. 2. De Stamp act (1765) Belasting op elk stukje papier (via een zegeltje). 3.The Townshend Duties (1767): Invoerrechten op papier, lood, verf en thee. Vanaf 1770 was dit alleen nog maar op thee.
De kolonisten bestreden de rechtmatigheid hiervan. No taxation without representation, was een gevleugelde leuze in die tijd. In 1767 kwam de Engelse minister Townshend met nieuwe belastingen, onder andere op thee. De reactie op deze maatregelen was heftig. John Dickinson bestreed in een pamflet, Letters from a Farmer in Pennsylvania, de rechtmatigheid van deze nieuwe belastingen. Het kwam tot een openlijk en gewelddadig conflict toen een menigte in Boston de Engelse soldaten te lijf ging. De soldaten schoten op de mensen en de Boston Massacre (de slachting te Boston) was een feit. Ook op andere plaatsen (Rhode Island in 1772) kwam het tot uitbarstingen tegen de Engelsen. Bekend is voorts de The Boston Tea Party in 1773, een actie waarbij als indianen verklede patriotten thee vanaf Engelse schepen in de haven van Boston wierpen als protest tegen de belastingen op deze thee. Ook kwam de gedachte van onafhankelijkheid van het Engelse parlement op. James Wilson kwam in 1774 in een pamflet, "Considerations on the Nature and Extent of the Legislative Authority of the British Parliament" tot de conclusie dat het Parlement niets over de koloniën te zeggen had.
Onder druk van de Engelse maatregelen kwam in 1774 in Philadelphia voor het eerst het Continental Congress bijeen. Dit Congress verenigde de 13 koloniën in een samenwerkingsverband en het verklaarde onder meer de Engelse belastingwetten, The Coercive Acts, ongeldig. Tevens werd opgeroepen om de handel met Engeland te boycotten. In april 1775 volgde dan de definitieve uitbarsting. De Engelse bevelhebber in Boston, Sir Thomas Gage, hoorde dat kolonisten een wapenopslagplaats aanlegden in Concord, ten westen van Boston. De bevelhebber wilde op deze voorraden beslag leggen en twee leidende patriotten arresteren; Samuel Adams en John Hancock. Op weg naar Concord werden de Engelse soldaten door geweervuur van de kolonisten opgewacht. In de nacht van 19 april 1775 vonden de slagen bij Lexington en Concord plaats en klonken er schoten "die door de hele wereld klinken". De gewapende strijd om de onafhankelijkheid was begonnen.
miniatuur|links|Declaration of Independence, schilderij van John TrumbullIn 1775 kwam het Continental Congress voor de tweede maal bijeen. Het benoemde George Washington, een planter uit Virginia tot opperbevelhebber van de Amerikaanse troepen. Het Continental Congress droeg aan vijf mensen op om een onafhankelijkheidsverklaring op te stellen. Tot de opstellers van deze verklaring behoorden onder meer Benjamin Franklin, John Adams en Thomas Jefferson. Op 4 juli 1776 werd deze verklaring, grotendeels opgesteld door Jefferson, door het Continental Congress aanvaard. De Verenigde Staten van Amerika waren geboren.
De Onafhankelijkheidsverklaring, ("The Declaration of Independence") stelde dat all men het recht hebben op life, liberty and the pursuit of happiness. Abraham Lincoln heeft later verklaard dat deze verklaring het richtsnoer moet zijn voor elke vrije gemeenschap.
Het Amerikaans schip, de USS Andrew Doria, dat op 16 november 1776, met de nieuwe Amerikaanse vlag in top, de Gallow Bay van Sint Eustatius kwam binnen zeilen kreeg in opdracht van gouverneur Johannes de Graaff elf saluutschoten van Fort Oranje. Met dit First Salute was Nederland het eerste land ter wereld dat (de facto) de Verenigde Staten erkende als onafhankelijke natie.