Sciencefiction (afgekort sf, scifi of essef,J.A. Dautzenberg (maart 1980), Science fiction en literatuurwetenschap: geschiedenis, problemen, bibliografie, Forum der Letteren, p. 1. in het Engels als science fiction gespeld), is een artistiek genre dat vertegenwoordigd is in literatuur, stripverhalen, films, televisieseries, hoorspelen en computerspellen.

Het Engelse "science fiction" betekent letterlijk vertaald "wetenschapsfictie", en dit is dan ook de betekenis die de bedenker van de term, Hugo Gernsback, eraan heeft willen geven. Voor Gernsback was de sciencefiction vooral bedoeld als een middel tot popularisatie van de wetenschap en van wetenschappelijke ontdekkingen, maar de geschiedenis ervan laat zien dat deze gedachte door latere schrijvers slechts beperkt is nagestreefd. In het genre worden tegenwoordig vooral toekomstbeelden met verzonnen technologische vooruitgang en wetenschappelijke ontwikkelingen gebruikt.

Criticus Darko Suvin hanteert de volgende definitie: "een literair genre of woordconstructie waarvan de [...] voorwaarden de aanwezigheid en interactie van vervreemding en cognitie zijn, en waarvan het belangrijkste instrument een verbeeldingskader is dat een alternatief vormt voor de empirische omgeving van de auteur."Darko Suvin, Positions and Suppositions in Science Fiction, Macmillan 1988, geciteerd in Adam Roberts, The History of Science Fiction, Palgrave Histories of Literature, 2de uitgave Springer 2016.

Oorsprong

Sciencefiction als een commercieel genre bestaat sinds 1926, toen Amazing Stories, het eerste tijdschrift volledig gericht op het sciencefictiongenre werd uitgegeven, maar de geschiedenis van de sciencefiction als literair genre gaat verder terug.

Veel verdedigers van sciencefiction als een gerespecteerd literair genre zien al vroeg in de geschiedenis voorlopers van sciencefiction. In zijn Pictoral History of Science Fiction draagt David Kyle bijvoorbeeld de Griekse satireschrijver Lucianus van Samosata voor als de eerste echte sciencefictionschrijver, omdat deze in zijn Ἀληθῆ διηγήματα (Ware geschiedenis) uit 160 n.Chr. schrijft over een reis naar de maan. De natuur- en sterrenkundige Johannes Kepler schreef ten tijde van de controverse rondom Copernicus' heliocentrische wereldbeeld ook over een reis naar de maan. Zijn voornaamste doel was om een dispuut te starten over de bewegende maan en de bewegende aarde. In Somnium (Latijn voor Droom) (1620–1630) beschreef hij de beweging van de aarde gezien vanuit dat perspectief van de maan. Waar Kepler nog maandemonen nodig had om de afstand te overbruggen, had Cyrano de Bergerac in Histoire Comique des États et Empires de la Lune (Maanreis, 1657) en Les États et Empires du Soleil (Reis naar de zon, 1662) al meer technische oplossingen voor zijn ruimtevaartuigen. Cyrano's luchtreis vond plaats in een grote houten kist, zeer licht van gewicht, die hermetisch afgesloten kon worden. Het geheel werd aangedreven door een kristal en een zeil dat bewoog op zonnewind. De straling van sterren werd zo omgezet in bruikbare energie. Hiermee overbrugde het vaartuig de grote afstanden. Naast bovengenoemden worden ook schrijvers als Thomas More (Utopia, 1516) en Jonathan Swift, (Gullivers reizen, 1726), soms aangeduid als proto-sciencefictionschrijvers. Hun verhalen worden door sommige critici gezien als het fantasygenre, aangezien er bij tijden bovennatuurlijke gebeurtenissen in voorkomen. Isaac Asimov en Carl Sagan zien echter Keplers werk als eerste daadwerkelijke sciencefictionverhaal.

Voor critici als Brian Aldiss is sciencefiction niet mogelijk zonder wetenschap. Volgens Aldiss is het eerste echte sciencefictionverhaal dan ook veel later geschreven dan de hier boven aangehaalde verhalen. In zijn boek Billion Year Spree draagt hij Frankenstein (1818) van Mary Shelley voor als eerste sciencefictionverhaal omdat dit volgens hem het eerste verhaal is waarin een wetenschappelijk onderwerp (in dit geval elektriciteit) wordt gebruikt in plaats van magie om de wonderbaarlijke gebeurtenissen in het verhaal te verklaren. Zijn stellingname doet vermoeden dat hij Cyrano de Bergeracs sciencefiction niet heeft gelezen.

Na Shelley waren het Jules Verne en H.G. Wells die het meest hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de moderne sciencefiction. Hierbij kan Verne beschouwd worden als de vader van de zogenoemde realistische sciencefiction. Hij schreef romans waarin uitvindingen centraal stonden waarvan de basiselementen ofwel al waren uitgevonden, of op het punt stonden om te worden uitgevonden, zoals de onderzeeboot en het vliegtuig. Met deze romans beschreef hij de mogelijkheden die de verdere ontwikkeling van die uitvindingen met zich mee zouden brengen. In Twintigduizend mijlen onder zee geeft hij de onderzeeboot Nautilus de mogelijkheid om weken onder water te varen, iets wat echte onderzeeboten pas konden toen de atoomonderzeeboot was uitgevonden.

Wells daarentegen was veel minder geïnteresseerd in hoe een uitvinding zou moeten werken en veel meer in wat ermee zou kunnen worden gedaan. Zijn vroege sciencefictionromans, met name De Tijdmachine (The Time Machine, 1895), The Island of Doctor Moreau (1896), De onzichtbare man (The Invisible Man, 1897), De oorlog der werelden (The War of the Worlds, 1898) en The First Men in the Moon (1901), hadden een grote invloed op de ontwikkeling van het genre, niet het minst omdat hij naast het eerste tijdreis-verhaal ook het eerste verhaal over een buitenaardse invasie schreef, en verder omdat de thema's die hij aansneed in zijn romans nog steeds worden gebruikt in de moderne sciencefiction.

Modern thumb|300px|Proto-sciencefiction: Albert Robida's illustratie Sortie de l'opéra en l'an 2000 (1882). Het ruimtevaarttijdperk brak officieel aan op 4 oktober 1957 met de Spoetnik-lancering in de Sovjet-Unie. Vier jaar later, in 1961, werd kosmonaut Joeri Gagarin de eerste mens in de ruimte en in 1969 zette astronaut Neil Armstrong als eerste mens voet op de maan.

Deze gebeurtenissen gingen aan de sciencefiction bepaald niet onopgemerkt voorbij. Sciencefictionverhalen begonnen volwassen te worden. A.E. van Vogt had al in 1945 de toon gezet met zijn Nul-A-trilogie, in 1951 op de voet gevolgd door Isaac Asimov met zijn Foundation-serie. Robert A. Heinlein volgde met Dubbelster en vooral Vreemdeling in een vreemd land, Stanisław Lem in 1961 met Solaris, Frank Herbert in 1963 met Duin en Arthur C. Clarke in 1968 met 2001: A Space Odyssey.

Televisie en bioscoop bleven intussen niet achter. In 1963 verscheen de Britse sciencefictionserie Doctor Who, al snel gevolgd door het Amerikaanse Star Trek. In 1968 werd 2001: A Space Odyssey gelijktijdig met de verschijning van het boek bewerkt tot film door Stanley Kubrick. De film Solaris door Andrej Tarkovski kwam uit in 1972. Steven Spielberg bracht in 1977 Close Encounters of the Third Kind, en in hetzelfde jaar verscheen de eerste Star Warsfilm in de bioscoop, destijds gewoon onder de naam Star Wars maar na de latere vervolgfilms nu bekend als Star Wars: Episode IV: A New Hope. Een jaar later kwam Battlestar Galactica uit. Dit was de eerste film van een hele reeks series en films. In de jaren 80 kwam E.T. the Extra-Terrestrial uit, een wereldhit met een opbrengst van meer dan 500 miljoen dollar. In 1987 verscheen op televisie eindelijk een vervolg op Star Trek, namelijk Star Trek: The Next Generation. In de jaren 90 verschenen succesvolle series als Babylon 5, The X-Files, Star Trek: Deep Space Nine, Star Trek: Voyager en Stargate SG-1. Ook in de 21e eeuw verschenen nieuwe sciencefictionseries: Firefly, Smallville, Stargate Atlantis, Heroes, Star Trek: Enterprise en The 4400. Ook Battlestar Galactica kreeg een vervolg, vanaf 2003 tot 2013.

In de hedendaagse sciencefiction is vaak een tendens waar te nemen om andere mogelijke maatschappijen te beschrijven, waarbij de auteur de vrijheid kan nemen (door andere intelligente soorten of andere planeten te poneren) de dingen zo in te richten dat het resultaat plausibel wordt waar dit als extrapolatie van de bestaande aardse maatschappijvormen niet zo zou kunnen zijn. Goede sciencefiction is intern consistent - als de lezer eenmaal de basale 'suspension of disbelief' heeft kunnen verrichten, zit het verhaal verder logisch in elkaar. Opvallend is dat veel enthousiaste lezers werkzaam zijn in wetenschap en techniek (ingenieurs, natuurkundigen, IT-specialisten, enz.). Vaak heeft het lezen van sciencefiction in hun jeugd hen gestimuleerd om in deze richtingen verder te studeren. Ook zijn veel bekende sciencefictionschrijvers tevens wetenschapper, zoals Stephen Baxter en Vernor Vinge die beiden ook afgestudeerd wiskundige zijn.

Subgenres

thumb|Amazing Stories-uitgave uit 1928 thumb|Cover van Everyday Science and Mechanics, november 1931 Apocalyptische en postapocalyptische sciencefiction die handelt over het einde van een beschaving, kan enigszins gezien worden als een bijzondere vorm van de invasieliteratuur. Bekende voorbeelden H.G. Wells The War of the Worlds en John Christopher met zijn jeugdtrilogie The Tripods. Harde sciencefiction: hierin wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de echte natuurwetten en worden meestal speculatieve theorieën tot hun uiterste consequentie doorgetrokken. Vernor Vinge, Greg Egan, Damien Broderick, Ben Bova, David Brin zijn vertegenwoordigers van deze richting. Sommigen hanteren dit als de engere definitie van sciencefiction. Als gevolg van de nadruk op wetenschap en technologie kunnen karakterisering van de personages en literaire stijl wat naar de achtergrond verdwijnen. Zachte sciencefiction: het tegenovergestelde van harde sciencefiction. Zachte of Soft-sciencefiction beschrijft vaak de niet-technologische wetenschappen als economie, politiek en psychologie. Er wordt veel aandacht besteed aan de samenstelling en opbouw van een beschaving en veel minder aan de techniek waarvan men zich bedient. Philip K. Dick, Ursula K. Le Guin, Robert Heinlein en Julian May schreven veel zachte sciencefiction. Wordt ook maatschappelijke sciencefiction genoemd: zie echter hieronder voor een andere interpretatie van die term. Maatschappelijke sciencefiction: hier wordt een toekomstige of zelfbedachte maatschappijvorm of cultuur intern consistent beschreven. Vertegenwoordiger bij uitstek van dit genre is Jack Vance, maar ook Larry Niven met zijn Bekende Ruimte-cyclus, Isaac Asimov (Foundation-trilogie), Stanisław Lem en E.E. 'Doc' Smith (Lensman-serie) hebben in dit genre geschreven. Verder vallen de dystopische romans Brave New World van Aldous Huxley en 1984 van George Orwell hieronder. Subgenres hiervan zijn: Alternatieve geschiedenis: hierbij wordt ervan uitgegaan dat een historische gebeurtenis anders is verlopen dan in onze 'echte' historie. Duitsland wint de Eerste of Tweede Wereldoorlog, het Romeinse Rijk gaat niet ten onder, in de Amerikaanse Burgeroorlog wint het Zuiden enz. Alternatieve geschiedenissen spelen zich dikwijls af in een parallel heelal, maar kunnen ook een zuiver hypothetisch karakter hebben. Veel verhalen van Harry Turtledove, Frank Drake, Steven M. Stirling en Poul Anderson kunnen tot het genre worden gerekend. Andere bekende voorbeelden zijn de film Sky Captain and the World of Tomorrow, het groepsproject Ill Bethisad en in zekere zin ook de stripreeks De Duistere Steden. Op usenet zijn er verschillende nieuwsgroepen die zich alleen met dit thema bezighouden. Het genre staat ook wel bekend onder de naam retro-sciencefiction. Militaire sciencefiction: de verhalen concentreren zich op interplanetaire of interstellaire conflicten in een militaristische maatschappij, vaak gezien vanuit de ogen van gewone mensen of soldaten, zoals in de Ender-verhalen van Orson Scott Card en de films/televisieseries Battlestar Galactica, Starship Troopers en Space: Above and Beyond.