De cello (kort voor violoncello) behoort tot de groep van de strijkinstrumenten. De cello heeft een kenmerkende klank en een bereik van vier, gemiddeld vijf, of soms zelfs zes octaven (ligt aan de grootte van de cello en de lengte van de toets).

Kunstschilders hebben de cello vanaf de 17de eeuw regelmatig afgebeeld. Familieportretten met muziekinstrumenten stonden daarbij symbool voor de harmonie die in een familie heerste.

Beschrijving van het instrument thumb|Onderdelen van een cello De cello is ongeveer 120 cm lang. Kleinere afmetingen van de cello zijn , , , , , en cello. Het instrument is bespannen met vier snaren en heeft twee f-gaten.

De snaren van de cello zijn van laag naar hoog gestemd: C, G, D, A – een octaaf lager dan de altviool.Cello, digischool.nl Zij lopen vanaf het staartstuk over de kam naar de stemknoppen aan de bovenzijde van de hals, onder de krul. De kam bevindt zich tussen de klankgaten op het bovenblad. Het stemmen gebeurt met de grote stemknoppen aan de bovenzijde of, indien aanwezig, met de fijnstemknoppen aan de benedenzijde van het staartstuk.

Het instrument wordt op de juiste speelhoogte gebracht door het uitschuiven van de metalen (tegenwoordig ook vaak carbon) staartpin aan de onderzijde.

Barokcello De barokcello wordt in de authentieke uitvoeringspraktijk van de Oude Muziek gebruikt, uit de tijd tussen 1550 en 1770. Deze cello had een andere punt bij de stok, darmsnaren en geen pin.'Barokcello', Conservatorium Brugge, geraadpleegd op 28 april 2019. Dit instrument wordt door de musicus op de juiste hoogte gehouden door het tussen de benen te klemmen. In 1952 stelde Oliver Jobs voor de barokcello terug te laten keren.

Manier van bespelen De cello wordt meestal zittend bespeeld met een strijkstok, de pin steunend op de grond. De technieken om de cello tot klinken te brengen, komen overeen met die van andere besnaarde strijkinstrumenten.

Rol van het instrument In het symfonieorkest (en ook een kamerorkest en een strijkorkest) heeft de cello vaak een begeleidende rol, maar solo's (voor de cellosectie als groep of de solocellist) komen geregeld voor. In de traditionele orkestopstelling zitten de cello's aan de rechterhand van de dirigent, met daarachter de contrabassen.

Op de cello wordt voornamelijk klassieke muziek gespeeld, maar ook in de pop- en rockmuziek (zoals onder andere de 2Cellos) treft men soms een cello aan. Vaak heeft de cello een begeleidende rol. In de barokmuziek neemt de cello vaak de basso-continuo-partij voor zijn rekening. Standaard-kamermuziekbezettingen met cello zijn een strijkkwartet (twee violen, altviool en cello) en een pianotrio (piano, viool en cello). Ook zijn er diverse soloconcerten, sonates, suites enz. geschreven met de cello als solo-instrument.

Accessoires thumb|Snaren van de cello met onder de kam een wolfsklem en een sordino Er zijn vele accessoires voor de cello:

Cellokoffer Wanneer de cello ergens heengebracht moet worden, kunnen de cello en strijkstok hierin worden opgeborgen. De cellokoffer dient ter bescherming tijdens de reis. Cellohoes De goedkopere variant van de cellokoffer. De cellohoes is van stof gemaakt en biedt minder bescherming dan de cellokoffer. Hars Wordt voor het spelen aangebracht op de haren van de strijkstok. Dit zorgt voor de wrijving van de strijkstok op de snaren. Celloplankje/-lat Kan een simpel houten plankje zijn met gaatjes erin en een touw aan het eind erdoorheen. Het touw wordt (meestal) onder de linker stoelpoot geschoven en de pin van de cello gaat in een gat van de celloplank. Hierdoor zal de cello tijdens het spelen niet wegglijden op een gladde vloer. Een alternatief hiervoor is eenvoudig een rubberen dopje over de pin te schuiven (hoewel dit niet altijd handig is). Er zijn ook plankjes zonder touw. Deze bestaan uit drie/vier rubberdopjes onder een stukje hout/kunststof met een gat in het midden voor de pin. Wolfsklem Wordt soms geplaatst tussen de kam en het staartstuk om het wolven tegen te gaan. Sordino Wordt gebruikt om de tonen van de cello (ook te gebruiken bij andere strijkers) te dempen. Hierdoor wordt het volume lager en de klank warmer. Vochtigheidsregelaars Worden gebruikt om de vochtigheid in en rondom de cello op een goede en constante hoogte te houden.

Klankproblemen De cello kent een tweetal relatief zeldzame klankverschijnselen die niet in elke cello voorkomen. De verschijnselen hebben ter aanduiding een dierennaam gekregen.

Muis In de klankkast van de cello hopen zich na verloop van tijd stofdeeltjes op, die een klein korreltje kunnen vormen. Het voorzichtig heen en weer schudden van de cello kan het stofkorreltje in de klankkast hoorbaar maken. Het kan voor het getrainde gehoor hoorbaar zijn tijdens een opvoering en deze muis moet dus verwijderd worden. Dat kan door de cello voorzichtig ondersteboven te houden en daarna rustig heen en weer te wiegen. Met geduld kan het stofballetje dan via de f-gaten de klankkast verlaten.

Wolfstoon De wolfstoon is een schommeling in het timbre van de toon die op de cello ongewenst is. Deze klank komt ook voor bij goede cello's, maar niet alle cello's hebben een wolf. De wolf is voor de goede bespeler niet moeilijk te vinden en ligt meestal tussen de E en de F. Sommige cello's hebben ook een wolfstoon op de fis. Een middel hiertegen is het plaatsen van een zogenoemde wolfdemper. Deze klem wordt geplaatst op een van de snaren, tussen de kam en het staartstuk. Een wolfsklem is te koop in de betere muziekzaak, de juiste plaatsing ervan vereist enige expertise.

Etymologie en andere benamingen De naam violoncello, waarvan 'cello' een verkorting is, is voortgekomen uit de violone, de 'grote viool'. In het Italiaans betekent het achtervoegsel -one namelijk 'groot' en het achtervoegsel -ello 'klein'. Violone betekent dus 'grote viool' en violoncello dus 'kleine grote viool'. Dit vormt ook het bewijs dat de violoncello uit de vioolfamilie is voortgekomen en niet uit de familie van de viola da gamba's.

De cello is met veel woorden aangeduid. Met bron zijn bekend: bas de violon - Jambe de Fer (1556) basso di viola da braccio - Zacconi (1592) basso da brazzo - Monteverdi (1607) bass vio de braccio - Praetorius (1619) Gross Quint-Bass - Praetorius (1619) basse de violon - Mersenne (1637) violoncino - Fontanna (1641) violoncello - Arresti (1665) violone da Brazzo - Vitali (1666) cello (al in 1765 - C.P.E. Bach)

Daarnaast zijn veel andere termen gebruikt: violone bassus franzoesische bass bas-geig, bass violin, Bass Geige bassel, bassetl, bassetto, Bassetchen viola de basso viulunzeel violoncello da chiesa (met grotere afmetingen) violoncello da camera (huidige formaat van een cello) violonzino violonzelo violoncelo

Geschiedenis thumb|left|Cornelis Troost, de cellospeler, 1736 Ontstaan Gerber schrijft in zijn Lexicon der Tonkünstler uit 1792 dat een geestelijke uit Tarascon, Tardieu genaamd, de uitvinder van de cello zou zijn. Het instrument van Tardieu had volgens Gerber echter vijf snaren, C-G-d-a-d, en bovendien is inmiddels komen vast te staan dat de cello ouder is en dat de voorloper ervan, de violone, voor het eerst in de 16de eeuw in Italië werd gebouwd. Waarschijnlijk heeft Gasparo da Salò (1540-1609) de definitieve vorm aan het instrument gegeven. Bovendien stond Frankrijk in de tijd waarin Tardieu de cello 'uitgevonden' zou hebben, rond 1708, afkerig tegenover de cello en werd eigenlijk alleen de viola da gamba als basso-continuo-instrument gebruikt. Niettemin waren er aan het begin van de 18de eeuw wel enkele Franse cellisten te vinden; in 1722 trad bijvoorbeeld 'Batistin' (eigenlijke naam Jean-Batiste Struck) in Parijs op en in 1723 en 1724 de Italiaanse cellist Giovanni Bononcini.

Pas rond 1740 werd het instrument in Frankrijk algemeen gewaardeerd, hoewel nog in 1740 protesten tegen de opkomst van de cello in druk verschenen. Zo schreef Hubert Le Blanc ter verdediging van de viola da gamba het boek Défense de la basse de viole contre les entreprises du violon et les prétentions du violoncelle, dat in 1740 in Amsterdam werd gepubliceerd. Le Blanc was een Franse advocaat, priester en violist en hij was teleurgesteld dat de viola da gamba uit de mode raakte. In zijn boek beschrijft hij kleurrijk de weerstand waarmee de cello en de Italiaanse invloeden door muzikale conservatieven in Frankrijk werden begroet. Iedereen die over hem schreef beschouwde hem ook unaniem als een excentriekeling. Zijn biograaf Fétis (1863) vertelt dat toen Le Blanc hoorde dat zijn boek in Amsterdam zou worden gepubliceerd, hij zo opgetogen was dat hij onmiddellijk met de kleren die hij op dat moment toevallig droeg, namelijk een badjas, slippers en een slaapmuts, zijn woning verliet op weg naar Amsterdam.

De eerste afbeelding van een cello is op een fresco van Gaudenzio Ferrari uit 1535, waarop een engel een cello bespeelt. Eerder dan de cello bestond de viola da gamba (beenviool, in tegenstelling tot de viola da braccio, armviool). De verschillen tussen de viola da gamba en de cello zijn groot: bij de viola da gamba is het achterblad vlak, de schouders lopen geleidelijk af zoals bij een contrabas, de hals is van fretten voorzien, het instrument is groter dan de cello en het instrument heeft zes of meer snaren. De cello heeft vier (heel af en toe vijf) snaren.

Net als de viola da gamba's werden ook de eerste cello's bespeeld terwijl de musicus het instrument tussen zijn benen klemde. Hoewel uit literatuur uit het midden van de 18de eeuw blijkt dat de mogelijkheid om onderaan het instrument een pin te bevestigen al bekend was, duurde het tot het midden van de 19de eeuw voordat dat gebruik algemener ingang vond, hoewel een groot aantal cellisten ook toen nog de pin afwees. Adrien-François Servais, een Belgische cellist, gebruikte voor het eerst een pin om de cello op te laten rusten, men zegt omdat hij zo dik was dat het gebruik van een pin een noodzaak was geworden.

Italiaanse en andere bouwers In Italië experimenteerden vioolbouwers tussen ca. 1670 en 1710 met hun modellen voor de cello. Hoewel er aanwijzingen zijn dat Francesco Ruggeri (ca. 1630-1698) mogelijk de eerste Cremonese bouwer was die kleinere, hanteerbare cello's bouwde. Hij bouwde aanvankelijk een groot aantal cello's van het grote formaat, die voor zover bekend allemaal in grootte zijn teruggezet. Tegen het eind van zijn leven werd hij bij de bouw van cello's waarschijnlijk geholpen door zijn zoons Giovanni Battista (1653-1719), Giacinto (1661-1697), Vincenzo (1663-1719) en Carlo (1666-1697). Tegen het einde van de 17de eeuw bouwde Francesco Ruggeri ook een kleiner type cello's.

Als belangrijkste bouwer uit de tweede helft van de 17de eeuw werd Jacob Stainer (1617-1683) uit Absam in Tirol beschouwd. Stainer experimenteerde met verschillende afmetingen. Hij begon met een groot model, besloot rond 1660 langere en bredere cello's te bouwen, maar verkleinde en versmalde het model tien jaar later, waarmee hij een cello met ideale afmetingen bouwde en daarmee 15 jaar op de Cremonese bouwers voorliep.

Ook Giovanni Grancino (1637-1709), een vioolbouwer in Milaan, bouwde na verloop van tijd cello's van kleinere afmetingen die naar verhouding beter uitgebalanceerd waren. (Zijn leerling Carlo Giuseppe Testore (ca. 1660-1716) uit Bologna bouwde daarentegen in een latere periode juist grotere cello's.)

In Brescia werkte Giovanni Battista Rogeri (ca. 1642-1710), een door Amati opgeleide assistent; hij bouwde kleinere cello's waar veel vraag naar was en veranderde zijn afmetingen niet, evenals zijn zoon Pietro Giacomo (1668-1724). Ook Chiaffredo Cappa (1653-1717), die vooral in Mondovì maar ook in Turijn en zijn geboortestad Saluzzo werkte, en Giovanni Francesco Celoniato (ca. 1676-1760) uit Turijn wijzigden hun formaat niet.