Mei is een geslacht van dinosauriërs uit het vroege Krijt behorend tot de groep der Theropoda en meer in het bijzonder tot de Troodontidae, waarvan het een basale vorm vertegenwoordigt. De typesoort is Mei long ("in diepe rust slapende draak").

Vondst en naamgeving In het begin van de eenentwintigste eeuw werd bij Lujiatun in de Chinese provincie Liaoning in de Yixianformatie van de Jehol-groep (Aptien) het ongeveer 120 miljoen jaar oude fossiel, holotype IVPP V.12733, gevonden van een (vermoedelijk bevederde) kleine vleeseter, een juveniel exemplaar van maar een halve meter lengte, die in slapende houding door vulkaanas bedolven perfect geconserveerd is. Het hoofd zit onder een "vleugel" gestoken op dezelfde wijze als sommige vogels slapen. left|thumb|Een als Mei long tentoongesteld onbeschreven exemplaar De typesoort Mei long werd in oktober 2004 benoemd en kort beschreven door de paleontologen Xu Xing en Mark Norell. De geslachtsnaam en soortaanduiding vormen in het Chinees samen de combinatie 寐, mei, "slapend", en 龍, long, "draak".

Mei hield een bijzonder record: hij had de kortste genusnaam van alle dinosauriërs. Tot voorheen waren dit Minmi en Khaan geweest. In 2015 werd dit record gebroken door Yi.

In 2012 werd een tweede exemplaar gemeld, specimen DNHM D2154 gevonden bij Kaoshangtun, dat veel uitgebreider beschreven werd. Ook dit bevond zich in een slapende houding en is vrijwel compleet. Hoewel kleiner dan het holotype, zou het hier gaan om een volwassen exemplaar. Bij de beschrijving van het tweede exemplaar werd gesteld dat de lagen waarin Mei gevonden wordt minstens 128 miljoen jaar oud waren en stamden uit het Hauterivien zoal niet Valanginien.

Beide beschreven exemplaren zijn oorspronkelijk opgegraven door illegale fossielenjagers. Sterk gelijkende specimina, van troödontiden in een slapende houding, zijn in de handel gebracht en soms onder de naam Mei long tentoongesteld. Nader onderzoek zal moeten bepalen of deze toewijzingen correct zijn.

Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken De lichaamslengte van het holotype van Mei is geschat tussen de 45 en 53 centimeter, het gewicht in het eerste geval zo laag als vierhonderd gram. Het holotype was echter een jong dier, zij het niet pas uit het ei gekropen maar al een aardig eind op weg naar de volwassen grootte, zoals blijkt uit de mate van verbening van het skelet. Dit wordt bevestigd door DNHM D2154 waarvan de lengte slechts 325 millimeter is maar dat gezien werd als een volwassen exemplaar — hoewel daar tegen sprak dat de neusbeenderen en voorhoofdsbeenderen niet langs hun middenlijnen vergroeid zijn.

De kop is relatief klein en ook de romp is kort. De achterpoten daarentegen zijn zeer lang. De staart is relatief kort.

Xu gaf in 2004 een reeks onderscheidende kenmerken aan die bewezen dat Mei echt een aparte soort was. De benige neusgaten zijn zeer lang en strekken zich naar achteren over de helft van de tandrij in het bovenkaaksbeen uit. De middelste maxillaire tanden, dus in dat bovenkaaksbeen, staan dicht op elkaar. De tandrij strekt zich naar achteren uit tot het niveau van het preorbitale, het bot dat de voorste bovenkant van de oogkas vormt. Het vorkbeen is robuust en U-vormig. Er bevindt zich een uitsteeksel op de buitenkant van het onderste vierde tarsale. De bovenkant van de schacht van het schaambeen is aanzienlijk van voor naar achteren versmald en steekt zijwaarts uit tot net onder het punt waar het schaambeen met het darmbeen contact maakt.

In 2012 werden aanvullende kenmerken gegeven. Sommige daarvan waren autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. Het heiligbeen is achteraan sterk verbreed waarbij de zijuitsteeksels van de vierde en vijfde sacrale wervels verlengd zijn. Het darmbeen is in bovenprofiel golvend met achteraan een sterke zijwaartse buiging. De middelste schacht van het vierde middenvoetsbeen heeft een richel aan de achterste buitenkant.

Daarnaast was er volgens de studie uit 2012 een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. De achterkant van het voorhoofdsbeen is bollend en volledig bol gebogen. De praemaxilla heeft een steile (hellende) voorkant en een lange tak richting bovenkaaksbeen. Het bovenkaaksbeen is laag met een kleine ronde fenestra maxillaris en een korte voorste tak. De tanden hebben geen kartelingen. Het vorkbeen is U-vormig. Ellepijp en spaakbeen zijn lang met meer dan 90% van de lengte van het opperarmbeen. Het derde middenhandsbeen is langer dan het tweede middenhandsbeen. De klauwen zijn relatief recht. Het onderste gewrichtsvlak van de tibiotarsus is groot, zich naar achteren voortzettend op het scheenbeen.

Deze diagnose is op punten afwijkend van de beschrijving door Xu & Norell, vooral wat betreft de vorm van de praemaxilla en het bovenkaaksbeen. Bij beide exemplaren is de snuit beschadigd wat ruimte laat voor strijdige interpretaties.

Skelet Schedel en onderkaken De schedel is kort en driehoekig in zijaanzicht, naar voren uitlopend in de scherpe snuitpunt. De bewaarde lengte is bij het holotype drieënvijftig millimeter. Het bovenprofiel is iets bol, indien gecompenseerd wordt voor compressie. Door de spitse snuit helt de praemaxilla scherp naar achteren, de helft van de snuitlengte beslaand. Het neusgat is zo een schuin liggende ovaal die vrij ver naar achter geplaatst is: Xu & Norell laten het tot de helft van de tandrij komen; Gao e.a. tot een derde. Door de lange bovenste tak van de praemaxilla is het neusbeen kort. De beenbalk tussen de neusbeenderen heeft de gebruikelijke T-vorm. De voorste tak van het bovenkaaksbeen vormt volgens Xu & Norell de volle onderrand van het neusgat. Volgens Gao echter bevindt zich hier een lange achterste tak van de praemaxilla en is het maar de vraag of het voorhoofdsbeen het neusgat überhaupt raakt. Een spleetvormige fenestra praemaxillaris ontbreekt. Er is volgens een interpretatie van Gregory S. Paul een vrij grote driehoekige fenestra maxillaris en daardoor een vrij kleine trapeziumvormige fenestra antorbitalis; Gao e.a. gaan ervan uit dat de voorste tak van het bovenkaaksbeen uitzonderlijk laag is en de fenestra maxillaris dus klein. De beenbalk tussen beide openingen heeft dezelfde diepte als de rest van hun omvattende uitholling en vormt dus geen verhoogde richel of lamina.

Het traanbeen is T-vormig met een licht bolle bovenrand. De vorm ervan is lastig vaststelbaar maar Gao e.a. zagen het als breed. Wellicht heeft het bovenaan een pneumatische opening en draagt het een klein zijwaarts uitstekend hoorntje. Het voorhoofdsbeen is lang, ongeveer 45% van de schedellengte uitmakend. Achteraan is het bol en breed met een rechte achterrand; naar voren toe versmallen de frontalia snel maar eindigen helemaal vooraan stomp en verbreed. De bolling zet zich helemaal door tot aan de zijrand terwijl bij andere troödontiden het bot hier iets omhoogkrult. De wandbeenderen hebben geen middenkam. Ze zetten de bolling van de voorhoofdsbeenderen naar achteren voort. De hersenpan is daarmee groot, zowel verbreed als naar boven bollend. Er is een duidelijke dwarskam boven het achterhoofd. Het supraoccipitale daaronder heeft een breed verheven middengedeelte met aan weerszijden ondiepe uithollingen. Typisch troödontide is de aanwezigheid van een pneumatische opening in de achterkant van het quadratum. Zoals bij de meeste troödontiden bevinden uithollingen naast het achterhoofdsgat op de exoccipitalia en zijn de processus paroccipitales verticaal afhangend en massief, zonder pneumatisering.

De oogkas is groot. Volgens Xu vervloeide de oogkas achteraan met het onderste slaapvenster doordat de opgaande tak van het jukbeen naar het postorbitale ontbrak, een zeer vogelachtig kenmerk. Beschadigingen maakten echter dat de precieze toestand niet vast te stellen was. Hij meende ook dat het jukbeen het quadratum raakte en dat er slechts een zeer dun quadratojugale was, een horizontaal element vormend. Hierdoor zou het squamosum het quadratojugale niet raken. De pterygoïde vleugel van het quadratum steekt scherp omlaag. Xu nam aan dat de schedel enigszins kinetisch was, met onderling beweeglijke elementen als bij vogels, en dat pas grotere soorten van Deinonychosauria opnieuw deze beweeglijkheid verloren, de schijn creërend dat ze simpelweg de oorspronkelijke theropode toestand behielden.

In de onderkaak is het dentarium lang en laag, naar voren toe verder verlagend. Een normaal troödontide kenmerk is dat de aderkanalen op de buitenkant van het dentarium in een horizontale groeve liggen. Een basaal kenmerk is dat het dentarium ook in bovenaanzicht recht is, niet vooraan naar het midden buigend.

In het bovenkaaksbeen staan de tanden zowel vooraan als in het midden dicht op elkaar. Het totaal van de maxillaire tanden bedraagt ongeveer vierentwintig. De tanden zijn aan hun uiteinde naar achteren gebogen. Ze zijn overdwars afgeplat. Ze hebben geen kartelingen. De tanden worden naar achteren iets groter en gekromder. De middelste tanden zijn het breedst, ongeveer een halve millimeter. Helemaal achteraan worden de tanden weer korter. De tanden in het voorste dentarium van de onderkaak zijn zeer klein en zeer dicht opeengepakt. Ook de dentaire tanden hebben geen kartelingen.

Postcrania Wervelkolom De halswervels tonen, vooral aan de voorzijde, het begin van zadelgewrichten, als bij de Dromaeosauridae. De halswervels zijn langgerekt en zwak gekield. Ze zijn van binnen hol; er lijkt een enkelvoudige luchtkamer aanwezig te zijn, niet verdeeld door een tussenschot overlangs. De wervelbogen zijn breder dan de wervellichamen en dragen tamelijk lage doornuitsteeksels die op de achterste helft van de wervel liggen. De diapofysen staan laag en dragen facetten voor het contact met de onderste ribkop die de vorm hebben van een liggende ovaal. Twee achter elkaar liggende pleurocoelen doorboren per zijde het bovenste middendeel van de wervelboog.

Er zijn twaalf ruggenwervels. De eerste en tweede ruggenwervel hebben sterk ontwikkelde hypapofysen, verdikkingen van de voorste onderrand, die hier bolvormig uitgegroeid zijn. Bij de tweede ruggenwervel zijn de zijuitsteeksels nog schuin naar achteren gericht maar bij de derde steken ze zijwaarts uit. Net als bij Sinovenator hebben de ruggenwervels waaiervormige doornuitsteeksels en slanke zijuitsteeksels maar missen pneumatoporen; wel worden de zijkanten naar achter in de reeks steeds verder uitgehold. De spoelvormige achterste ruggenwervels hebben parapofysen, facetten voor de onderste ribkoppen, die verhoogd zijn; ze liggen echter niet op steeltjes.