Flavius Claudius Julianus (Constantinopel, 6 november 331 - nabij Samarra (bij de Tigris), 26 juni 363), ter onderscheiding van de eerdere (vrijwel onbekende) keizer Julianus I (284-285) beter bekend als Julianus II, Julianus de Afvallige of Julianus Apostata, was een Romeins keizer van november 361 tot 26 juni 363. Hij ging ten onder in zijn strijd tegen de Perzische sjah Sjapoer II. Hij is vooral bekend geworden door het terugschroeven van de bevoorrechting van christenen en pogingen de Romeinse godenverering te herstellen, nadat de eerdere keizers Constantijn de Grote en Constantius II het christendom sterk hadden bevoordeeld, onder meer op fiscaal vlak.
Hij werd door diverse schrijvers van een kerkgeschiedenis en martelaarsverhalen (passiones) beschuldigd van wrede christenvervolgingen, maar daar zijn geen betrouwbare, historische bewijzen voor. Ook moderne historici hebben hem soms neergezet als iemand, die niets en niemand ontzag, maar onder meer Julianus' eigen geschriften wijzen eerder op tolerantie dan 'ongebreideld fanatisme': 'Nee, bij de goden, ik wil niet dat men de Galileeërs [christenen] ter dood brengt. Evenmin dat ze in strijd met het recht mishandeld worden of op een andere manier onrecht ondergaan' (brief aan een provinciegouverneur).
Bronnen Julianus' eigen werken vormen bronnen over zijn leven.
De geschiedschrijver Ammianus Marcellinus, een tijdgenoot die hem bewonderde, schreef in zijn Res Gestae in de boeken 15 t/m 25 over Julianus. Hij geldt als een redelijk betrouwbare historicus. Libanius, een leraar in de welsprekendheid liet relevante brieven en redevoeringen na.
De Cappadocische kerkvader Gregorius van Nazianze schreef negatief over hem. Ook de christelijke auteur Johannes Chrysostomus en de kerkhistorici Philostorgios, Socrates Scholasticus, Sozomenus, Theodoretus van Cyrrhus en Tyrannius Rufinus stonden niet welwillend tegenover Julianus' optreden als keizer. Cyrillus, bisschop van Alexandrië in de eerste helft van de vijfde eeuw, schreef het 'strijdschrift' Tegen Julianus.
En dan zijn er schrijvers van passiones (lijdensgeschiedenissen) over de levens van mensen die de martelaarsdood zouden zijn gestorven tijdens Julianus' regeerperiode. Acht voorbeelden van passiones, waarin Julianus als wrede christenvervolger optreedt, zijn: Artemii passio, passio Sancti Basilii presbyteri, passio Theodoreti, passio Eugenii et Macarii, passio sanctorum Bonosi et Maximiliani militum, passio Iuventini et Maximini, passio Pimenii en de passio Sancti Eliphii martyris
Leven thumb|Standbeeld van Flavius Claudius Julianus te Tongeren thumb|Julianus op een gouden solidus geslagen in Sirmium thumb|Julian the Apostate presiding at a conference of sectarian (Julianus de Afvallige zit een vergadering van sektariërs voor), Edward Armitage, 1875, Walker Art Gallery, Liverpool
Onder Constantius Hij was de jongste zoon van Julius Constantius (een halfbroer van keizer Constantijn de Grote), en zijn vrouw Basilina. Toen na de dood van Constantijn (22 mei 337) diens mannelijke verwanten diezelfde maand door soldaten werden vermoord, waren Julianus en zijn oudere halfbroer (Flavius Claudius) Constantius Gallus vrijwel de enige overlevenden. Julianus' vader Julius Constantius kwam bij het bloedbad om het leven, een oudere broer, zes van zijn neven en een oom. Zijn moeder Basilina was al enkele maanden na Julianus' geboorte overleden. Julianus wees later zijn neef Constantius als hoofdverdachte aan. Eutropius en Socrates Scholasticus meldden dat Constantius de moord niet beval, maar ook niet verhinderde. Volgens Gregorius van Nazianze redde Constantius zelfs het leven van zijn jonge neefjes. Die jonge neefjes waren immers ook Constantius' zwagers: Constantius' eerste vrouw was een zuster van Gallus en een halfzuster van Julianus.
Constantius heerste met zijn beide broers vanaf 9 september 337 over het Romeinse rijk. Ze droegen alle drie de titel Augustus. Van ambitieuze familieleden hadden ze niets te vrezen, ze bestreden daarop elkaar en Constantius bleef in 350 als alleenheerser over.
Constantius scheidde de halfbroers Gallus en Julianus: Gallus werd naar Ephesus gestuurd en Julianus naar Nicomedia (Izmit). Zijn verwante, Eusebius, was er de plaatselijke ariaanse bisschop, die zorg over hem droeg. De feitelijke opvoeding was in handen van de eunuch Mardonius. Julianus sprak later met veel waardering over Mardonius. Constantius liet Julianus waarschijnlijk in 342 overbrengen naar Macellum, in de buurt van Caesarea (Kayseri).
Tot 348 leefde hij daar zes jaar lang rustig op het familiegoed in Klein-Azië, waar hij de invloed onderging van bisschop Georgius. Prettig vond Julianus het daar allerminst, hij werd constant in de gaten gehouden, en had er enkel Gallus en slaven tot gezelschap. Maar hij kon er lezen in de bibliotheek van Georgius, de bisschop van Caesarea, waar naast stichtelijke, christelijke boeken ook heidense filosofie en letterkunde te vinden was. Voor iemand van zijn stand was het gebruikelijk daarin te worden onderwezen, maar hij werd in de eerste plaats christelijk opgevoed. Hij kende teksten van de Bijbel uit zijn hoofd, bezocht regelmatig de kerk en bewees de graven van christelijke martelaars eer. Tijdens de kerkdienst was hij voorlezer. Julianus zegt zelf in een brief uit 362 dat hij vanaf zijn twintigste jaar (in 351) van zijn christelijk geloof af viel. Toen was hij al enige jaren uit Macellum weg.
Julianus vertrok naar Constantinopel, Nicomedia en Pergamum en kreeg er les van gerenommeerde docenten. In de eerste twee steden wijdde hij zich vooral aan retorica, in Pergamum verdiepte hij zich in het neoplatonisme van Plotinus (circa 200-270), dat de stelsels van Pythagoras, Plato en Aristoteles verenigde. Hij hoorde er over de filosofen Maximus en Priscus, die hij toen hij keizer werd, in zijn gevolg zou opnemen en met wie hij op zijn sterfbed in 363 over de onsterfelijkheid van de ziel zou spreken. Julianus bezocht de toekomstvoorspeller en wonderdoener Maximus in diens geboorteplaats Ephesus, die in navolging van Iamblichus de neoplatoonse filosofie verbond met mystiek en theürgie (magische handelingen waarbij geesten worden bezworen). De twintigjarige Julianus was zeer van Maximus onder de indruk en prees hem als diegene die hem had geleerd de deugd boven alles te stellen en dat alleen de oude, heidense goden de juiste weg wezen.
Nadat zijn halfbroer, Constantius Gallus, door keizer Constantius II, onder druk van de omstandigheden, in 351 tot Caesar (onderkeizer) was verheven, kreeg Julianus zelf meer bewegingsvrijheid: hij werd een waar liefhebber van boeken en ging studeren, eerst te Milaan en vervolgens te Athene.
Opkomst In 354 werd Constantius Gallus echter op bevel van de keizer naar Italië ontboden en uit de weg geruimd 'wegens wanbeleid'. Ook Julianus werd naar Italië geroepen en in Milaan maandenlang onder huisarrest geplaatst. Julianus zou Macellum zonder toestemming hebben verlaten en kort tevoren heimelijk met Gallus hebben gesproken, toen deze op weg was naar Italië. Alleen door de bemiddeling van Constantius' tweede vrouw, Eusebia, ontmoetten de neven elkaar en mocht Julianus zich weer aan zijn studie wijden, ditmaal in Athene, waar hij nog werd gesterkt in zijn reeds eerder gewekte liefde voor de Griekse cultuur en de filosofie. Maar al snel riep Constantius hem weer terug naar Milaan om medebestuurder te worden. Julianus volgde Gallus 6 november 355 als Caesar op, een titel die sinds de bestuurlijke hervormingen van Diocletianus de functie van 'onderkeizer' aanduidde; de keizer zelf droeg de titel Augustus.
Julianus trad in het huwelijk met Helena, de jongste zuster van Constantius II. Als Caesar werd hij opperbevelhebber van het Romeinse leger in Gallia en heel het Westen. Hij trachtte de Salische Franken die het Rijn- en Scheldegebied in bedwang hadden, te pacificeren en verdedigde de grenzen van het Romeinse Rijk tegen de invallen van de Alemannen. Daarbij trok hij tot driemaal toe over de Rijn. Hij overwon hen beslissend in de slag bij Straatsburg. Hoewel hij geprezen werd als overwinnaar, moest hij in 358 aan de Franken toch een groot deel afstaan van wat nu Vlaanderen en Nederland beneden de rivieren is en toen Toxandria genoemd werd. De Franken werden daarmee de eerste Germaanse bondgenoten (foederati) die op het Romeinse grondgebied een stuk land kregen toegewezen.
Keizer Constantius bezag Julianus' succesvolle optreden echter met groot wantrouwen. In 360 verordende hij dan ook dat Julianus een deel van zijn troepen aan hem moest afstaan: hij wilde deze strijdkrachten inzetten in zijn eigen campagne tegen Perzië. De soldaten, die erg op Julianus gesteld waren, kwamen in verzet en riepen hem in zijn residentie te Lutetia (Parijs) uit tot tegenkeizer. Omdat Constantius elk compromis afwees, was de burgeroorlog een feit. Een groot debacle werd alleen voorkomen door de plotselinge dood van keizer Constantius op 3 november 361, die (mogelijk pas op zijn sterfbed) zijn neef Julianus, vrijwel zijn laatste mannelijke familielid, als zijn legitieme opvolger aanwees.
Toen het nieuws over Constantius' overlijden in Alexandrië bekend werd, richtte een volkswoede zich op zijn protegés. De ariaanse bisschop Georgius van Cappadocië, gehaat door zowel medestanders van de verbannen bisschop Athanasius als de heidense bevolking, moest het ontgelden. Georgius was eigengereid, arrogant, dreigde met de afbraak van de tempel van de Stadsgodin, bespotte de aanhangers van de god Mithras en liet de tempel van Serapis onder het toeziend oog van de militaire commandant van Egypte, Flavius Artemius, door soldaten bezetten en plunderen. Georgius werd gevangengezet, maar na een paar weken, op 24 december 361, door een volksmenigte gelyncht en verbrand. Julianus berispte de heidense Alexandrijnen en keurde het feit dat zij voor eigen rechter hadden gespeeld, af. Hij had evenwel begrip voor hun grieven en vond zelfs dat Georgius na een proces volgens wet de doodstraf had verdiend. Dit was de eerste uitbarsting van religieus geweld. Onder Julianus' regering vonden geen grootschalige christenvervolgingen plaats, maar de maatregelen die de nieuwe keizer nam leidden er wel toe dat lokaal 'openstaande rekeningen werden vereffend'.
Op 11 december 361 hield Julianus zijn intocht in Constantinopel.
Maatregelen Tijdens zijn kortstondige regering als keizer, hij regeerde minder dan twintig maanden, behandelde Julianus de senaat altijd met respect. Hij bestreed de corruptie onder de ambtenaren en probeerde ook de inflatie het hoofd te bieden, onder meer door een hervorming van het muntstelsel.
Tempels die Constantius liet sluiten of afbreken, werden door Julianus weer opengesteld of herbouwd. Heidenen gaven hem daarom de eretitel templorum restaurator. Hij gaf land terug aan de tempels en de steden, dat onder Constantius in het bezit van de keizer of van particulieren was gekomen.
Het verbranden van offerdieren, door Constantius verboden, werd weer toegestaan. Julianus offerde, net als de door hem bewonderde keizer Marcus Aurelius voor hem, bijzonder veel dieren op de altaren van de goden. Daar konden evenwel soldaten en burgers hun veelal vleesloze maaltijden mee aanvullen.
Maar vooral op godsdienstig vlak trof hij ingrijpende maatregelen. Hij kondigde weliswaar een algemene geloofsvrijheid af, maar de christenen legde hij beperkingen op. Ondanks zijn christelijke opvoeding kreeg hij reeds vroeg een afkeer van dit geloof (die hij overigens verborgen hield tot de dood van keizer Constantius II) en werd hij geboeid door het neoplatonisme. Hij droomde ervan de voor-christelijke eredienst en tradities weer tot leven te wekken, en daartoe probeerde hij het priesterschap naar het christelijk voorbeeld te herorganiseren en moreel te verheffen. Aan bloedige vervolgingen wilde hij zich niet schuldig maken: liever bestreed hij het christendom door de innerlijke verdeeldheid aan te wakkeren.