Een gebarentaal is een visueel-manuele taal, waarin de handen en het lichaam worden gebruikt voor talige uitingen. Het is een natuurlijke taal met een eigen lexicon (woordenschat) en grammatica, die beantwoordt aan de communicatiebehoefte van een groep (in veel gevallen prelinguaal dove) mensen.

De Ethnologue onderscheidt op dit moment 130 gebarentalen van dovengemeenschappen en 29 dorpsgebarentalen, plus International Sign (IS), een gebarensysteem dat hoofdzakelijk gebruikt wordt in internationale contacten.Ethnologue: Languages of the World (23e ed.), 'Sign language', 2020 . Gearchiveerd op 13 november 2022. Veel landen of regio's kennen hun eigen gebarentaal, die losstaat van de gesproken taal van de horende mensen. Voorbeelden van landelijke gebarentalen zijn NGT (Nederlandse Gebarentaal), VGT (Vlaamse Gebarentaal) en ASL (American Sign Language). Daarnaast bestaan er ook regionale varianten, die vergelijkbaar zijn met gesproken dialecten.

Er bestaat niet één universele gebarentaal, al bestaan er met Gestuno en Signuno wel pogingen daartoe. Bij internationale contacten worden IS of ASL vaak als de lingua franca gebruikt. thumb|Het woord vocabulaire in Franse Gebarentaal thumb|Het woord werkwoord in Franse Gebarentaal thumb|thumbtime=5|Preservation of the Sign Language (1913)

Grammatica Doordat gebarentalen niet oraal-auditief maar manueel-visueel zijn hebben zij de unieke eigenschap dat zij vierdimensionaal zijn: er wordt zowel gebruikgemaakt van de driedimensionale ruimte als van de tijdsdimensie. De grammatica van veel gebarentalen is essentieel anders dan die van de gesproken taal die in hetzelfde gebied gebruikt wordt. Veel gebarentalen hebben bijvoorbeeld, net als het Russisch, geen lidwoorden.

Opbouw van gebaren Net als woorden in gesproken talen zijn opgebouwd uit (vaak betekenisloze) klanken, zijn gebaren in gebarentalen opgebouwd uit kleinere onderdelen. Grofweg kan gezegd worden dat gebaren zijn opgebouwd uit vijf onderdelen: de plaats voor of op het lichaam waar het gebaar wordt gemaakt; de handvorm; de richting waarin de handpalm en de vingers wijzen; de beweging die de handen maken (bijvoorbeeld draaiend, op/ neer, slaand/ strijkend); het non-manuele deel (lipbeweging, gezichtsuitdrukking of lichaamstaal). De gebarenfonologie bestudeert de kenmerken van deze elementen en de regels voor de gebaaropbouw.

Gebarentaal wordt vaak ondersteund door de mondbewegingen, die soms gerelateerd zijn aan woorden van de gesproken taal die in hetzelfde gebied wordt gebruikt. Soms is er echter geen relatie met de gesproken taal.

Gebruik van de ruimte Een bijzondere constructie die in veel gebarentalen voorkomt is het koppelen van een plek in de (gebaren)ruimte ("locatie" genaamd) aan een persoon, dier, voorwerp of idee. Dergelijke locaties worden gebruikt in een discours, bijvoorbeeld door ernaar te wijzen wanneer men het over de personen e.d. die aan de locaties zijn gekoppeld. Dit is vergelijkbaar met voornaamwoorden in gesproken talen.

Veel gebarentalen hebben een (kleine) groep werkwoorden die ook gebruik kan maken van locaties in de gebarenruimte. Zo kan een werkwoord, in plaats van vóór het lichaam, gemaakt worden op een bepaalde locatie in de gebarenruimte, bijvoorbeeld om aan te geven dat de persoon e.d. die aan die locatie gekoppeld is de actie uitvoert die wordt uitgedrukt met het werkwoord. Sommige werkwoorden kunnen bewegen tussen 2 locaties, om aan te geven dat de personen e.d. die gekoppeld zijn aan die locaties betrokken zijn bij de actie die het werkwoord uitdrukt. Dergelijke aanpassingen in de plaats van een gebaar worden "congruentie" genoemd. Sommige gebarentalen hebben een hulpwerkwoord, dat speciaal dient voor congruentie. In gebarentalencursussen wordt veel aandacht besteed aan het gebruik van de ruimte. Er moet echter nog veel onderzoek gedaan worden, met name naar de mogelijkheden van het gebruik van congruentie en het werkelijke gebruik daarvan.

Ontwikkeling van gebarentaal Mensen willen communiceren, en waar mensen bij elkaar komen, ontstaat taal. Dit geldt ook voor gebarentalen. Er zijn drie soorten gemeenschappen waarin gebarentalen ontstaan, namelijk rond dovenscholen, in geïsoleerde dorpen met een erfelijke vorm van doofheid en in situaties waarbij horenden langdurig niet kunnen of willen spreken.

Dorpsgebarentalen Dorpsgebarentalen komen wereldwijd voor in een klein aantal dorpen met een zeer geïsoleerde ligging. Door deze ligging is het contact met andere gemeenschappen minimaal, waardoor een eventuele erfelijke doofheid veel in het dorp blijft voorkomen (inteelt). Het grote aantal doven binnen zo'n gemeenschap zorgt dat doofheid als een tamelijk normaal verschijnsel wordt gezien, en dat er noodzakelijk een visuele manier van communicatie ontstaat, die ook gebruikt wordt door de horenden. Om deze reden worden dit soort talen in het Engels ook wel 'shared sign languages' ('gedeelde gebarentalen') genoemd.Kisch S. 2008. The Social Construction of Deafness in a Bedouin Community in the Negev. Medical Anthropology. 27(3):283-313. https://doi.org/10.1080/01459740802222807 Dorpsgebarentalen worden pas sinds kort bestudeerd, maar voorlopig lijkt het of deze talen op sommige gebieden anders in elkaar zitten dan de gebarentalen die ontstaan rond dovenscholen. Een dergelijke situatie kwam voor op Martha's Vineyard.

Dovenscholen De eerste dovenscholen in Europa ontstonden in de 18e eeuw. De eerste dovenschool werd opgericht in Parijs door Abbé de L'Epée. De l'Epée toonde aan dat men doven kon onderwijzen, en zijn school heeft als voorbeeld gediend voor veel andere dovenscholen. Hiermee is er mogelijk invloed van de Oude Franse Gebarentaal op andere West-Europese gebarentalen en de Amerikaanse Gebarentaal, hoewel deze invloed, buiten die van het lexicon, niet echt duidelijk is. Naast de introductie van o.a. vingerspelling, is de eigen behoefte van deze nieuwe dovengemeenschappen aan communicatie de belangrijkste factor in het ontstaan van gebarentalen. In het begin tegen de verdrukking in.

Gebarentaal in horende gemeenschappen Ook in gemeenschappen van horenden zijn gebarentalen ontstaan. Bij de Indianen van de vlaktes van Noord-Amerika en de Aborigines in Australië werd een gebarentaal gebruikt om te kunnen communiceren met mensen van stammen die een andere taal spraken. Deze gebarentalen worden Plains Indian Sign Language (PSD) respectievelijk Australian Aborigines Sign Language (ASW) genoemd.

Binnen kloostergemeenschappen is dit gebruik van gebaren ook bekend als zogenaamde kloostergebaren. Monniken die een gelofte van stilte hebben afgelegd, kunnen gebaren gebruiken om toch te kunnen communiceren. Binnen deze Monastic Sign Language (MZG) worden vijf dialecten onderscheiden gerelateerd aan verschillende kloosterorden.

Hoewel deze gebaren erkend worden in de internationale index van talen, missen ze het natuurlijke en complete karakter van de overige (gebaren)talen. Het gaat hier meer om een primitief systeem, met afgesproken gebaren.

In België bevordert een gemeente het gebruik van gebarentaal in contacten tussen Nederlandstalig stadhuispersoneel en Franstalige burgers.'Nog liever gebarentaal dan Frans aan het loket', De Standaard, 4 september 2013

Geschiedenis In de verdrukking Eeuwenlang werden doven gezien als tweederangsmensen. Veel doof geboren mensen hebben moeite met praten omdat ze de klanken van stemgeluid niet kunnen horen en die dus niet leren nadoen. Eeuwenlang werd doofheid daardoor gezien als een gebrek aan intelligentie, of anders als een goddelijke straf. Zodoende kwamen doven en slechthorenden vaak buiten de maatschappij te staan. Dat leidde er op sommige plekken toe dat er tijdens de middeleeuwen kleine gemeenschappen van doven en slechthorenden ontstonden. Binnen zulke gemeenschappen ontstonden waarschijnlijk de eerste vormen van gebarentaal. In de zestiende eeuw ontstond in de Amerikaanse koloniën zelfs een kleine kolonie waarvan de hele bevolking gebruik maakte van een lokale gebarentaal als communicatie.

De eerste ‘sprekers’ van gebarentaal Hoewel geestelijken doofheid tijdens de middeleeuwen vaak als een goddelijke straf zagen, kwam het eerste onderwijs in gebarentaal ook vanuit religieuze hoek. Het was de Spaanse benedictijner monnik Pedro Ponce de León die in de zestiende eeuw een manier vond om dove mensen toch te leren praten. Door een combinatie van schrijven en spraakafzien kreeg hij het voor elkaar om meerdere van zijn geloofsgenoten binnen de benedictijner orde te leren spreken en schrijven. Hoe hij dat precies deed, schreef hij echter niet op. Toen Ponce in 1584 overleed, nam hij zijn onderwijsmethode mee het graf in. In dezelfde periode betoogde de Italiaanse wetenschapper Gerolamo Cardano aan de universiteit van Pavia dat doofheid geen teken van domheid was. Daarnaast verklaarde hij dat doven en slechthorenden prima konden leren lezen en schrijven, zonder dat ze hoefden te leren spreken. In 1880 werd tijdens een tweede internationaal congres van dovenonderwijzers in Milaan een resolutie aangenomen, die behelsde dat het dovenonderwijs het beste de 'orale methode' kon volgen: leerkrachten moesten tijdens de les gesproken taal gebruiken tegenover de dove kinderen, zonder enige vorm van gebaren te gebruiken. De dove leerlingen zouden de les moeten volgen via spraakafzien, omdat een deel van de congresgangers van mening was dat gebaren slecht zouden zijn voor de (taal)ontwikkeling van dove kinderen; zijnde geen taal (een misvatting die pas in 1964 rechtgezet werd). Gebarentaal werd op veel dovenscholen sinds dit congres in Europa streng verboden, waardoor de leerlingen veel informatie misten. Een indirect gevolg van de resolutie was het ontslag van een derde van de medewerkers bij het dovenonderwijs; zij waren doof. De Amerikanen hadden andere ideeën over het oralisme. Wie gebaren maakte, kreeg soms zelfs lijfstraf. Die straffen waren daarbij regelmatig gericht op de handen van de leerlingen, zoals vastbinden. Doven gingen daarom stiekem gebarentaal gebruiken buiten het zicht van de docenten en begeleiders. De orale methode heeft er echter toe geleid dat doven in het voortgezet/hoger onderwijs weinig vooruitgang konden boeken en zelden een hoog opleidingsniveau haalden. Het gemiddelde opleidingsniveau onder doven daalde als gevolg van de genoemde resolutie.

Gebarentalen werden vaak omschreven als een soort pantomime of het maken van plaatjes in de lucht. De werken van de Nederlandse taalkundige Bernard Tervoort in 1953 en de Amerikaanse taalkundige William Stokoe in 1963 zijn belangrijke mijlpalen in de erkenning van gebarentalen als echte, natuurlijke talen. Stokoe toonde aan dat de Amerikaanse Gebarentaal bouwstenen heeft, die hij "cheremen" noemde (tegenwoordig gebruikt men de term "fonemen"): elementen die geen betekenis hebben, en die volgens bepaalde regels met elkaar gecombineerd worden tot gebaren. Bij hersenonderzoek is gebleken dat gebarentaal van dezelfde hersengebieden gebruikmaakt als gesproken taal.Oliver Sacks, Stemmen zien. Reis naar de wereld van de doven, Amsterdam 1990, p. 112 e.v.

Huidige situatie Oorspronkelijk was er weerstand van collega's en zelfs van doven tegen de conclusie van Stokoe dat de Amerikaanse Gebarentaal een volwaardige taal was. Na enige tijd vonden zijn inzichten langzamerhand weerklank bij taalkundigen en de (Amerikaanse) dovengemeenschap. Vanaf de jaren tachtig van de 20e eeuw keerde het gebruik van gebarentaal geleidelijk terug in het (Nederlandse) dovenonderwijs. In 1997 werd de vierjarige hbo-opleiding tolk/docent Nederlandse Gebarentaal opgericht. Beide ontwikkelingen hebben invloed op de Nederlandse dovengemeenschap, die zich steeds meer bewust is geworden van het belang van gebarentaal.