Het prinsbisdom Passau was een tot de Beierse Kreits behorend bisdom of sticht binnen het Heilige Roomse Rijk, met als centrum de stad Passau. Het prinsbisdom had rond 1800 een oppervlakte van 1100 km². (2004): From Reich to Revolution, Palgrave Macmillan, Basingstoke, blz. 365.
Geschiedenis In 737 is er voor het eerst een bisschop bekend, Vivlio, die in 739 door Bonifatius wordt bevestigd. Sinds 798 behoorde het bisdom tot de kerkprovincie Salzburg. Keizer Otto III verleende in 999 de bisschop de markt, de tol en het banrecht in Passau en keizer Hendrik II het Nordwald tussen de Ilz en de Rottel. In 1193 verwierf de bisschop de rijke koninklijke abdij Niedernburg. Door de belening in 1217 met de Ilzgouw werd de bisschop van Passau rijksvorst.
In de achttiende eeuw verloor het (geestelijke) bisdom veel gebied aan de nieuwe bisdommen in Oostenrijk. Als tegenprestatie werd het bisdom in 1728 onafhankelijk van de kerkprovincie Salzburg.
In 1730 werd de heerlijkheid Neuburg gekocht van de graaf van Lamberg-Sprinzenstein. In 1765 werd de heerlijkheid Rannarigl van Oostenrijk verworven.
Paragraaf 1 van de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 kende een klein deel van het vorstdendom toe aan de groothertog van Toscane voor zijn nieuw te vormen keurvorstendom Salzburg: het aan de overkant van de Ilz en de Inn (de Oostenrijkse kant) gelegen deel van het bisdom Passau, doch zonder de Innstad en de Ilzstad. Paragraaf 2 kende het bisdom aan het keurvorstendom Beieren toe, met uitzondering van de in paragraaf 1 genoemde delen.
Artikel 8 van de Vrede van Presburg van 26 december 1805 gaf het voormalige Passauer gebied van het keurvorstendom Salzburg aan Beieren, zodat het gebied weer herenigd kon worden.
Bezit stad Passau het landgerecht Oberhaus de heerlijkheden Neuburg, Rannarigl, Viechtenstein, Hafnerzell of Obernzell, Leoprechting, Wegscheid, Riedenburg en Obernberg het rechterambt Waldkirchen de sloten Starhemberg en Pihrensein
Regenten 738- 745: Vivilo 745- 748: Beatus 749- 756: Sidonius 756- 765: Anthelm(us) 765- 774: Wiserich 774- 804: Walderich (Waltrich) 805- 806: Urholf 806- 817: Hatto 818- 838: Reginhar 840- 866: Hartwich 866- 874: Hermanrich/Ermerich/Ermanrich 874- 897: Engelmar 898- 899: Wiging 899- 903: Richhar 903- 915: Burghard 915- 931: Gundbold 931- 946: Gerhard 946- 970: Adalbert I 971- 991: Pilgrim 991-1013: Christiaan 1013-1045: Berngar/Berengar 1045-1065: Engelbert 1065-1091: Altmann van Rohrberg(Lambach/Wels ?) 1085-1087: Hermann van Eppenstein 1092-1121: Ulrich I 1121-1138: Reginhar 1138-1148: Reginbert van Hagenau 1148-1164: Koenraad I van Oostenrijk (huis Babenberg) (1164-1168: aartsbisschop van Salzburg) 1164-1166: Rudbrecht/Rudbert 1166-1168: Albero 1169-1172: Hendrik van Berg 1172-1190: Dietpold van Berg 1191-1204: Wolfgar van Leubrechtskirchen (Ellbrechtskirchen) (1204-1218: patriarch van Aquileja) 1204-1205: Poppo 1206-1215: Mangold van Berg 1215-1221: Ulrich II van Andechs-Meranien (Berg?) 1222-1232: Gebhard van Pleyen-Hardegg 1233-1250: Rudgar van Radeck 1250-1254: Bertold van Pietengau/Sigmaringen 1254-1265: Otto van Lonsdorf 1265-1280: Petrus/Peter Wratislaw 1280-1282: Wighard van Pollheim 1282-1285: Gotfried I 1285-1313: Wernhard van Prambach/Bernhard van Brambach 1313-1320: vacant, met de passage van onder meer Hendrik I van Dauphiné de Vienne (1317-1319) 1320-1342: Albrecht II van Saksen 1342-1362: Gotfried II van Weißeneck 1362-1380: Albrecht III van Winkel 1381-1387: Johan van Scherffenberg 1387-1389: Ruprecht van Berg 1387-1423: Georg I van Hohenlohe 1423-1451: Leonhard van Layming 1451-1479: Ulrich III van Nußdorf 1479-1480/2: Georg II Heßler (Hassler)(kardinaal) 1482-1485: Fredrik I Mauerkircher 1485-1490: Frederik II van Oettingen 1490-1500: Christoph van Schachner 1500-1517: Wiguleus Fröschl van Marzoll 1517-1540: Ernst van Beieren (administrator) 1541-1555: Wolfgang I van Salm-Neuburg 1555-1561: Wolfgang II van Closen 1561-1598: Urbanus van Trenbach 1598-1626: Leopold X van Oostenrijk 1626-1662: Leopold Willem van Oostenrijk 1662-1664: Karel Jozef van Oostenrijk 1664-1673: Wenzeslaus van Thun (Wenzel) 1673-1689: Sebastiaan van Pötting 1698-1712: Johann Philips van Lamberg 1713-1722: Raimund Ferdinand van Rabatta 1723-1761: Josef Dominikus van Lamberg 1761-1763: Josef Maria van Thun en Hohenstein 1763-1783: Leopold Ernst van Firmian (1748-1755: bisschop van Trente) 1783-1795: (Frans) Josef van Auersperg (1763-1772: bisschop van Lavant; 1772-1783: bisschop van Gurk) 1795-1796: Thomas (Johan) van Thun en Hohenstein 1796-1803: Leopold (Leonhard) van Thun
Zie ook Duitse rooms-katholieke kerkprovincies
Bronnen
Categorie:Geschiedenis van Beieren
Passau Passau Categorie:Passau