thumb|Een kolenmijn in Asturië

De Spaanse Burgeroorlog was een conflict dat uitgevochten werd in Spanje van 17 juli 1936 tot 1 april 1939, waarin verschillende ideologische en politieke stromingen zich tegen elkaar keerden in een strijd om de controle over Spanje.

Enkele bijzonderheden aan deze burgeroorlog waren onder meer de unieke belangrijke rol van anarchisten. De anarchisten kwamen in opstand tegen het nationalistische regime geleid door generaal Francisco Franco en slaagden daarbij in de kortstondige vestiging van een anarcho-syndicalistische vrijstaat in Barcelona. Andere bijzonderheid waren de deelname van buitenlandse vrijwilligersbrigades en militaire eenheden van de buitenlandse mogendheden Duitsland en Italië. Na de "Anschluss" van Oostenrijk in 1938 werd een deel van de voormalige Oostenrijkse luchtmacht door Duitsland ingezet om de nationalisten te ondersteunen. De Luftwaffe, de Duitse luchtmacht, speelde een cruciale rol in het bieden van luchtondersteuning en bombardementsvluchten. Deze worden alom beschouwd als een doorslaggevende factor in de overwinning van de nationalisten. De overmacht in luchtsteun gaf Franco strategische voordelen, waardoor hij in staat was om belangrijke steden in te nemen en de opstanden van de republikeinen effectief te onderdrukken. Deze militaire steun droeg bij aan de overwinning van de nationalisten in 1939. James S. Corum, Legion Condor 1936-39 : the Luftwaffe Develops Blitzkrieg in the Spanish Civil War, 2020,

De oorlog begon na een pronunciamiento (oppositieverklaring) van een groep rechtse generaals onder leiding van José Sanjurjo tegen de regering van de Tweede Spaanse Republiek, op dat moment onder leiding van president Manuel Azaña. De militaire staatsgreep werd gesteund door conservatieve groepen als de CEDA, monarchisten zoals de religieus-conservatieve carlisten, en de fascistische falangisten. De generaals hadden autoritaire en anti-separatistische inspiratiebronnen. Aan nationalistische zijde waren er sterke anti-Baskische en anti-Catalaanse gevoelens.

Na de slechts gedeeltelijk succesvolle staatsgreep was Spanje militair en politiek verdeeld. Vanaf dat moment voerde generaal Francisco Franco een langdurige oorlog tegen de gevestigde regering, omdat de trouwe aanhangers van de linkse republikeinse regering de rebellen bevochten voor de controle over het land. De generalen (nacionales) kregen de steun van nazi-Duitsland en het koninkrijk Italië, evenals van het naburige Portugal, terwijl de Sovjet-Unie en Mexico hun steun gaven aan de republikeinse regering. Een belangrijke bijdrage leverde de Duitse luchtmacht, de Luftwaffe, die reeds voor de machtsovername van de nazi's heimelijk had getraind in Lipetsk in de Sovjet-Unie, dat in deze oorlog de andere kant steunde.

Bloedige zuiveringen deden zich voor in delen van Spanje die veroverd werden door de nationalisten om het toekomstige regime van Franco te consolideren, terwijl gelijkaardige moorden plaatsvonden in gebieden die veroverd werden door de republikeinen. Tienduizenden burgers aan beide kanten werden vermoord wegens hun politieke of religieuze standpunten, en na het einde van de oorlog in 1939 werden diegenen die geassocieerd werden met de verliezende republikeinen vervolgd door de zegevierende nationalisten.

De oorlog eindigde met een overwinning voor de conservatieve nationalisten, het omverwerpen van de democratische regering, en de ballingschap van duizenden linkse Spanjaarden, van wie velen vluchtten naar vluchtelingenkampen in Zuid-Frankrijk, onder andere Le Vernet. Met de oprichting van een dictatuur onder leiding van generaal Francisco Franco in de nasleep van de omwenteling, fuseerden alle rechtse partijen in de structuur van het Franco-regime. Franco overleed in 1975.

Aanloop tot de burgeroorlog In 1931 werd in Spanje de Republiek uitgeroepen door een revolutionair comité onder leiding van Alcalá Zamora toen er na afloop van de gemeenteraadsverkiezingen rellen uitbraken en koning Alfons XIII het land ontvluchtte. Het revolutionair comité riep zichzelf uit tot interim-regering met Alcalá Zamora als staatshoofd.: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, pagina 39, Uitgeverij Anthos, Amsterdam 2006, Hoewel formeel een democratie, was het land politiek instabiel, wat veroorzaakt werd door sterke tegenstellingen tussen links en rechts.

Aanvankelijk had links de meerderheid. In 1931 werd een linkse grondwet aangenomen, met als gevolg landhervormingen en een sterk antiklerikale wetgeving. De overheid betaalde niet meer de lonen van de priesters; burgerlijk huwelijk werd toegestaan en echtscheiding werd mogelijk.: Half Spanje stierf: Een herwaardering van de Spaanse Burgeroorlog; 1973; Nederlandse vertaling uit 1976; hoofdstuk 2. Lokaal werd hier en daar spontaan overgegaan tot collectivisatie. Betrokkenen bij de aan de republiek voorafgaande dictatuur van Miguel Primo de Rivera onder koning Alfons XIII werden gestraft. In april 1931 publiceerde de Spaanse aartsbisschop Pedro Segura een bisschoppelijke brief tegen het voornemen om vrijheid van godsdienst en de scheiding tussen kerk en Staat in te voeren.: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, Uitgeverij Anthos, 2006; hoofdstuk 3. Op 3 juni 1931 stuurden de Spaanse bisschoppen een brief waarin ze de scheiding tussen kerk en staat en de afschaffing van de verplichte katholieke lessen op basisscholen bekritiseerden.

Op 10 augustus 1932 pleegde generaal José Sanjurjo een mislukte rechtse staatsgreep tegen de republiek. De staatsgreep was voornamelijk gericht tegen het autonomiestatuut van Catalonië. De staatsgreep van Sanjurjo werd gesteund door de carlistische en alfonsistische monarchisten. Sanjurjo had toezeggingen gekregen van Benito Mussolini dat hij Italiaanse diplomatieke steun zou krijgen als de staatsgreep zou slagen.: The Spanish Civil War; 1961; hoofdstuk 7. Sanjurjo werd aanvankelijk tot de doodstraf veroordeeld, maar die straf werd omgezet in een gevangenisstraf. In maart 1934 verleende de Lerroux-regering hem amnestie en hij ging in Portugal in ballingschap.: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, pagina 44, Uitgeverij Anthos, Amsterdam 2006,

In november 1933 wonnen de rechtse partijen de verkiezingen, waarna veel maatregelen werden afgezwakt of teruggedraaid. Op 31 maart 1934 hadden generaal Emilio Barrera en afgevaardigden van de alfonsisten en carlisten een ontmoeting met Mussolini. Hoewel er ideologische verschillen bestonden tussen de verschillende Spaanse afgevaardigden, vond Mussolini dit niet erg zolang het verbond een monarchistisch en corporatistisch karakter zou hebben. Mussolini beloofde 1,5 miljoen peseta’s, 20 000 granaten en 200 machinegeweren.: The Spanish Civil War; 1961; hoofdstuk 9.

Toen in oktober 1934 de zeer rechtse (semifascistische) CEDA tot de regering toetrad kwamen in diverse delen van het land linkse krachten in opstand. Hierbij werd onder andere een groot aantal kerken en kloosters geplunderd en verbrand. Op verschillende plekken braken stakingen en opstanden uit die gepaard gingen met geweld en aanvallen op kazernes van de Guardia Civil en openbare gebouwen. De linkse leider Largo Caballero had begin oktober opgeroepen tot een revolutie van de massa's. Zover was het echter niet gekomen zoals hij moest erkennen. De opstand, waarin onder meer Catalonië zich onafhankelijk verklaarde, werd de kop ingedrukt na het uitroepen van de staat van beleg en uiterst hard optreden door de politietroepen. Alleen al in de mijnstreek Asturië had de revolutie meer dan duizend slachtoffers gekost en grote materiële schade veroorzaakt. Daarna werden duizenden arbeiders ontslagen omdat ze hadden deelgenomen aan de opstand. Ook werden duizenden gevangengezet tot in januari 1935 de staat van beleg werd opgeheven. Twintig mensen werden ter dood veroordeeld. Uiteindelijk werden twee vonnissen voltrokken. Er werd een nieuwe regering gevormd met vijf CEDA-leden in het kabinet, met generaal Banjul als ondersecretaris en Franco als bevelhebber van de generale staf. Deze regering draaide veel van de progressieve republikeinse maatregelen terug; kerkelijke bezittingen werden teruggegeven en grootgrondbezitters werden schadeloos gesteld voor de landonteigeningen. Militant links, waaronder Largo Caballero, was na de tijdelijke gevangenzetting verder geradicaliseerd en bereid de strijd aan te gaan. De conservatieven werden door uitspraken van Largo Caballero als "ik wil een Republiek zonder klassenstrijd, maar daarvoor moet één klasse verdwijnen" bevestigd in hun geloof dat ze alles moesten doen om de aangekondigde "dictatuur van het proletariaat" te verhinderen.: De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, pagina 50, Uitgeverij Anthos, Amsterdam 2006,

Voordat in december 1935 een nieuwe regering werd aangesteld om de verkiezingen voor te bereiden, probeerde Gil-Robles om Franco en andere generaals te peilen voor het uitroepen van een staat van beleg om de beëdiging van de nieuwe regering te voorkomen, maar de generaals waren van mening dat er te weinig steun zou komen vanuit de soldaten en de lagere officieren.: The Spanish Civil War; 1961.

In februari 1936 waren er nieuwe verkiezingen waarin het ging tussen de linkse alliantie Frente Popular (Volksfront) en het rechtse blok van de CEDA, het 'nationale contrarevolutionaire front', gesteund door de clerus. Links speelde in op de angst voor de "falangisten" en rechts op angst voor een bolsjewistische revolutie. Beide partijen gebruikten apocalyptische retoriek, wat de verwachting voedde dat er uiteindelijk een gewelddadige oplossing zou komen en geen politieke meer mogelijk was. De linkse krachten, verenigd in het Volksfront, wonnen met krappe meerderheid. Mogelijk mede doordat in het jaar ervoor de lonen van de arbeiders waren verlaagd. De verkiezingen van februari 1936 verliepen rustig en zonder problemen. De monarchistische krant ABC schreef op 17 februari 1936 dat de verkiezingen verliepen "zonder bedreigingen en zonder schandalen. Iedereen heeft gestemd wat hij wilde in absolute vrijheid.": De strijd om Spanje, De Spaanse Burgeroorlog 1936-1939, Uitgeverij Anthos, 2006; hoofdstuk 4. Na de verkiezingen van februari 1936 probeerde Franco de demissionaire premier Manuel Portela Valladares te overtuigen om een staat van beleg af te kondigen en te weigeren om het Volksfront als regering te benoemen.: The Spanish Civil War; 1961; hoofdstuk 11. Er kwam een nieuwe linkse regering onder leiding van Manuel Azaña. Leden van de partijen Izquierda Republicana, Unión Republicana, Esquerra Republicana de Catalunya en Galicische autonomisten vormden de minderheidsregering. De regering werd gesteund door de andere partijen van het Volksfront in het parlement, zoals de Spaanse Socialistische Arbeidspartij en de Communistische Partij van Spanje. De regering gaf alle resterende gevangenen van de oktoberrevolutie amnestie, herstelde de socialistische raden, hervatte de confiscatie van land van de grootgrondbezitters en zegde toe dat alle arbeiders die hun baan kwijt waren geraakt ten gevolge van de oktoberrevolutie weer naar hun werk terug zouden kunnen. In het land heerste echter een chaotische situatie en stakingen en gewelddadigheden namen toe. De op zich niet zeer radicale regering kon of wilde niet optreden tegen excessief antiklerikaal geweld van de kant van extreemlinkse groeperingen.