thumb|270px|Planetoïde Mathilde, in 1997 gefotografeerd door de ruimtesonde NEAR Shoemaker. Mathilde is iets groter dan 50 km in diameter. Planetoïden, ook wel asteroïden genoemd, zijn stukken materie uit de vroege periode van ons zonnestelsel, ongeveer 4,6 miljard jaar geleden, die zich evenals planeten en dwergplaneten in een baan rond de Zon bewegen. Verreweg de meeste planetoïden hebben banen tussen de planeten Mars en Jupiter, in de zogenaamde planetoïdengordel. De grootste planetoïden hebben diameters van rond de 500 km, maar de overgrote meerderheid is veel kleiner. Het kleinste gruis kan met een telescoop niet worden waargenomen, maar komt vaak als vallende sterren op Aarde terecht. De bekende planetoïden zijn van samenstelling ijsachtig, steenachtig, of ijzer- en nikkelhoudend.

Er wordt met de Europese ruimtetelescoop Gaia, die op 19 december 2013 door de ESA is gelanceerd, onder andere onderzoek naar planetoïden gedaan.. Gaia Finds Hundreds of Asteroid Moons, 10 augustus 2014. Er waren planetoïden bekend in januari 2026.Jet Propulsion Laboratory. Solar System Objects, 19 januari 2026.

Definitie thumb|Planetoïde (101955) Bennu gefotografeerd door OSIRIS-REx op 2 december 2018

'Planetoïde' betekent planeetachtig en zo werden ze eerst ook genoemd.. why do we call them "asteroids"?, 25 oktober 2013. In vorige eeuwen was niet bekend wat voor hemellichamen dit waren. Ze werden daarom later asteroïde, sterachtig genoemd, omdat ze net als sterren aan de hemel leken te staan. Asteroid of asteroide kwam daardoor in een aantal andere talen in gebruik. Dat woord komt in Nederlandstalige teksten vooral voor als de tekst is vertaald.

Er zijn op het 26ste congres van de Internationale Astronomische Unie op 24 augustus 2006 nieuwe definities ingevoerd. Onder een klein zonnestelsellichaam wordt een hemellichaam verstaan dat vroeger als planetoïde of komeet werd aangeduid. Hiermee is dus ook het onderscheid tussen deze laatstgenoemde groepen komen te vervallen, omdat dit in de praktijk niet houdbaar bleek. Objecten die wel een baan om de Zon beschrijven, maar te klein zijn om door hun eigen zwaartekracht de vorm van een ellipsoïde aan te nemen, dus om rond te worden, zijn kleine zonnestelsellichamen.

Tegelijkertijd werden dwergplaneten gedefinieerd. Het hemellichaam moet om dwergplaneet te worden genoemd een omloopbaan rond de Zon hebben en zwaar genoeg zijn om door zijn eigen zwaartekracht de vorm van een ellipsoïde, een afgeplatte bol hebben aangenomen. Afhankelijk van het soort materiaal gebeurt dit bij een diameter van 200 tot 900 km. Pluto, voorheen tot de planeten gerekend, en Ceres, voorheen als planetoïde bekend, werden hierbij ingedeeld.

Naam Op de volgende manier krijgen planetoïden een naam. Na de ontdekking krijgt een planetoïde een voorlopige aanduiding. Als de baan nauwkeurig bepaald is kent het Minor Planet Center een nummer toe. Daarna mag de ontdekker het object een definitieve naam geven.

In december 2022 hadden 23.608 planetoïden een naam.Asteroids or "minor planets"

Eigenschappen Vorm thumb|Vergelijking van vorm en grootte van enkele planetoïden

Enkele planetoïden zijn sinds 1991 door ruimtesondes van dichtbij gefotografeerd: Gaspra, Ida, Eros, Mathilde, Braille, Annefrank en Itokawa. Deze foto's laten zien dat het onregelmatige, aardappelvormige steenklompen zijn, met veel kleine en soms grotere kraters. Ze lijken daarmee erg op sommige manen, zoals de Marsmaan Phobos of de Saturnusmaan Phoebe. Dat zijn waarschijnlijk eerst ook planetoïden geweest, die later door een planeet werden ingevangen. Er is ook is er gelijkenis met de rots- en ijsachtige kernen van kometen. Dat planetoïden een grillige vorm hebben, blijkt ook uit het feit dat vele een regelmatig wisselende helderheid hebben: kennelijk zien we door de aswenteling vanop de Aarde afwisselend een heldere of brede, en een donkere of smalle kant.

Kleine zonnestelsellichamen hebben in tegenstelling tot planeten of dwergplaneten niet min of meer de vorm van een bol. Dat komt doordat ze zo klein en licht zijn. Hoe meer massa een hemellichaam heeft, des te groter de zwaartekracht is aan het oppervlak. Daardoor kunnen uitstulpingen en bergen inzakken door hun eigen gewicht. Een grotere planeet heeft dus lagere bergen. Bij planetoïden is deze kracht meestal veel te gering om invloed te hebben.

Grootte De grootte van een planetoïde is als het lichtweerkaatsend vermogen, de albedo bekend is uit de gemiddelde helderheid ervan te berekenen, maar dat loopt bij planetoïden enorm uiteen: er zijn "zwarte" planetoïden (minder dan 5% weerkaatsing) maar ook heel heldere (50% of meer). Schattingen van de afmetingen van planetoïden zijn daardoor vaak nogal onzeker. Voor een beperkt aantal heeft men de middellijn direct kunnen meten, bijvoorbeeld door middel van een sterbedekking.

Er zijn bovendien voorbij de baan van Neptunus vele tientallen objecten met een middellijn van meer dan 250 km. Van de meeste daarvan is de grootte (en de vorm) alleen bij benadering bekend. Van de grootste objecten, zoals Eris met een middellijn van minimaal 2300 km, is aangetoond dat ze voldoende groot zijn om een evenwichtsvorm (een eventueel afgeplatte bolvorm) te hebben bereikt. Eris is dus een dwergplaneet. Objecten waarvan dat nog onzeker is, zoals Orcus, blijven vooralsnog bekendstaan als planetoïde.

Het aantal planetoïden neemt sterk af naarmate ze groter worden. Hoewel dit over het algemeen volgens een machtsfunctie verloopt, zijn er 'hobbels' bij 5 km en 100 km, waar meer planetoïden worden aangetroffen dan volgens een logaritmische verdeling kan worden verwacht.. Moving Objects Detected by SDSS, 2004. Astr 598: Astronomy with SDSS lecture 4, voor de Universiteit van Washington

+ Twaalf planetoïden uit de planetoïdengordel groter dan 250 km in diameternummer en naamontdekkerontdekkingsjaarmiddellijn (km)Olbers1802583Olbers1807550De Gasparis1849450Ferguson1854370Cerulli1910350Dugan1903323Tempel1861309Goldschmidt1858289Charlois1899276De Gasparis1851272Harding1804267De Gasparis1852250

+Schatting van het aantal planetoïden N groter dan diameter DD100 m 300 m 500 m 1 km 3 km 5 km 10 km 30 km 50 km 100 km 200 km 300 km 500 km 900 kmN ~25.000.000 4.000.000 2.000.000 750.000 200.000 90.000 10.000 1.100 600 200 30 5 3 1

Massa Het is niet gemakkelijk de massa van een planetoïde te meten. Het is hiervoor nodig dat een ander object, een andere planetoïde, een ruimtesonde of een maantje zich vrij dicht langs de planetoïde beweegt, zodat men de verstoring van de baan kan meten. Sinds 1993 is gebleken dat honderden planetoïden een maantje hebben, waardoor het aantal massabepalingen sterk is toegenomen. De dichtheid blijkt in veel gevallen gering te zijn, vaak niet meer dan 2000 kg/m³. Dat wijst erop dat planetoïden eerder hopen gruis dan massieve lichamen zijn. Dit is waarschijnlijk het gevolg van de relatief frequente onderlinge botsingen in de planetoïdengordel. Een hoop gruis zal bovendien niet zo snel in talloze fragmenten uiteenbarsten als het door een tamelijk groot object wordt getroffen. Dit zal dan eerder leiden tot een herschikking van de gruishoop.

Samenstelling Net als bij meteorieten, waar onderscheid kan worden gemaakt tussen steen- en ijzermeteorieten, verschilt de samenstelling van planetoïden. Dit volgt vooral uit het onderzoek van albedo en spektraalklasse. Het overgrote deel (75%) is koolstofhoudend. Een kleiner deel (17%) bevat silicaten met ijzer en nikkel. Er zijn ook combinaties van beide soorten. Het idee is ontstaan uit sommige planetoïden erts te winnen.. Ruimtemijnbouw: fictie of realiteit?, 23 augustus 2020.

Een deel van de kleinere planetoïden bestaat waarschijnlijk uit aan elkaar geklonterde veel kleinere deeltjes. Dit worden puinhopen of rubble piles genoemd.

Omwentelingstijd Aangezien planetoïden om hun eigen as draaien, kan de lichtweerkaatsing van de planetoïde veranderen tijdens de asomwenteling. Uit zulke periodieke helderheidswisselingen is voor veel planetoïden de omwentelingstijd bepaald. Die ligt meestal tussen drie uur en één dag, uitersten zijn 2000 WH10 met 80 seconden en 1997 AE12 met 68 dagen. Uit de lichtkromme van een planetoïde kan een driedimensionaal model ervan worden afgeleid.

Planetoïdemanen In 1993 is ontdekt dat ook planetoïden maantjes kunnen hebben. De eerste was Dactyl bij de planetoïde Ida. In 2025 waren er 584 van zulke maantjes bekend.

links|thumb|Radar opname van (357439) 2004 BL86 en zijn maan

Afstand tot de Zon Omlooptijd Planetoïden worden in groepen, ook wel planetoïdenfamilies genoemd, verdeeld op basis van hun gemiddelde afstand tot de Zon, halve lange baanas, symbool a. Dit is equivalent met een indeling naar hun omlooptijd T rond de Zon. De grenzen tussen de groepen worden gelegd bij omlooptijden die een eenvoudige verhouding hebben met die van planeten. In enkele gevallen is ook de kortste afstand tot de Zon, de periheliumafstand q, een indelingscriterium. Zo ontstaat de volgende indeling:

naam van de groep voorbeeld gemiddelde afstand tot de Zon a in AE omlooptijd (T, in jaar) opmerkingen aardscheerders (AAA's, Aten-Apollo-Amors) Atens Aten a < 1 AE T < 1 jaar   aardtrojanen en Cruithne's Cruithne a = 1 AE T = 1 jaar TAarde = 1 jaar Apollo's Apollo 1 < a < 1,52 AE q < 1 AE 1 < T < 1,88 jaar   Amors Dionysus 1 < q < 1,3 AE MTA's = Mars Trojanen Eureka a = 1,52 AE T = 1,88 jaar TMars = 1,88 jaar MC's = Mars Crossers Atami a >~ 1,52 AE 1,3 < q < 1,52 AE T >~ 1,88 jaar kruisen de baan van Mars   planetoïdengordel (MB = Main Belt) (door Kirkwood scheidingen onderverdeeld in zones; verder onderverdeeld in planetoïdenfamilies) Hungaria-familie Hungaria 1,52 < a < 5,20 AE a ~ 1,9 1,88 < T < 11,86 jaar T ~ 2,6   Flora-familie en MB I Vesta a = 2,064...2,501 T = 2,97...3,95 1/4...1/3 TJupiter MB IIa Juno a = 2,501...2,705 T = 3,95...4,45 1/3...3/8 TJupiter MB IIb Ceres a = 2,705...2,824 T = 4,45...4,74 3/8...2/5 TJupiter MB IIIa Psyche a = 2,824...2,957 T = 4,74...5,08 2/5...3/7 TJupiter MB IIIb Themis a = 2,957...3,277 T = 5,08...5,93 3/7...1/2 TJupiter Cybele-familie Cybele a = 3,277...3,700 T = 5,93...7,12 1/2...3/5 TJupiter Hilda-familie Hilda a = 3,700...3,969 T = 7,12...7,91 3/5...2/3 TJupiter JTA's = Jupiter trojanen Hektor a = 5,20 AE T = 11,86 jaar TJupiter = 11,86 jaar Centaurs Chiron a = 5,20...30,1 AE T = 11,86...164,8 jaar   NTA's = Neptunus Trojanen 2005 TN74 a = 30,1 AE T = 164,8 jaar TNeptunus = 164,8 jaar Kuipergordel = TNO's (Transneptunisch object) Pluto, plutino's Orcus a > 30,1 AE 39 < a < 40 T > 164,8 jaar T ~ 248 jaar baanresonantie (3:2) met Neptunus: T = 3/2 TNeptunus cubewano's (QB1's) Quaoar 41 < a < 48 T ~ 260...330 jaar T ~ 1,6...2 TNeptunus SDO's (Scattered disk objects) Eris a > 48 T > 330 jaar T > 2 TNeptunus; zeer excentrische banen

Een planetoïde met dezelfde omlooptijd rond de Zon als een planeet wordt quasisatelliet genoemd.

Omloopbaan Planetoïden volgen verschillende omloopbanen en worden ook op basis daarvan onderverdeeld. Plaats van hun omloopbaan tot de Aarde aardscheerders, planetoïden die de baan van de Aarde kruisen of zeer dicht naderen deze worden verder onderverdeeld in de Aten-groep, de Apollo-groep en de Amor-groep planetoïden die buiten de baan van de Aarde blijven (de meerderheid). planetoïden die volledig binnen de baan van de Aarde blijven; hiervan zijn 34 bekend (dit worden Apohel-planetoïden genoemd). Plaats van de omloopbaan tot andere planeten Marskruisende planetoïden Centaurs zijn planetoïden, die grotendeels uit ijs bestaan en om de Zon draaien tussen de banen van Jupiter en Neptunus Trojanen zijn planetoïden die zich in de Lagrangepunten L4 en L5 van planeetbanen (met name die van Jupiter) bevinden.