Praag (Tsjechisch: ) is de hoofdstad en grootste stad van de Centraal-Europese republiek Tsjechië. De officiële naam is hlavní město Praha, wat hoofdstad Praag betekent. De gemeente Praag vormt een eigen district, een okres, en regio, een kraj. Daarnaast is het de hoofdplaats van de regio Midden-Bohemen, hoewel de stad daar geen deel van uitmaakt.

Praag wordt als een van de mooiste steden van Europa beschouwd Advisory Body Evaluation Prague, UNESCO Werelderfgoedlijst, 26 september 1991 en het historische centrum staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. De Gouden Stad, zoals een van de bijnamen van Praag luidt, ligt aan de rivier de Moldau. Gedurende het bestaan van de staat Tsjecho-Slowakije van 1918 tot en met het jaar 1992 was Praag de hoofdstad van deze natie.

Geschiedenis De geschiedenis van het gebied van de huidige stad Praag beslaat een periode van meer dan tweeduizend jaar, waarin de stad uitgroeide van een Keltische nederzetting tot de multiculturele hoofdstad van de moderne Europese staat Tsjechië. De naam van de stad is waarschijnlijk afgeleid van het Tsjechische woord práh, dat dorpel betekent. Deze naam (Praha) zou aan de stad gegeven zijn vanwege de dorpels in de rivier de Moldau, die zorgden voor watervallen die veel lawaai maakten. De naam van de stad, Czech Republic - The Official Website Voor een compleet beeld is de lijst van heersers van Bohemen een goede aanvulling op de Praagse geschiedenis.

Vroege geschiedenis Het gebied waar het huidige Praag ligt, wordt al sinds het Paleolithicum bewoond. Archeologische opgravingen brachten talrijke vondsten op uit het Neolithicum en de brons- en ijzertijd. Rond 200 v.Chr. had de Keltische stam die zich de Boii noemde een oppidum ten zuiden van het huidige centrum, genoemd Závist. In de 1e eeuw na Christus werd de nederzetting binnengevallen door een Germaanse stam en overgenomen door de Marcomannen onder leiding van Maroboduus. Vanaf de 6e eeuw streken de Slaven neer in Bohemen en vestigden zij zich ook in het gebied waar Praag later gesticht zou worden. De belangrijkste nederzetting bevond zich bij Roztoky op de linkeroever van de Moldau, maar er zijn ook archeologische vondsten uit die tijd gedaan bij Bubeneč, Dejvice, Veleslavín en Bohnice. In de loop van de 8e en 9e eeuw werden de eerste stadsmuren aangelegd, bijvoorbeeld bij Bohnice en Butovice.

Hoge middeleeuwen De oudste aanwijsbare middeleeuwse nederzetting in het gebied van de huidige binnenstad is de Praagse burcht op de heuvel Hradčany (Hradschin). Dit kasteel werd in de eerste helft van de 9e eeuw door hertog Bořivoj van het vorstenhuis van de Přemysliden gesticht. Binnen de burcht werden aan het einde van de 9e eeuw en in de loop van de 10e eeuw de eerste christelijke kerken gebouwd. In dezelfde periode bestonden nederzettingen in het gebied van de huidige wijk Malá Strana.

Onder de Přemysliden werd het Praagse gebied meer en meer het politieke en economische centrum van het land. Onder het bewind van Boleslav II werd in 973 het Bisdom Praag opgericht. Het nieuwe bisdom werd onderdeel van het Aartsbisdom Mainz, terwijl Praag voordien behoorde tot het Bisdom Regensburg. Archdiocese of Praha (Prague), Catholic Hierarchy, David M. Cheney, 1996-2007 (versie 2.4.6)

In de eerste helft van de 10e eeuw werd aan de overzijde van de Moldau een tweede burcht gesticht, de Vyšehrad (hoge burcht). Rond 1070 maakte Vratislav II de Vyšehrad tot zijn residentie, terwijl die functie voordien voor de Praagse burcht was weggelegd. In de nieuwe burcht stichtte hij een aantal kerken, waaronder de Sint-Petrus-en-Pauluskerk. Deze laatste kerk bestaat nog steeds, maar het gebouw lijkt qua uiterlijk totaal niet meer op de middeleeuwse kerk. Het huidige gebouw stamt uit het einde van de 19e eeuw.

In de 11e en 12e eeuw streken Duitse en Joodse handelslieden alsmede inheemse ambachtslieden neer langs de Moldau, tussen de twee burchten. Een belangrijke reden voor het uitkiezen van juist deze locatie was dat hier een kruising lag van belangrijke handelswegen, en het bestaan van twee voorden door de Moldau. Sinds het einde van de 12e eeuw waren beide zijden van de rivier met elkaar verbonden door de stenen Judithbrug, die de opvolger was van houten voorgangers uit de 9e en 10e eeuw.

Stichting van de Praagse steden De Boheemse koning Wenceslaus (Václav) I gaf rond het jaar 1230 de grootste van de nederzettingen aan de Moldau (Vltava) de status van stad. Dit werd de koninklijke residentiestad van het koninkrijk Bohemen, waaruit samen met Moravië rond de stad Olomouc, het huidige Tsjechië groeide. De burchtstad, op de linkeroever van de Moldau, werd ommuurd en aan de muren ontstonden meerdere nederzettingen. In 1287 werden deze nederzettingen samengevoegden door een nieuwe ommuring omgeven en zo ontstond de Oude Stad (Staré Město, Altstadt) met autonome rechten volgens Maagdenburgs recht. Bohemen was inmiddels onderdeel van het Duitse Rijk geworden.

thumb|400px|Houtsnijwerk uit Die Schedelsche Weltchronik, 1493

De tweede helft van de 14e eeuw was een zeer belangrijke periode in de ontwikkeling van Praag. Tijdens de regeringstijd van Karel IV en zijn zoon Wenceslaus IV werd de stad snel belangrijker en groter. Het doel van de beide heersers was de uitbreiding van Praag tot de nieuwe residentie van het hele Duitse Rijk (Heilige Roomse Rijk). Nog tijdens de regeringstijd van zijn vader Jan de Blinde liet Karel IV in het jaar 1333 de door een brand vernietigde Praagse burcht herbouwen. Elf jaar later, op 30 april 1344, werd het bisdom van Praag gepromoveerd tot aartsbisdom, na de inzet van Karel IV. Daarbij begon in hetzelfde jaar de nieuwbouw van de Sint-Vituskathedraal.

In het jaar 1346 werd Karel tot koning van het Duitse Rijk gekozen en twee jaar later stichtte hij de eerste universiteit van Midden- en Oost-Europa (het Collegium Carolinum, de huidige Karelsuniversiteit). Deze universiteit betrok zijn docenten en studenten van het gehele midden en zuiden van het Duitse Rijk. Het aantal Tsjechische studenten uit de Boheemse landen zou een vierde van het totaal gaan bedragen. Karel IV stichtte in 1348 hij de Nieuwe Stad (Neustadt, of Nové Město) als de vierde van de Praagse steden. Ten slotte werd in 1357 een nieuwe stenen brug gelegd. Nadat de Judithbrug was ingestort werd de tegenwoordig nog steeds bestaande Karelsbrug gebouwd. In deze periode lag het inwoneraantal van de stad rond de 40.000, hiermee behoorde het tot de grootste steden van Europa.

Ook na de dood van Karel IV in 1378 bleef er in hoog tempo gebouwd worden in de vier steden. In 1400 hield dit echter op, toen Wenceslaus IV werd afgezet. Dit gaf een aanzienlijke terugslag in de ontwikkeling van Praag. Vooral toen in 1419 de Hussietische revolutie uitbrak en de stad, evenals vele andere steden tot ver in de Duitse landen, verwoestingen moest ondergaan ten gevolge van de strooptochten van de hussieten, de volgelingen van de revolutionaire hervormer Johannes Hus. In wezen ging het in Praag en andere steden om een opstand van de Tsjechische lagere volksklasse tegen het Duitstalige patriciaat. De hussieten namen met geweld de kerken in en verdreven een groot deel van de Duitstaligen, met name ook aan de universiteit. Hun vertrek verarmde de wetenschap in Praag en verrijkte die aan de omliggende universiteiten in Saksen en Beieren, met name die van Erfurt en Leipzig. Maar de Tsjechen kregen er dan wel een nationale universiteit voor terug. Toch verdween het Duitstalige element niet geheel. In de raadscolleges namen zij voor de revolutie de helft van de zetels in, verdwenen zij in de tijd van de revolutie, maar later in de 15de eeuw liep hun aantal weer op tot een derde.

Vroegmoderne tijd Na het vorstenhuis van de Luxemburgers - de opvolgers van de Přemysliden - nam dat van de Habsburgers in 1526 de macht over. Behalve over Oostenrijk heersten zij sindsdien over Bohemen, Moravië en Silezië en zouden zij ook het erfelijke keizerschap van het Duitse Rijk verwerven. De Habsburgers zouden tot 1918 zonder onderbreking het koningschap bekleden over Bohemen, en Praag tot de tweede hoofdstad van het Habsburgse Rijk maken.

In 1419 vond een sociaal-godsdienstige revolutie plaats, onder leiding van radicale hussieten. Zij was gericht tegen de Rooms-Katholieke Kerk en haar hiërarchie en tegen het met de Kerk verbonden stedelijke patriciaat. Dat patriciaat was Duitstalig en oorspronkelijk afkomstig uit Saksen, Beieren en Oostenrijk. Het beheerste ook de universiteit die in de revolutie van haar professoraat werd ontdaan, waarna veel studenten vertrokken naar universiteiten in Duitse landen, met name naar Leipzig. Moeizame onderhandelingen en geweldplegingen voerden tot de aanvaarding van de hussietische 'ketterij' zolang deze het oppergezag van Rome formeel bleef erkennen. Op de uiterst radicalen (de Boheemse Broeders) na schikten de hussieten zich als Utraquisten en kregen zij een eigen kerken en eigen predikanten. Rond 1500 begon een nieuwe bloeiperiode voor de stad, of liever de steden die tezamen Praag vormden.

In 1541 vernietigde een brand de gebouwen van de Hradčany en Malá Strana bijna volledig. In 1547 namen de Praagse steden deel aan de nieuwe Boheemse opstand van de Boheemse standen (gekozen vertegenwoordigers van de verschillende bevolkingsgroepen) tegen koning Ferdinand I, onder meer omdat deze hun autonomie wilde ontmantelen en de macht van de Rooms-Katholieke Kerk wilde herstellen. Na het neerslaan van de opstand verloren de steden voorlopig wel een groot aantal rechten en vrijheden, maar een grote mate van godsdienstvrijheid bleef bestaan en zou weer uitgebreid worden. Gedurende de 16e eeuw was het protestantisme sterk in opkomst in het gehele Duitse Rijk door de Lutherse reformatie die wel met Rome brak en de utraquisten verleidde tot een drastischer opstelling welke voorlopig niet werd bestreden door de koning en het hof. Praag raakte in een bijzonder dynamische, dat wil zeggen kosmopolitische ontwikkeling en mede door de toevloed van mensen uit de omringende landen verdubbelde de stadsbevolking zich ruim tot meer dan 60.000 inwoners en maakte van Praag een van de grootste Europese steden.

Het koninklijk hof als bestuurlijk centrum van Bohemen ontwikkelde een hofcultuur met internationale allure door kunstenaars aan te trekken uit de Nederlanden, de Duitse landen, inclusief Oostenrijk en uit Italië. Niet alleen deze buitenlanders, maar ook de Duitse taal en de katholieke gezindheid van het hof vergrootten de afstand tussen dit aristocratische landsbestuur en de Tsjechische burgerij, die in de stad een meerderheid vormde naast een toenemend aantal Duitstaligen. De verschillende gemeenschappen organiseerden zich afzonderlijk en daarom is hun numerieke aandeel vrij precies na te gaan: de Lutherse Duitsers, meest handelaren, groeiden tot een vijfde deel van de bevolking, de (katholieke) Italianen, meest architecten en kunstenaars in dienst van hof, Kerk en hoge adel, namen een tiende deel van de bevolking in. Ook een tiende deel vormden de Joden die het economisch verkeer en dan in het bijzonder de geldhandel in handen hadden. Zij woonden in de wijk (getto) Josefstadt (deze naam werd pas twee eeuwen later door de toenmalige keizer gegeven en heet nog steeds in het Tsjechisch Josefov). Ook de naam van het Gouden Straatje (Zlatá ulička) stamt uit deze tijd. In het straatje, in de wijk Hradčany bij de Praagse burcht probeerde de keizer volgens de legende alchemisten goud te laten maken. Goudmakers straatje, CitySupport Praag.NL