thumb|Kerkinterieur Gereformeerde Gemeente in Ned. te Barneveld thumb|Gereformeerde Gemeente in Nederland De Beek-Uddel thumb|Ds. F. Mallan was jarenlang hét gezicht van Gereformeerde Gemeenten in Nederland thumb|Ontstaan van de verschillende stromingen in Nederland thumb|Ontstaansgeschiedenis van kerken in Nederland De Gereformeerde Gemeenten in Nederland (GGiN) vormen een kerkgenootschap van bevindelijk gereformeerd karakter, dat ontstaan is in 1953 na een scheuring in de Gereformeerde Gemeenten. Het kerkverband bestaat uit 49 Nederlandse gemeenten, drie gemeenten in Noord-Amerika (deze staan bekend als Reformed Congregations in North America), en een gemeente in Pretoria (Zuid-Afrika). Per 1 januari 2026 telde het kerkverband 22.911 leden.Kerkelijk jaarboek Gereformeerde Gemeenten in Nederland 2026

Geschiedenis Bij het ontstaan van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland speelden de gebeurtenissen rondom twee predikanten R. Kok en C. Steenblok in de periode 1943-1953 een belangrijke rol. De directe aanleiding tot het ontstaan van het kerkverband vormde de afzetting van Steenblok als docent aan de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten te Rotterdam. Toen Steenblok in 1943 tot het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten overkwam zag dominee Kersten in zijn academische achtergrond een aanwinst. Na het overlijden van Kersten in 1948 werd hij als docent ontslagen omdat zijn onderwijs "te eenzijdig zou zijn." miniatuur|Kerkgebouw te Opheusden

Kok Een van de eersten die kritiek had geuit op de theologische visie van Steenblok was diens collega-predikant Kok. Bepaalde stellingen die hij zelf innam en ook bezwaren hadden opgeroepen herriep hij op de classicale vergadering van 1 juni 1948. Een deel van zijn gemeente in Veenendaal, waaronder M. van Beek (de latere predikant), ging afzonderlijke diensten beleggen, hetgeen leidde tot de instituering van een tweede gemeente in Veenendaal (vanaf 1953 Gereformeerde Gemeente in Nederland). Op 28 september 1949 werd dit besluit door de synode geautoriseerd.

Op 11 en 12 januari 1950 werd op een spoedeisende synode een boekje van Kok over het aanbod van genade veroordeeld op grond van de volgende punten:

Vereenzelviging van de beloften van het genadeverbond alleen voor de uitverkorenen en de aanbieding van het evangelie die tot allen komt die het Woord horen. Verwarde voorstelling inzake het gebruik van Wet en Evangelie in de uitwendige roeping. Verwarde verbondsbeschouwing. "Alle gedoopten wordt de toezegging gedaan, in het genadeverbond zijn." "Met een wettische eis wordt bij hem aangezet, om te geloven, in plaats dat door de eis, als element van de wet, als kenbron van ellende, ontdekt wordt aan de staat van ellende."

Omdat Kok bleef vast houden aan de stelling "dat de beloften van het genadeverbond gelijk staan aan de aanbieding van het evangelie" werd hij geschorst voor de duur van een half jaar. Kok besloot zich los te maken van het kerkverband en werd in 1956 met zijn gemeente toegelaten tot het kerkverband van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Een ander deel van de gemeente was het met deze aansluiting niet eens en zij vormden toen opnieuw een Gereformeerde Gemeente in Veenendaal.

Steenblok In 1944 was er kritiek gekomen op de visie van Steenblok op de algemene genade. De voortgezette vergadering van de generale synode van 20 september 1945 deed uiteindelijk een uitspraak over dit leerstuk. Na het vertrek van Kok waren de onderlinge spanningen nog niet opgelost. Op de voortgezette generale synode van 13 april 1950 kwam er bezwaar op de wijze van doceren door Steenblok op de Theologische School en op zijn mening "dat de geschriften van de Erskines en Boston met een remonstrantse draad van de algemene verzoening doortrokken zijn." In zijn voorstelling "dat er alleen een aanbod van genade is aan bewuste zondaren en niet aan allen die onder het Woord leven" kon A. Vergunst zich niet vinden. De term voorwaardelijk aanbod van genade werd hiermee geïntroduceerd. Men wilde hiermee voorkomen dat de remonstrantse leer van de algemene verzoening voet aan de grond kreeg: "God heeft alle mensen lief. De Heere Jezus is voor alle mensen gestorven. Het ligt aan onze keuze of we behouden worden."

Volgens F. Mallan, jarenlang het gezicht van het kerkverband, "was Steenblok het inderdaad wat betreft het bevindelijke element bij de Erskines ten volle met hen eens, maar wat betreft hun visie op het aanbod van genade kon hij het niet eens met hen zijn." De Erskines zouden het Amyraldisme hebben overgenomen. Dat was een richting die de remonstrantse en contra-remonstrantse leer wilde verbinden." Over de persoon Steenblok sprak Mallan met achting: "Hij had een stipt leven. Ik liep met hem over straat. Er liepen een paar meisjes achter ons, die Gods Naam misbruikten. Hij keerde zich om en vermaande ze ernstig. Hij schaamde zich voor geen mens: in de trein niet, in de tram niet, in de bus niet, hij kwam er altijd voor uit. Dat gaf mij achting voor die man. Mijn achting is altijd nog gestegen voor hem. Ik ben bij zijn sterfbed geweest. Daar lag geen doctor, maar een arme zondaar." Ook zijn prediking bleef volgens Mallan van blijvende betekenis: "We vinden daarin niet alleen een zuivere bevindelijke gang, maar in de toepassing worden ook de onbekeerden op een liefderijke wijze aangesproken, en hen de weg en de mogelijkheid der bekering aangewezen."Interview met ds. F. Mallan. In het spoor van dr. Steenblok én ds. Kersten Reformatorisch Dagblad, 1 februari 1994

Tijdens de generale synode in Utrecht in de zomer van 1953, bracht J. van den Berg predikant te Krabbendijke het onderwijs van Steenblok opnieuw ter sprake. De synode besloot tot stemming over te gaan ondanks het protest van een aantal synodeleden die hierop de vergadering verlieten. De synode onthief Steenblok met 24 stemmen voor en geen stemmen tegen van zijn functie als docent "wegens diens eenzijdigheid in het geven van onderwijs." Steenblok kreeg niet de gelegenheid om zich te verdedigen en de predikanten D.L. Aangeenbrug, F. Mallan, M. van der Ketterij, C. Steenblok, met de ouderlingen Vermeulen, Bas (Alblasserdam) en Hage keerden niet terug op de synode. De volgende dag werd door de synode het curatorium ontbonden en de predikanten Aangeenbrug, Mallan en ouderling Bas niet meer gekozen. Aan hen werd door de synode een ultimatum gesteld die bestond uit Terugneming van de onbetamelijke woorden die zijn gesproken Erkenning van het onkerkrechtelijke van het verlaten van de vergadering Het betuigen van leedwezen over het optreden Het erkennen en aanvaarden van de genomen besluiten.

Toen hierop werd geantwoord dat aan die eisen niet kon worden voldaan, sprak synodevoorzitter A. Verhagen: "Dan hebt u zich hierdoor buiten het verband van de Gereformeerde Gemeenten gesteld." Volgens Mallan was er sprake van "een complot". "Wij hebben ons niet afgescheiden." "Er bleef niets anders over dan de synode te verlaten. Er was een sterke weerstand tegen Steenblok."

Vorming kerkverband In de beginperiode had het kerkverband vijf predikanten. In 1956 voegden, na pogingen aangewend te hebben om de geslagen breuk te helen, de predikanten T. Dorresteijn (1894-1965) en H. Ligtenberg (1887-1965) zich alsnog bij de "uitgetredenen."

Toen ds. A. van Straalen (1918-1992) naar Noord-Amerika vertrok en ds. M. van Beek (1921-1983) was overleden, werden de meer dan vijftig overige Nederlandse gemeenten door Mallan als enige predikant van het kerkverband gediend. Tot zijn overlijden in 2010 had hij een gezichtsbepalende rol in het kerkverband en was lange tijd hoofdredacteur van het kerkelijk weekblad van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, De Wachter Sions. Dit blad verscheen vanaf 28 augustus 1953.

In 1980 kwamen drie predikanten A. van den Berg, J. de Groot en A. Wink met ongeveer 3000 leden buiten het kerkverband te staan. De aanleiding tot deze gebeurtenis was de schorsing van ds. Van den Berg die zou stellen "dat van wedergeboorte pas sprake kan zijn bij de bewuste geloofskennis van Christus." De Groot en Wink steunden hem en gingen met hem mee. Ze namen zeven gemeenten in Gouda, Veenendaal, Rijssen, Nieuwerkerk, Dinteloord, IJsselmuiden en Middelburg met zich mee. In 2008 en 2009 keerden de meeste buitenverbandgemeenten geheel of gedeeltelijk terug naar de Gereformeerde Gemeenten in Nederland.Opnieuw flinke groei voor GGiN. Gearchiveerd op 21 juni 2023.

Karakter van het kerkverband Liturgie Evenals andere reformatorische kerkgenootschappen houden de Gereformeerde Gemeenten in Nederland vast aan het gezag van de Bijbel, samengevat in de Apostolische geloofsbelijdenis, Geloofsbelijdenis van Nicea, de Geloofsbelijdenis van Athanasius en de Drie Formulieren van Enigheid. Liturgisch wordt in de eredienst vastgehouden aan de Statenvertaling van de Bijbel en de psalmberijming van 1773. Er zijn enkele gemeenten (in de provincie Zeeland) waar de Psalmen van Datheen gezongen worden. Overal worden de psalmen niet-ritmisch gezongen.

Prediking en verbondsbeschouwing Wat betreft de prediking typeerde Mallan: "Men noemt ons lijdelijk. Gelukkig, dat er in de Bijbel staat dat God gevonden is van hen die naar Hem niet hebben gevraagd. Tot degenen die niet naar Hem hebben gezocht, heeft Hij gezegd: Ziet hier ben Ik. Ziet hier ben Ik. Zeker, we moeten vragen om bekering en in die weg is er wel van een zoeken sprake, maar van een oprecht zoeken niet, want dat moet door God gewerkt worden. Daar moeten we dan toch aan vasthouden."

Over het onderwerp de orde des heils zijn 2 brochures verschenen (auteur ds. J. Roos) waarin benadrukt wordt: "de noodzaak van het plaatsmakende werk van Gods Geest voor de kennis van Christus, en anderzijds het voortgaande werk van Gods Geest, in het leren van nadere weldaden." "De Bijbelse lijn van ellende, verlossing en dankbaarheid." Gezelschappelijke onderscheidingen en uitdrukkingen "die we bij de oude schrijvers ook niet terugvinden" worden afgewezen. De bronnen waarnaar verwezen wordt zijn, naast de Bijbel en de belijdenisgeschriften, Johannes Calvijn, Zacharias Ursinus, Thomas Brooks, John Bunyan, Wilhelmus à Brakel, Jodocus van Lodenstein en Alexander Comrie.

In 2021 gaf de synode een brochure uit waarin wordt uitgelegd "dat er sprake is van twee verbonden met betrekking tot de eeuwige bestemming van de mens: het werkverbond en het genadeverbond." Benadrukt wordt welke voorrechten en plichten het meebrengt om op de erf van het genadeverbond te zijn geboren en te leven en de noodzaak om wezenlijk deel te krijgen aan het genadeverbond door de wedergeboorte. Men keert zich tegen de gedachte: "dat alle kinderen van gelovige ouders, die ten doop gehouden worden, in het verbond begrepen zijn en daarin blijven als zij de eis van bekering en geloof maar inwilligen.”

Actueel Binnen het kerkverband wordt afstand genomen van moderne theologische opvattingen zoals 'schepping door evolutie.' L. van der Tang, een opiniemaker binnen het kerkverband, wijst op oorzaken waarom volgens hem velen deze denkbeelden willen omarmen. "De wetenschap als afgod: vanwege het feit dat God in veel levens op een afstand is komen te staan, verwereldlijking: door het accepteren van de evolutietheorie kunnen orthodox-christenen weer meedoen in de moderne samenleving, en het postmoderne denken waarin velen op het gevoel met de mening van de meerderheid meevaren. Van der Tang ziet ook een afnemend geestelijk leven, waardoor er minder persoonlijke doorleving is van de geloofsleer waar het bij oorsprongsvragen om draait."https://www.rd.nl/opinie/geest-van-ongeloof-en-evolutie-1.1439029. Gearchiveerd op 1 december 2020.