De Protocollen van de wijzen van Sion zijn een fictief verslag van een vergadering van joodse leiders, die in 1897 zou hebben plaatsgevonden in Bazel.
Deze joodse leiders (wijzen van Sion) zouden bijeen zijn gekomen om de christelijke maatschappij omver te werpen. Ook zouden zij plannen hebben gesmeed voor een joodse wereldheerschappij; de "Protocollen" beschrijven hoe deze verwezenlijkt zou moeten worden. Het geschrift werd en wordt daarom graag geciteerd door antisemieten om er het 'joodse gevaar' mee aan te tonen.
Omdat de Protocollen ook de vrijmetselarij vernoemen, achtte men het bestaan van een Joods-maçonnieke samenzwering bewezen.
Voorgeschiedenis De oorsprong ligt in een tegen de Franse keizer Napoleon III gericht strijdschrift, getiteld: Dialoog in de hel tussen Montesquieu en Machiavelli. Dit werd geschreven in 1864 (en uitgegeven in Brussel) door de naar België uitgeweken Franse advocaat Maurice Joly, die hiermee de machtshonger, antisociale ideeën en imperialistische houding van Napoleon III hekelde. Via een Russische diplomaat kwam de tekst veel later onder de aandacht van de Ochrana, de Russische geheime dienst, die het uitstekend kon gebruiken in zijn politiek om de joden aan te wijzen als zondebok voor de rampzalige toestanden op dat moment in het Russische Rijk.
Een andere bron voor de Protocollen is de roman Biarritz uit 1868 van Hermann Ottomar Friedrich Goedsche, een Pruis die schreef onder de naam Sir John Retcliffe.
Samenstelling van de Protocollen Men selecteerde ongeveer de helft van de tekst van dit geschrift, verving daar overal Napoleon III door joden en Frankrijk door wereld, en voegde er nog een aantal stukken tekst van eigen makelij aan toe. In die tijd, het eind van de 19e eeuw, kwam de beweging van het zionisme op gang en de Russische opstellers van de Protocollen speelden hier handig op in. Men beweerde dat bijeenkomsten en congressen die Theodor Herzl, onder anderen, organiseerde in werkelijkheid bijeenkomsten van joodse samenzweerders waren die plannen smeedden om de wereld in hun macht te krijgen.
In 1905 werd het pamflet in Rusland gepubliceerd door de Rus Sergej Niloes, een agent van de Ochrana. Russische conservatieven en ook de Russisch-Orthodoxe Kerk gebruikten onmiddellijk deze Protocollen als rechtvaardiging voor hun antisemitische doeleinden. Al snel werd echter duidelijk dat de Protocollen verzonnen waren.
Hoofdstukken van het boek
Ontmaskering als vervalsing
Eerdere signalen (1920) Al vóór de grote doorbraak in de ontmaskering wees de Engelse joods-liberale journalist Lucien Wolf in 1920 op overeenkomsten tussen de Protocollen en eerder gepubliceerd fictief materiaal, waaronder de roman Biarritz van Goedsche. Hij publiceerde zijn bevindingen in Londen, maar zijn werk kreeg aanvankelijk beperkte weerklank.
Onderzoek van The Times (1921) De eerste en meest invloedrijke publieke ontmaskering vond plaats in augustus 1921, toen The Times een driedelige reeks artikelen publiceerde van zijn correspondent in Constantinopel, Philip Graves. Graves had via een anonieme Russische emigrant – naar later bleek met bemiddeling van de toekomstige CIA-directeur Allen Dulles – een exemplaar verkregen van Joly's Dialoog in de hel. Door passages uit beide teksten naast elkaar te plaatsen, toonde hij aan dat grote delen van de Protocollen er vrijwel letterlijk uit waren overgenomen, met slechts systematische vervanging van de namen. The Times concludeerde dat de tekst "in hoofdzaak een onhandige plagiaat" was en dat "er geen twijfel kan bestaan dat de vervalsing gepleegd werd door een lid van de Russische geheime politie". De onthulling van Graves wordt algemeen beschouwd als de eerste doorslaggevende publieke weerlegging van de Protocollen.
Het Bern-proces (1933–1937) miniatuur|Het Bern-proces, waarin een Zwitserse rechtbank vaststelde dat de Protocollen een vervalsing en plagiaat waren. In juni 1933 deelde de Zwitserse extreemrechtse organisatie Bund Nationalsozialistischer Eidgenossen de Protocollen uit tijdens een bijeenkomst in Bern. De Schweizerischer Israelitischer Gemeindebund en de Israelitische Kultusgemeinde Bern spanden hierop een rechtszaak aan. Het proces, dat internationaal sterk gevolgd werd, draaide inhoudelijk volledig om de vraag of de Protocollen authentiek of vervalst waren. Beide partijen lieten deskundigen optreden: voor de eisers verklaarden C.A. Loosli en Arthur Baumgarten de tekst een plagiaat en een Ochranaproduct; de door de gedaagden ingebrachte antisemitische expert Ulrich Fleischhauer, gefinancierd door de nazi-overheid, beweerde dat de Protocollen echt waren. Op 14 mei 1935 deed rechter Walter Meyer uitspraak: hij verklaarde zich ervan overtuigd dat de Protocollen een vervalsing en Schundliteratur waren die tot misdaden kon aanzetten. De gedaagden werden schuldig bevonden en veroordeeld tot een symbolische boete. In hoger beroep werden zij in 1937 vrijgesproken op puur formele gronden – het begrip Schundliteratur in de Berner wet bleek juridisch alleen van toepassing op obscene, niet op politieke publicaties – maar de inhoudelijke vaststelling dat de Protocollen een vervalsing zijn, bleef onaangetast.
Vermoedelijk auteurschap Moderne onderzoekers wijzen de Ochrana-agent Matvej Golovinski aan als meest waarschijnlijke opsteller van de Russische tekst. Al in 1921 had prinses Catharina Radziwill in een lezing in New York verklaard dat de Protocollen in 1904–1905 waren samengesteld door de Russische journalisten Golovinski en Manasevich-Manuilov, in opdracht van Pjotr Ratsjkovski, hoofd van de Russische geheime dienst in Parijs. In 1944 bevestigde de Duitse schrijver Konrad Heiden Golovinski als vermoedelijke auteur. De Russische historicus Michail Lepekhine publiceerde in 1999 in het Franse weekblad L'Express aanvullend archiefonderzoek dat deze toeschrijving verder onderbouwde.
Uitgaven In 1905 werd de tekst voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift Znamya. In 1922 publiceerde Ludwig Müller von Hausen onder het pseudoniem Gottfried zur Beek een invloedrijke Duitse vertaling, die verscheen op een uiterst gevoelig moment: na het Verdrag van Rapallo, dat door uiterst rechts werd gezien als een samenzwering van Duitse en Russische joden, en de moord op Walther Rathenau.
Een meermaals uitgegeven versie is de Franstalige versie van R. Lambelin, vanaf november 1967 uitgegeven door Faëz Ajjaz bij de Presses Islamiques de Beyrouth. Ajjaz beweerde correspondent te zijn van het Franse persagentschap AFP en men vermoedt dat hij een Syriër is die nauwe banden onderhield met Saoedi-Arabië en zowel islamisten als Palestijnse terroristen in Libanon. De uitgever heeft andere antisemitische boeken op zijn lijst staan en wordt door het Belgisch gerecht ook in verband gebracht met extreemrechts in Vlaanderen (Westland New Post, de Bende van Nijvel en Latinus).Parlementair onderzoek naar de noodzakelijke aanpassingen van de organisatie en de werking van het politie- en justitiewezen op basis van de moeilijkheden die gerezen zijn bij het onderzoek naar de "Bende van Nijvel", verslag onderzoekscommissie Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers, 14 oktober 1997
In Duitsland is verbreiding van het boek strafbaar.
Nederland en België In Nederland verscheen in 1938 een vertaling van de hand van Jan Stoutenburg (pseudoniem van de NSB'er Johan Nijsse) met een inleiding van de pro-Duitse wiskundige Pieter Molenbroek.Datering naar Zaans Volksblad, 7 mei 1938. Beide mannen waren actief in het Comité tot Bestudering van het Joodsche vraagstuk dat de brochure uitgaf. Een herdruk verscheen nog hetzelfde jaar; tegelijkertijd werd het boekje ook in België uitgegeven door de anti-joodse organisatie Volksverwering te Antwerpen-Borgerhout. Tussen 1941 en 1943 verschenen nog eens vijf uitgaven, waarvan de eerste verzorgd door het antisemitische blad De Misthoorn, de overige door de nationaalsocialistische uitgeverij Westland te Amsterdam. Een jaar eerder al verscheen een vertaling van de hand van de nationaalsocialisten Lode Welter en Emiel Francken onder de titel Het Jodendom ontmaskerd als aartsvijand. Een vertaling uit het Engels, die sinds 1933 op de plank lag, verscheen in 1941 bij de Vlaamse uitgever Joris Lannoo uit Tielt. Een Franstalige editie verscheen in 1935.
Nederlandstalige edities – tekstvertaling door Johan Nijsse (pseudoniem Jan Stoutenburg), met een inleiding van Pieter Molenbroek; 2e druk 1938; 3e druk: De Misthoorn (Amsterdam), 1941.
Invloed Gedurende de hele twintigste eeuw maakten antisemitische bewegingen wereldwijd gebruik van de Protocollen als schijnbaar bewijs voor een joods wereldcomplot. Ondanks herhaalde ontmaskering als vervalsing bleven zij circuleren – in steeds wisselende vormen en contexten, aangepast aan lokale omstandigheden en actuele gebeurtenissen. In het Midden-Oosten worden de Protocollen nog altijd op grote schaal verkocht als historisch document.
Rusland en Oost-Europa In het Russische Rijk dienden de Protocollen al snel na publicatie als rechtvaardiging voor geweld tegen joden. De Ochrana gebruikte antisemitisme en xenofobie als wapen tegen de Russische revolutionaire beweging en verspreidde de Protocollen om revolutionaire ideeën te bestempelen als een complot tegen de christenen. De beruchte antisemitische organisatie Zwarte Honderd gebruikte het geschrift om de pogroms op de Russische joden te rechtvaardigen.
Na de val van de Sovjet-Unie herleefde het gebruik van de Protocollen in Rusland. In 1993 gaf de Russisch-orthodoxe metropoliet Ioan van Sint-Petersburg en Lagoda zijn zegen aan een herdruk van de Protocollen. In datzelfde jaar spande de antisemitische organisatie Pamjat een rechtszaak aan tegen een joodse krant die hen van antisemitisme had beschuldigd vanwege verspreiding van de Protocollen – een zaak die de rechter zonder inhoudelijk oordeel afwees.
Duitsland In de vroege jaren twintig werd Adolf Hitler door de NSDAP-ideoloog Alfred Rosenberg geïntroduceerd in de Protocollen. Hitler verwees naar de Protocollen in zijn vroegste politieke toespraken en schreef erover in zijn autobiografie Mein Kampf (1925). De nazi-top was zich bewust van de vervalsing, maar beschouwde de ideologische bruikbaarheid als doorslaggevend. Propagandaminister Joseph Goebbels schreef in zijn dagboek dat hij geloofde in de "innerlijke, maar niet de feitelijke waarheid" van de Protocollen, en concludeerde na herlezing in 1943 dat ze uitstekend bruikbaar waren voor de propaganda. De centrale uitgeverij van de NSDAP bracht tussen 1919 en 1938 tweeëntwintig edities van de Protocollen uit. Na de machtsovername in 1933 werden de Protocollen ook ingezet in het schoolonderwijs ter indoctrinatie van leerlingen.
Verenigde Staten miniatuur|Omslag van The International Jew (1920), een reeks artikelen van Henry Ford die sterk op de Protocollen was gebaseerd. In 1920 publiceerde autofabrikant Henry Ford in zijn krant The Dearborn Independent een reeks van 91 artikelen gebaseerd op de Protocollen, later gebundeld als The International Jew. Het werk werd in minstens zestien talen vertaald en door zowel Hitler als Goebbels geprezen. Ford bood in 1927 publiekelijk zijn excuses aan na een smaadrechtszaak en gaf opdracht de verspreiding te staken; buitenlandse uitgevers negeerden dit echter. Hij sprak later wel zijn waardering uit voor nazi-Duitsland.
In de jaren dertig citeerde de populaire radiopriester Charles Coughlin gedeelten uit de Protocollen in zijn blad Social Justice. In augustus 2020 moest Mary Ann Mendoza, lid van de campagneadviesraad van president Donald Trump, zich terugtrekken als spreker op de Republikeinse Nationale Conventie, nadat zij via sociale media een uitgebreide thread had verspreid die direct verwees naar de complottheorie uit de Protocollen.
Midden-Oosten