De Hettitische mythologie betreft het geheel van Hettitische mythen en geloofsovertuigingen. De mythologie is zeer uitgebreid en van verschillende herkomsten. Hoewel de Hettiten een Indo-Europees volk waren, bestond hun mythologie ook deels uit niet-verwante, Semitische, Mesopotamische mythologie en autochtone (Hattische) Anatolische mythologie.
Historisch kader thumb|501x501px|Het Hettitische rijk (blauw), Egyptische rijk (geel), Assyrische rijk (groen) en het Myceense cultuurgebied (paars) omstreeks 1400 v.Chr. De Anatolische tak van de Indo-Europese taalfamilie bestaat onder andere uit het Hettitisch (ook: Hittitisch), het Luwisch en het Palaïsch, en is de vroegst gedocumenteerde groep van de Indo-Europese talen. Naar eigennamen uit de groep wordt rond 2000 v.Chr. al verwezen in Assyrische handelsovereenkomsten. In de loop van het tweede millennium v.Chr. is Hettitische materiaal (in spijkerschrift en hiëroglyfen) in ruime mate beschikbaar, zodat hun cultuur betrekkelijk goed bekend is.Mallory & Adams 2006, pp. 28-31. Het is dan ook vanaf de vroege zeventiende eeuw, in de late bronstijd, dat de Hettitische macht gevestigd wordt en de Hettitische koningen in de loop van vijf eeuwen het grootste deel van Anatolië veroveren en beheersen vanuit hun hoofdstad Hattusa,Bryce 2004, p. 8. waar meer dan 10.000 kleitabletten opgegraven zijn met onder andere literatuur en mythologische informatie.Hooke 1976, p. 95. Een groot deel van de tekstuele bronnen stamt uit het Nieuwe Koninkrijk, ca. 1350-1200 v.Chr., bestaande uit rituele voorschriften, koninklijke annalen, gebeden, traktaten, correspondentie, ambtelijke instructies, orakels, teksten over voortekens en enkele teksten over mythen. De meeste mythen zijn echter overgenomen van niet-Indo-Europese bronnen.West 2007, pp. 12-13. Daarnaast laat archeologisch en schriftelijk materiaal zien dat de Hettieten tempelcomplexen kenden in steden, maar ook elders tempels hadden, die onderhouden werden door priesters.Collins 2007, pp. 160-162.
Door de grootte van het rijk en door handel was de Hettitische cultuur geenszins geïsoleerd, maar vond veel intercultureel contact plaats. Daar komt bij dat de Hettieten behoorlijk tolerant waren in politiek, sociaal en cultureel opzicht.Bryce 2004, p. 136. Als een nieuw gebied veroverd werd, dan werden de plaatselijke godenbeelden overgebracht naar Hettitische tempels. De veroverden konden zodoende niet langer een direct beroep doen op hun goden, wat een symbool van dominantie van de veroveraar was. Het laat tevens de neiging tot assimilatie zien, en de veroverde goden bleven dan ook aanbeden. Dat werd vergemakkelijkt doordat er geen theologische dogmatiek bij de Hettieten bestond.Bryce 2004, pp. 135-136. Vandaar dat niet-Hettitische, mythologische elementen uiteindelijk alom aanwezig waren in de Hettitische mythologie. Met name vanaf 1400 werd de Hettitische godsdienst meer en meer beïnvloed door in het bijzonder de Hurrieten, en werden grote delen van het Hurritische pantheon (via Kizzuwatna) overgenomen.Mallory & Adams 1997, p. xix; Leick 2003, p. 81, p. 84. Samen met de incorporatie van de Luwische goden leidde dit tot een forse expansie van het pantheon, iets waar schrijvers enige orde in probeerden aan te brengen door het opstellen van godenlijsten. Hierin werden de goden dan geclassificeerd naar functie, zoals dKAL, 'beschermende goden'.Leick 2003, p. 83.
De neiging tot assimilatie en interculturele uitwisseling leidde tot een syncretistische en extreem polytheïstische mythologie/godsdienst. Het pantheon bestond dan ook niet uit tientallen, maar uit honderden godheden, uiteenlopend van grote en machtige tot kleine, lokale wezens. Bij de overname van uitheemse goden werd geen of nauwelijks moeite gedaan tot samensmelting en identificatie met reeds bekende goden; ze bleven naast elkaar bestaan. Veel oude rituelen en mythen van de Hattiërs, de oorspronkelijke bewoners van het Hettitische gebied, bleven onder het Hettitische bewind ook voortbestaan, waarbij de namen van een aantal van hun goden bewaard is gebleven.Leick 2003, pp. 79-80. Veel moeite tot herstructurering vond lange tijd nauwelijks plaats. Puduhepa, de vrouw van koning Hattusili III (ca. 1266-1236 v.Chr.) en tevens opperpriesteres, deed dit wel. In het bijzonder identificeerde ze Hettitische goden met Hurritische. Ze was zelf dan ook Hurritisch. Deze syncretiserende onderneming had het praktische doel van godenreductie. Ze is tevens een teken van toenemende invloed van Hurritische cultuur en diende tot een versterkend gevoel van eenheid binnen het rijk.Bryce 2004, pp. 136-138. Toch maakten de Hettieten zich over het algemeen nauwelijks druk om het grote, verwarrende pantheon, hoewel lange lijsten van godheden werden opgesteld.Gurney1954, p. 132. Het was in hun ogen wellicht beter voor alle zekerheid elke godheid met de nodige eerbied te behandelen, dan om ze te verwerpen, met mogelijke rampspoed tot gevolg. Men was wat dat betreft behoorlijk pragmatisch en functioneel gericht, met weinig aandacht voor theologische speculatie.Bryce 2004, p. 145. Gedurende het Nieuw-Hettitisch koninkrijk (1430 - 1200 v.Chr.), toen de centralisatie van het rijk werd ingezet, werd er een meer algemeen Hettitisch pantheon gevormd waarvan de stormgod Teshub aan het hoofd kwam te staan.
Godsbeeld thumb|338x338px|Hettitisch beeldje van een zittende god, 13e eeuw v.Chr. De Hettitische goden werden voorgesteld als menselijk van karakter en meestal ook in vorm. Ze hadden dezelfde emoties als mensen, genoten van dezelfde vleselijke lusten en van dezelfde muziek. Toch was hun uiterlijk niet altijd bekend of zichtbaar. Vaak werd naar hen verwezen door middel van speciale voorwerpen zoals totems (huwasi) en soms abstracte beschrijvingen. Zo zijn de zonnegodin Arinna en haar dochter Mezzulla weleens als de gouden en zilveren schijf omschreven. Theriomorfische aanbidding kwam echter niet voor. Weliswaar is de Stormgod afgebeeld geweest als een stier, maar in dat geval was de stier slechts een symbool.Bryce 2004, p. 156. Als ze werden afgebeeld als mens, dan werden godinnen meestal in profiel afgebeeld, en goden met hun hoofd van voren en hun lijf in profiel. Verder waren ze van postuur niet te identificeren.Bryce 2004, p. 160. Daarvoor hadden ze attributen: een wapen of ander voorwerp in de rechterhand, een symbool in de linkerhand, vleugels of andere toevoegingen, of een heilig dier.Gurney 1954, p. 133.
De Hettiet moest doelbewust tot de goden bidden om hun aandacht te trekken. De goden hoefden nu eenmaal niet altijd te luisteren. Goden werden gezien zoals een meester door een dienaar: hun grillen bepaalden het wel en wee van de mensen, zodat de mensen goed rekening moest houden met de behoeftes en het eergevoel van de goden. Bovendien maakten de goden zich druk om het goede gedrag van de mens: wie goed naar de goden luisterde en hun regels naleefde, kon zeker zijn van hun zegening, uitgedrukt in het concept para handantatar. Daar stond echter tegenover dat de god, als meester, ook zijn best moest doen om de mens tevreden te houden, anders kon hij zijn aanbidding verliezen. Tijdens gebeden werd dan ook niet nagelaten goden te wijzen op het uitblijven van bijvoorbeeld hun gunsten.Bryce 2004, p. 139. Een eigenaardigheid van het Hettitische godsbeeld is voorts dat men het niet vreemd vond dat een god zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen had, afhangend van de rol die de god vervulde in een bepaalde context.Bryce 2004, p. 142.
Daarnaast werden de goden voorgesteld als alomtegenwoordig. Dat betekende niet dat een bepaalde god overal aanwezig was en alles wist, maar dat de hele wereld vol was van goden en goddelijke activiteit. Het pantheon was dan ook heel groot, en toch ook hiërarchisch. Er waren enkele oppergoden, waarna allerlei andere groepen volgden, tot en met kleine boom-, bron- en riviergeesten. De lagere wezens konden soms dienen als boodschappers tussen de mensen en de hogere godenBryce 2004, pp. 145-146. Op de hoogste goden na hadden de goden hun woningen in de tempels, die van lagere goden de vaste verblijfplaats vormden. De hogere goden hadden echter hemelse paleizen en konden zich vrijelijk bewegen door de kosmos.Bryce 2004, p. 154.
Pantheon Het is niet mogelijk een volledige beschrijving van het Hettitische pantheon te geven. Dat komt door de grote hoeveelheid goden, het gebrek aan een officiële structuur in de godsdienst, en doordat vaak niet meer dan een naam bekend is. Tevens is het niet altijd eenvoudig om bijvoorbeeld Indo-Europese elementen te onderscheiden van Semitische en overige elementen. Zo kwamen de Mesopotamische goden Išhara, Anu, Antu, Enlil, Ninlil, Ea en Damkina het Hettitische godendom binnen via de Hurrieten. Andere in de godenlijsten opgenomen goden van Babylonische oorsprong waren Allatum en Marduk. Daarbij komt dat sommige goden alleen bekend zijn uit enkele teksten van een bepaald genre. Zo zijn Mah (Moedergodin), Mezulla, Halmasuit en Sarruma alleen bekend uit gebeden en rituele teksten. Soms is het verder niet duidelijk hoe een naam eigenlijk werd uitgesproken, doordat in het Hettitische spijkerschrift sumerogrammen en akkadogrammen gebruikt werden, dat wil zeggen tekens voor Sumerische en Akkadische woorden die Hettitisch werden uitgesproken.Mallory & Adams 1997, p. xv, p. xxiv. Die situatie is vergelijkbaar met de Engelse afkorting lb, van het Latijnse libra, 'pound'.
Indo-Europese residuen In meerdere Indo-Europese tradities is sprake van een ouder godenras dat vervangen werd door een jongere groep goden, zoals de Titanen door de Olympiërs in de Griekse mythologie. Dit thema komt voor in de Hettitische mythologie, waar toespelingen gemaakt worden op 'de vorige goden' (karuilies siunes), waarvan er soms zeven, soms negen, maar meestal twaalf zijn. Namen die in dit verband gegeven worden zijn onder andere Nara, Napsara, Minki, Ammunki, Tuhusi en Ammizadu.Leick 2003, p. 141. De Hettieten zelf identificeerden hen met de Babylonische Anunnaki (via Hurritische invloed). Net als de Titanen, waren de vorige goden opgesloten in de onderwereld (dankuis daganzipas, 'donkere aarde'Leick 2003, p. 160.).West 2007, p. 162.
In Hettitische en Palaïsche teksten wordt verwezen naar een goddelijke smid, Hasammili, wat een Hattische naam is. Vaak gebeurt dit in de context van chtonische goden. Zijn oorsprong is niet zeker. Mogelijk is hij overgenomen uit het Hattische pantheon, maar evengoed kan hij door de Hattiërs overgenomen zijn van de Indo-Europese Anatoliërs.West 2007, p. 155.
Andere mogelijke gevallen zijn de dondergod, Moeder Aarde en de godin van de zon (zie hieronder).
Dondergod thumb|598x598px|Een nieuw-Hettitisch reliëf van Malayat, die de kosmische strijd tussen de stormgod en de chaosdraak Illuyanka weergeeft. Anatolian Civilizations Museum, Ankara. De meest karakteristieke, dominante en wijdverbreide god in het Hettitische Anatolië was wellicht de god van donder en storm, bekend als onder andere Tarhun, Tarhund, Taru en Teshub.Leick 2003, p. 164. In kunst uit het Syrische gebied is hij vaak afgebeeld met een bijl en lichtflits, en in de Anatolische kunst als rijdende in een wagen die voortgetrokken wordt door stieren. De stier is dan ook zijn heilige dier. Voor de Hattiërs waren de belangrijkste tempels in Nerik en Zippalanda. Verder waren zijn bekendste tempels gelegen in de Taurusregio en de vlakte van noordelijk Syrië. Deze gebieden werden vooral bewoond door de Hurrieten, en zij vereerden de dondergod onder de naam Teshub. Hebat (ook wel Hepit) was zijn echtgenote, en als echtpaar werden ze frequent vereerd.Gurney 1954, pp. 134-135.