Boekweit (Fagopyrum esculentum) is een plant uit de duizendknoopfamilie (Polygonaceae) die geteeld wordt voor zijn zaden, waar boekweitmeel van gemaakt wordt en als dekgewas. Polen en in mindere mate Frankrijk zijn nog belangrijke Europese productielanden van boekweit als voedselgewas. Daarnaast is er veel import van boekweitmeel uit China.

Het is een eenjarige plant met een holle rechtopgaande, zich meermalen vertakkende, rode stengel. De bladeren zijn driehoekig tot hartvormig en bevinden zich verspreid op de knopen. Het wortelstelsel omvat een zich sterk vertakkende penwortel.

De bloei begint al in een jong stadium, soms al na zes weken, en gaat dan vijfentwintig tot dertig dagen door. De bloemen zijn in langstelige pluimen gegroepeerd, wit tot roze van kleur, en bevatten veel nectar. Op arme gronden bereikt boekweit een hoogte van 50 cm. Voordat de bloei ten einde is zijn er al rijpe vruchten.

Het eetbare zaad zit aan dunne steeltjes die in rijpe toestand makkelijk loslaten. Het heeft een meel- en eiwitrijke inhoud, overeenkomend met die van klaver. In Nederland waren vroeger twee rassen bekend: op de veengronden de Staphorster bruinzwarte en op de zandgronden de Brabantse grijze boekweit. De huidige rassen produceren minder nectar dan de oude rassen. Eén kilo zaad bevat ± 45.000 zaden. Bij het bewaren moet het zaad droog zijn want het schimmelt gemakkelijk.

De naam is een samentrekking van boek (oude vorm van het woord beuk) en weit (oude naam voor tarwe). De vorm van het boekweitzaad komt sterk overeen met die van beukennootjes, al zijn ze beduidend kleiner, ongeveer 6 mm lang. Het zaad kan tot meel worden gemalen, hoewel boekweit beslist geen graan is. Boekweit is een pseudograan: de zaden, het meel en alle andere afgeleide producten van boekweit bevatten geen gluten.

Benaming De botanische naam Fagopyrum betekent beuktarwe van Fagus sylvatica = beuk en puros = tarwe. De vruchten van boekweit hebben de vorm van beukennootjes, maar zijn kleiner.

In gewestelijk Nederlands staat boek voor beuk en weit voor tarwe. In andere talen kent boekweit overeenkomstige namen: bokwiet (Afrikaans), buckwheat (Engels), Buchweizen (Duits) en boghvede (Deens). In het Luikerwaals wordt dit graan boûkète genoemd, afgeleid van boekweit.Französisches Etymologisches Wörterbuch, vol. 15/1, p. 173 bMartine Willems, Le Vocabulaire du défrichement dans la toponymie wallonne, vol. II, Éditions Droz, 1997, p. 128

Verbouw Boekweit werd gedurende enkele eeuwen in Europa op vrij grote schaal verbouwd, maar wordt in de 21e eeuw nog maar weinig geteeld. De cultuur is bewerkelijk en kwetsbaar en de opbrengst per oppervlakte-eenheid gering.

In het midden van de negentiende eeuw besloeg boekweit in heel Nederland nog acht procent van het landbouwareaal (65.000 ha), maar na de Tweede Wereldoorlog is het praktisch verdwenen. In de veengebieden rond Emmen lagen de beste boekweitjaren zo tussen 1870 en 1890 toen de opbrengst groeide van 20.000 mud naar 22.000 mud. In 1838 had Emmen 1353 hectare veenboekweit en dat groeide uit tot 2200 hectare in 1851. Rond 1889 was dit alweer geslonken tot 1400 hectare en na 1927 werd er in Emmen helemaal geen boekweit meer verbouwd.

Boekweit was een uitkomst voor "arme boeren" die geen mogelijkheden hadden om te investeren. Door boekweit te verbouwen konden zij boer zijn zonder vee of kapitaal. Het was makkelijk te verbouwen, maar boekweit is zeer gevoelig voor weersinvloeden waardoor oogsten toch vaak tegenvielen en de armoede groot bleef. Er waren lucratieve jaren in de boekweitteelt, maar als er nachtvorst voorkwam kon de hele oogst van dat jaar verloren gaan. Niet voor niets stond boekweit ook bekend als 'jammerkoren'.

Boekweit is een goed 'bijengewas'; bijen voeden zich er graag mee. Het levert een aromatische en zeer donker gekleurde honing.

Anno 2022 werd in de Nederlandse provincies Drenthe en Groningen boekweit verbouwd door meer dan twintig bedrijven op in totaal 85 hectare.

Voedingsstoffen Boekweitmeel en boekweitgrutten bevatten evenveel eiwit (10 g per 100 g) als tarwe- of roggemeel, en meer koolhydraten. Ze bevatten minder vet, minder mineralen en minder vitamines uit de B-groep dan tarwemeel.

Boekweitmeel bevat veel magnesium, kalium en fosfor. Het is voedzaam, licht verteerbaar en glutenvrij. Tegenwoordig wordt het ook geteeld voor de geneeskunde. Het meel van boekweit kan goed worden gemengd met dat van granen, bijvoorbeeld als basis voor pannenkoeken. Geroosterde boekweitkorrels heten ook wel 'kasja' en zijn bekend uit de Oost-Europese keuken.

Het meel dat voor poffertjes wordt gebruikt, is een combinatie van boekweitmeel en tarwemeel.

miniatuur|links|Boekweit, illustratie afkomstig uit de Japanse landbouw-encyclopedie Seikei Zusetsu (1804)

Herkomst Boekweit is een cultuurgewas dat waarschijnlijk afkomstig is uit een tamelijk droog deel van China, met name uit een gebied grenzend aan Mantsjoerije, Mongolië of Tibet. Het werd via de zijderoute door de Mongolen aan het eind van de middeleeuwen naar Oost-Europa gebracht en later van daaruit naar Midden- en West-Europa. Uit stuifmeelonderzoek is echter ook gebleken dat boekweit al voor het begin van de jaartelling in Nederland voorkwam.

Archiefonderzoek leert dat al vanaf 1390 een snelle introductie van boekweit plaatsvond in de Nederlanden. De centra hiervan waren de Kempen en de IJsselvallei. Boekweit is langs drie zijden West-Europa binnengekomen: een noordelijke route, mogelijk via de Hanze, met als naamtype boekweit, een oostelijke handelsweg met naamtype Heidenkorn of Pohanka, en een zuidelijke route met als naamtype Saraceens of Moors graan.

Grondsoort en grondbewerking Boekweit is een gewas van de arme gronden, de zandgronden en de dalgronden van hoogveen. Op vruchtbare grond is de groei te weelderig en wordt het wel een meter hoog. Er komt dan te veel blad aan de plant en de zaadvorming vermindert, bovendien gaat boekweit dan eerder plat liggen. Op boekweitland werd geen mest gebracht. Natte en zware gronden zijn ongeschikt voor boekweit; het is daar alleen als groenbemesting te gebruiken.

Boekweit verlangt een diep losgemaakte bouwvoor, de penwortel krijgt dan gemakkelijker gelegenheid om te groeien. Diep ploegen vraagt veel trekkracht. De spreuk boekweit wordt verbouwd op paardenzweet vindt hierin zijn oorsprong. Boekweitland op zandgrond werd vaak twee keer geploegd. Eind februari of begin maart werd diep geploegd en bij of voor het zaaien gebeurde dit nogmaals, maar dan zeer ondiep.

Boekweit stelt geen bijzondere eisen aan vruchtwisseling, maar heeft wel een voorkeur voor planten die veel stikstof achtergelaten hebben in de grond.

Voor de teelt van boekweit op veengrond werd de bovenste laag van de grond, nadat deze in het voorjaar gedroogd was, verbrand waardoor voedingsstoffen vrijkwamen. Dit boekweitbranden gaf zoveel rookontwikkeling dat de Drentse veenbranden bij noordoostenwind zelfs vanuit Holland voor klachten zorgde.Boekweitbranden op Encyclopedie Drenthe. Gearchiveerd op 4 maart 2016.

Vanwege de sterk wisselende opbrengsten van het gewas was het spreekwoord: boekweitzoad en vrouwluuproat, eens in de zeuven joar goald. Betekent: Boekweitzaad en vrouwenpraat, eens in de zeven jaren goud. Dit werd trouwens ook van struikheide gezegd.

Bij boekweit zijn geen ziekten of plagen bekend, wel treedt bij afrijping vogelschade op.

Teelt Boekweit is uitsluitend een zomergewas. Het is zeer gevoelig voor nachtvorst en heeft een korte groeiperiode van drie maanden (er werd ook wel gesproken van 100 dagen). Het gewas is gevoelig voor harde wind, regen en hagel. Onderploegen en herzaai is soms nodig.

De zaaitijd ligt tussen half mei (na de ijsheiligen) en half juni, soms zelfs nog na de langste dag. Het kan breedwerpig of in rijen met een afstand van 30 cm gezaaid worden en 3 cm diep. Door de vlugge groei is het een goede bodembedekker. Men ondervond wel last van het onkruid Europese hanenpoot. Als het gewas ongeveer 10 cm hoog was werd er weleens gewied. Dit moest zeer voorzichtig gebeuren want boekweit is een teer gewas dat gauw beschadigd raakt.

Boekweit heeft veel warmte nodig en liefst droog rustig weer tijdens de bloei. Het is niet erg droogtegevoelig, veel neerslag bevordert de vegetatieve groei ten koste van de korrelrijping. Per hectare is 30-45 kg zaad nodig, bij breedwerpig zaaien 10 kg meer.

Oogst Het oogsten gebeurt afhankelijk van de zomerse omstandigheden vanaf juli tot september. Door de onregelmatige rijping kan niet gewacht worden tot alle zaden rijp zijn. Dit in tegenstelling tot echte granen, waar de korrels gelijktijdig rijp zijn. Toch hadden de wilde voorouderrassen uit het Nabije Oosten van deze granen ook een verspreide rijping. Voor de plant is dit in verband met nakomelingschap veiliger. De mens heeft de granen echter beter aan zijn wensen aangepast dan boekweit.

Bij de oogst is een deel van stengel en bladeren nog groen. Het maaien gebeurde al naargelang van de streek met de zeis, zicht of sikkel. Ook werd de plant wel getrokken. Het maaien moest voorzichtig gebeuren, omdat boekweit bij droog weer bij het afrijpen gauw last heeft van zaaduitval. Het maaien gebeurde dan vaak bij avond, 's nachts of in de vroege morgen, als de luchtvochtigheid hoger was, waardoor er minder zaad verloren ging. Dan was het uiteraard handig als er een volle maan was. Nu komt de maan in september enige avonden achtereen vrijwel op hetzelfde moment op, terwijl de vuistregel is dat hij elke avond ongeveer 50 minuten later opkomt. Men noemde deze maan daarom boekweitmaan (ook wel oogstmaan). Het maaien 's nachts had dus niets met een of ander bijgeloof te maken.

Na het maaien is drogen nodig op het land, losliggend of de bossen gestapeld of aan schoven gezet.

Dorsen gebeurde op het land met dorsstok of dorsvlegel, plaatselijk ook 's winters in de schuur. Dit gebeurde op het dorskleed op een vlakke ondergrond. Ook werd het zaad betreden met klompen of dikke sokken (boekweitsokken) om het onrijpe zaad los te krijgen. Door verontreinigingen met groene plantendelen moest nadroging plaatsvinden op zolder of in de schuur. Het in een dunne laag uitgespreide zaad werd regelmatig omgeschept om broei te voorkomen. Na 1945 werd boekweit ook gedorst met aflegger, graanmaaier of maaidorser.

De zaadopbrengst kon 2000 kg per ha bedragen, maar was meestal voor zandboekweit 1000 tot 1500 kg per ha, en voor veenboekweit nog veel minder. Dit hangt vooral samen met de grote vorstgevoeligheid, de gevoeligheid voor zaaduitval, de slechte zaadzetting bij nat weer tijdens de bloei en bij vroege legering.

Verwerking tot meel thumb|Eest op de Damgård Mølle Boekweit werd vroeger gemalen op een grutmolen. Dit was een rosmolen met een eest voor het drogen van de boekweit, zeefwerk, een gruttensteen, een meelsteen en een waaierij. De breekzeef, bestaande uit een zevental bovenelkaar liggende zeven, scheidde na het breken op de gruttensteen de doppen van de grutten. De grutten werden tegelijkertijd gesorteerd in grove, middelgrove, fijne grutten en meel. De grutten werden verder geschoond in de waaierij waar de grutten van de lichte stukjes dop en de vliesjes werden gescheiden. De eest werd oorspronkelijk gestookt met de boekweitdoppen, maar later met cokes. De gruttensteen dopte de boekweit tot grutten en de meelsteen maalde de grutten tot meel. Het malen tot meel moest voorzichtig gebeuren. Bij warm worden treedt bij boekweit gemakkelijk verbranden op waardoor verkleuring ontstaat.

Toepassingen thumb|Rechts: boekweitbrood

In sommige vooral arme streken van Nederland, waar boekweite uut de kuns verbouwd kon worn, vormden de boekweitproducten een belangrijk deel van de dagelijkse gerechten, vooral 's zomers.