De geschiedenis van Bulgarije begint als de Bulgaren, een stam uit Centraal-Azië en Slavische bevolking in de 7e eeuw de eerste Bulgaarse staat vormden.

Oudheid In de oudheid werd het gebied van het huidige Bulgarije bewoond door de Thraciërs. Aan het einde van de 6e eeuw v.Chr. stichtten deze het Odrysisch koninkrijk. Dit werd uiteindelijk door Alexander de Grote onderworpen (334). Onder Claudius werd de provincia Thracia opgericht (46 n.Chr.). Bij de administratieve verdeling van het Romeinse Rijk door Theodosius I in 395 kwam het in het oostelijk deel, bestuurd vanuit Constantinopel.

Middeleeuwen Grootschalige Slavische vestiging in de Balkan begon vanaf omstreeks 580. In die tijd was het Byzantijnse Rijk in beslag genomen door de Byzantijns-Sassanidische oorlog. Menander Protector schrijft, waarschijnlijk enigszins overdreven, over 100.000 Slaven die Thracië en Illyrië binnenvielen, steden veroverden en zich daar vestigden. Deze grootschalige volksbewegingen werden in gang gezet door de aankomst in 550 van de nomadische Avaren uit het oosten.

thumb|Bulgarije onder Simeon I (893-927) Na het uiteenvallen van het Groot-Bulgaarse Rijk in wat nu Zuid-Rusland is, trok een deel van het Turkse volk der Bulgaren naar de Donaudelta , waar ze in aanraking kwamen met het leger en de vloot van het Byzantijnse Rijk. Onder leiding van Asparoech wonnen ze van de troepen van het Byzantijnse Rijk en stichtten het Eerste Bulgaarse Rijk (632-1018).

Van 1018-1185 maakte Bulgarije opnieuw deel uit van het Byzantijnse Rijk.

Het Tweede Bulgaarse Rijk (1185-1396) eindigde met de annexatie door het Ottomaanse Rijk.

Renaissance en onafhankelijkheid tot 1918 Tussen 1762 en de onafhankelijkheid in 1878 was er sprake van de Bulgaarse Renaissance.

Op 3 maart 1878 herkreeg Bulgarije zijn autonomie ten gevolge van de Russisch-Turkse Oorlog (1877-1878) als zelfstandig prinsdom van het Ottomaanse Rijk, onder prins Alexander van Battenberg, die echter in 1886 gedwongen werd om af te treden. Hij werd opgevolgd door prins Ferdinand van Saksen-Coburg, een van oorsprong Duitse prins van het Huis Saksen-Coburg en Gotha, die verwant was aan het Britse en Belgische koningshuis. Het land werd op 22 september 1908 een volledig onafhankelijk koninkrijk. Prins Ferdinand nam vervolgens de titel van tsaar aan.

Balkanoorlogen Het land won gebied gedurende de Eerste Balkanoorlog in 1912, maar moest tijdens de Tweede Balkanoorlog een deel van deze winst weer afgeven. De koning en zijn pro-Duitse premier Vasil Radoslavov kozen daarop tijdens de Eerste Wereldoorlog de zijde van de centrale mogendheden (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije). Bulgarije behoorde tot de verliezende landen en verloor daardoor krachtens het Verdrag van Neuilly in het noorden (de zuidelijke Dobroedzja), in het westen (vier aparte gebieden) en in het zuiden (voormalig Bulgaars West-Thracië) grondgebied. Na de Eerste Wereldoorlog werd tsaar Ferdinand gedwongen om afstand te doen van de troon. Republikeinen riepen in Radomir de republiek uit, doch met behulp van regeringsgetrouwe troepen werd de monarchie hersteld onder tsaar Boris III, zoon van Ferdinand.

Interbellum In 1919 won de Bulgaarse Agrarische Nationale Unie (BANU) de verkiezingen en werd haar voorman Aleksandar Stambolijski minister-president. Het grootgrondbezit werd grotendeels onteigend en het vrijgekomen land kwam in handen van de boeren. De communisten, de tweede partij na de agrariërs, weigerden in te gaan op het voorstel van Stamboeliski om tot de regering toe te treden. In 1923 sloegen de burgerlijke partijen en een deel der sociaaldemocraten de handen ineen en pleegden een coup waarbij Stamboeliski om het leven kwam.

Na de coup kwam er een nieuwe coalitieregering tot stand onder de fascistoïde Aleksandar Tsankov. Deze regering onderdrukte een communistische opstand, waarna de voornaamste communistische leiders, waaronder Georgi Dimitrov en Vasil Kolarov, naar de Sovjet-Unie vluchtten. In 1926 trad de fascistisch georiënteerde Tsankov af. Zijn opvolgers behoorden tot de liberale of de democratische partij.

De staatsgreep van de Zveno Op 19 mei 1934 pleegden leden van de Militaire Liga (die reeds betrokken waren bij de coup van 1923) en leden van de groep Zveno ('Schakel') onder leiding van kolonel Damjan Veltsjev een militaire staatsgreep. Veltsjev sommeerde kolonel Kimon Georgiev een nieuwe regering te vormen. Politieke partijen werden verboden en naar voorbeeld van Italië werd de bevolking ingedeeld in beroepsgroepen (zie: corporatisme). Er kwam ook een eenheidsvakbond en er werden betrekkingen aangeknoopt met de Sovjet-Unie. De nieuwe regering maakte bovendien een einde aan de Macedonische nationalisten van de IMRO (Interne Macedonische Revolutionaire Organisatie) en verbeterde de betrekkingen met Joegoslavië. Veltsjev kwam met een nieuwe grondwet die de macht van de koning enorm inperkte.

Koninklijke kabinetten Koning Boris III zag echter kans om de republikeinse vleugel binnen de Militaire Liga en Zveno buitenspel te zetten en benoemde het monarchistische lid van de Militaire Liga, generaal Petar Zlatev, op 22 januari 1935 tot premier. In april werd deze vervangen door burgerpoliticus Andrej Tosjev, die in november op zijn beurt werd vervangen door Georgi Kjoseivanov. Sindsdien werd het land geregeerd door 'koninklijke kabinetten'. De politieke partijen bleven verboden, maar in 1938 werden er landelijke verkiezingen gehouden (waarbij voor het eerst vrouwen mochten stemmen). Koning Boris III draaide de hervormingen van de Militaire Liga en de Zveno slechts gedeeltelijk terug, waardoor de ontevredenheid grotendeels wegbleef.

Bulgarije gedurende de Tweede Wereldoorlog

Inmiddels oriënteerde Bulgarije zich steeds meer op de asmogendheden en in het speciaal op Duitsland. In februari 1940 werd premier Kjoseivanov vervangen door de extreemrechtse en nationalistische professor Bogdan Filov. Eind 1940 sloot Bulgarije zich bij het Driemogendhedenpact (de As) aan. Duitse troepen maakten sindsdien deel uit van het dagelijks leven, omdat het hen werd toegestaan om vanaf Bulgaars grondgebied te opereren.

Bulgarije deed mee in de aanval op Griekenland en verkreeg daarbij Thracië, de noordelijke landstreek van Griekenland rond Thessaloniki. Bulgarije weigerde echter om mee te doen aan de veldtocht tegen de Sovjet-Unie. Inmiddels ontstonden er diverse verzetsgroepen. Met name de communistische partizanen pleegden veel verzet. In 1941 werd het Vaderlands Front gevormd, dat uit diverse (ook communistische) verzetsgroepen bestond. Dit viel echter spoedig uiteen.

Antisemitisme en het verzet hiertegen De nieuwe regering van professor Filov voerde anti-joodse en antisemitische maatregelen in en was van plan de joden, zigeuners, homoseksuelen en andere minderheden te deporteren naar concentratiekampen. Met name de Bulgaars-Orthodoxe Kerk, maar ook koning Boris staken hier een stokje voor. Dankzij het moedige optreden van Kerk en koning bleef het grootste deel van de joodse bevolkingsgroep in leven.

Communisme In augustus 1943 overleed de koning (op mysterieuze wijze) nadat hij een bezoek aan Hitler had gebracht. Zijn minderjarige zoon Simeon volgde hem als koning Simeon II van Bulgarije op. Als regenten traden prins Cyril, Bogdan Filov en luitenant-generaal Nikola Michov op. Het verzet groeide. In 1944 werd een tweede Vaderlands Front opgericht, dat wel een succes werd. Begin september 1944 naderden de Russische legers de Bulgaarse grens. Hoewel beide landen niet in oorlog met elkaar waren, verklaarde de Sovjet-Unie de oorlog aan Bulgarije, om zo een antifascistische regering af te dwingen. Op 9 september 1944 pleegde het Vaderlands Front een succesvolle staatsgreep. De drie regenten werden afgezet en vervangen door een nieuwe regentschapsraad. Kolonel Kimon Georgiev van de Zveno werd premier. De nieuwe regering sloot direct een wapenstilstand met de Russen, die daarop het land bezetten.

Op 2 februari 1945 werden de drie voormalige regenten geëxecuteerd. In de loop van 1945 keerde de communistische leider Vasil Kolarov naar Bulgarije terug, in 1946 keerde Georgi Dimitrov terug. Gesteund door de Sovjets wisten de communisten binnen het Vaderlands Front, de regering en in het parlement een machtspositie op te bouwen.

Volksrepubliek Bulgarije Na een referendum over de monarchie werd op 15 september 1946 de volksrepubliek uitgeroepen met Kolarov als interim-president. In november moest kolonel Georgiev plaatsmaken voor Georgi Dimitrov. In 1947 werd de nog onafhankelijke oppositie van de BANU (Bulgaarse Agrarische Nationale Unie) van Nikola Petkov monddood gemaakt. Petkov werd gearresteerd, valselijk beschuldigd en geëxecuteerd (de laatste christelijke sacramenten werden hem geweigerd). De Petkov-vleugel van de BANU werd verboden en alleen de vleugel onder leiding van Aleksandar Obbov mocht blijven voortbestaan. In 1948 fuseerde de Bulgaarse Werkers Partij met een vleugel van de Bulgaarse Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (BSDAP). Een deel van de BSDAP wist nog tot halverwege 1948 te blijven voortbestaan onder de anticommunistische Kosta Loeltsjev en Anastas Tsjesjmedzjiev, maar werd daarna opgeheven. De Radicale Unie, een burgerlijk partij, wist nog tot het voorjaar van 1949 voort te bestaan.

Dimitrov, een stalinist, kwam met plannen voor een Balkanfederatie, voornamelijk bestaande uit Bulgarije en Joegoslavië. Stalin was hier fel op tegen. Op 2 juli 1949 overleed Dimitrov te Moskou en werd in de Bulgaarse hoofdstad Sofia een mausoleum voor hem opgericht. Zijn opvolger Kolarov overleed in januari 1950.

De nieuwe machthebber werd Valko Tsjervenkov, de 'kleine Stalin'. Tsjervenkov maakte zich tijdens zijn korte machtsperiode als eerste secretaris van de BKP (Bulgaarse Communistische Partij) van 1949 tot 1954 bijzonder ongeliefd.

Todor Zjivkov In 1954 werd Todor Zjivkov eerste secretaris. Zijn tegenstanders Tsjervenkov en Anton Joegov werden in 1956 en 1962 aan de kant geschoven.

Zjivkov werd in 1962 tevens premier. In april 1964 werd er melding gemaakt van een 'pro-Chinese coup'. Aannemelijk is dat het hier ging om een aantal officieren die wilden dat Bulgarije een iets onafhankelijkere koers zou gaan varen ten opzichte van de Sovjet-Unie. De pro-Russische Zjivkov maakte Bulgarije tot de meest getrouwe satelliet van de Sovjet-Unie. In 1972 werd er een nieuwe grondwet aangenomen en werd Zjivkov voorzitter van de Staatsraad. Eind jaren zeventig begon de persoonsverheerlijking van Zjivkov vreemde vormen aan te nemen. Vanaf 1977 zat Loedmilla, een in tegenstelling tot haar vader door de Bulgaren zeer graag geziene dochter van Zjivkov, in het centraal comité van de BKP. Zij droeg veel bij aan de verbreiding van de Bulgaarse cultuur en zorgde voor een spirituele opleving. De viering van het 1000-jarig bestaan eind 1981 van Bulgarije (in welk organiserend comité zij zitting had) maakte zij niet mee, omdat ze in juli van 1981 overleed in onduidelijke omstandigheden (vermoedelijk is ze moedwillig omgebracht door dood door verdrinking). Van haar staat in het Zuid-Oosten van Sofia een klokkentoren, die als Unesco monument erkend is, omdat zij een boegbeeld was tegen kindermishandeling wereldwijd.