De Golfoorlog van 1990-1991 (Arabisch: حرب الخليج الثانية, Perzisch: جنگ خلیج پارس) was een conflict van 2 augustus 1990 tot en met 28 februari 1991, waarbij Irak aanvankelijk zijn buurland Koeweit binnentrok en bezette. Later werden de Iraakse troepen door een internationale coalitie, geleid door de Verenigde Staten én met een mandaat van de Verenigde Naties, door middel van een korte oorlog weer uit Koeweit verdreven.

De oorlog werd gekenmerkt door het eerste gebruik van livebeelden van de frontlinie, uitgezonden door vooral CNN. De oorlog kreeg de bijnaam Video Game War wegens de dagelijkse uitzending van beelden vanuit Amerikaanse bommenwerpers tijdens Operation Desert Storm.

Achtergrond Tijdens en na de Irak-Iranoorlog waren er conflicten opgekomen tussen Irak en Koeweit. Irak had zware schulden aan Koeweit, Saoedi-Arabië en andere landen vanwege de financiering van deze oorlog. De aflossing betekende een zware last voor de al onder de oorlog gebukt gaande Iraakse economie, en Saddam Hoessein had graag gezien dat de leningen werden kwijtgescholden.

Irak beschuldigde Koeweit ervan dat het de grens tussen de twee staten geschonden had, en militaire installaties had gebouwd en oliebronnen had aangeboord aan de Iraakse zijde van de grens door vanaf de Koeweitse zijde schuin naar beneden te boren ('slant drilling').John Cooley, It's Time to Think Straight About Saddam, The New York Times, 23 september 1997, geraadpleegd op 17 december 2015. Gearchiveerd op 22 december 2015. Koeweit produceerde ook te veel olie (40% meer dan het door de OPEC voor Koeweit vastgestelde quotum) waardoor de prijs daalde en Irak inkomsten misliep.

Irak werd traditioneel door de Sovjet-Unie gesteund via het veto in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Met het naderende einde van de Koude Oorlog viel deze politieke steun echter weg. In plaats daarvan had Irak tijdens de Irak-Iranoorlog welwillendheid en steun van andere Arabische en Westerse staten gekregen, uit angst voor Iraanse dominantie in de Perzische Golf. Met het einde van de Irak-Iranoorlog liep ook deze steun ten einde, maar had Irak inmiddels wel dankzij eerdergenoemde leningen een groot wapenarsenaal kunnen opbouwen middels internationale wapenaankopen.

Irak meende verder ook een historische claim op Koeweit te hebben, daar Koeweit, tot de Britten het in 1922 tot protectoraat maakten, deel uitmaakte van de Ottomaanse provincie Basra. Het land leek bovendien een aantrekkelijk doelwit omdat het militair zwak was en een groot deel van de wereldolievoorraad beheerste. Saddam Hoessein had zich verder in de internationale opinie vergist. Uit de ervaring dat hij jarenlang succesvol de VS en de Sovjet-Unie tegen elkaar had uitgespeeld, in de Iran-Irakoorlog weggekomen was met een incident waarbij Amerikaanse doden waren gevallen, en een gesprek met de Amerikaanse ambassadeur, trok hij wellicht de foutieve conclusie dat de VS een annexatie van Koeweit zouden tolereren indien Irak kon garanderen dat de olie-export in stand bleef.Saddam Hussein: The Truth, documentaire

Begin en internationale reactie Toen onderhandelingen in Jeddah tussen de beide staten op niets uitliepen, viel Irak op 2 augustus 1990 Koeweit binnen. Het Koeweitse leger kon slechts enkele uren symbolisch weerstand bieden, en was na 12 uur verslagen of uitgeweken. Op 4 augustus waren de laatste verzetshaarden overwonnen. De Iraakse president Saddam Hoessein verklaarde dat Koeweit een provincie van Irak was.

De inval werd meteen diezelfde dag veroordeeld in resolutie 660 van de Veiligheidsraad. Er werden economische sancties tegen Irak ingesteld met een nieuwe resolutie en er werd een ultimatum gesteld dat Irak zich onvoorwaardelijk vóór 15 januari 1991 uit Koeweit terug moest trekken.

Uiteindelijk werden er twaalf resoluties over deze kwestie ingediend en aangenomen. De Sovjet-Unie onder Michail Gorbatsjov stemde vóór alle twaalf; China stemde voor de eerste elf en onthield zich van de laatste stemming over resolutie 678. Alleen Cuba en Jemen stemden tegen het ultimatum. Als represaillemaatregel werden alle Jemenitische gastarbeiders, in totaal ongeveer 750.000 personen, Saoedi-Arabië uitgezet. Het wegvallen van geldoverboekingen uit dat land en de plotselinge toevloed van werkzoekenden was een zware slag voor de Jemenitische economie.Brian Whitaker, Yemen and Saudi Arabia (2015)

Irak trachtte intussen in Koeweit een marionettenregering op te zetten. Toen dit onvoldoende resultaat opleverde, benoemde Saddam zijn neef Ali Hassan al-Majid (bijgenaamd "Ali Chemicali" vanwege zijn verantwoordelijkheid voor de gifgasaanval op Halabja) tot militair gouverneur van Koeweit. Ondertussen hield hij de aanwezige buitenlanders in Irak vast en trachtte via hen ook onderhandelingsruimte te verkrijgen. Wereldberoemd werden de uitzendingen op de Iraakse televisie waarop Saddam Hoessein op vaderlijke toon met de gijzelaars praatte en een kind door het haar streek.

Aanval op Saoedi-Arabië De Verenigde Staten brachten, op uitnodiging van Saoedi-Arabië, op 8 augustus 1990 hun troepen naar het gebied (Operatie Desert Shield), om een eventuele volgende Iraakse inval in Saoedi-Arabië tegen te gaan, hoewel er geen daadwerkelijke aanwijzingen waren dat Irak een dergelijke inval gepland had. Saoedi-Arabië binnenvallen hield in dat over immense afstanden door de woestijn zou moeten worden opgerukt. Bovendien beschikte Saoedi-Arabië over een moderne luchtmacht, waarvoor de Iraakse troepen in de woestijn een zeer makkelijk doelwit zouden zijn. Daarnaast begonnen de Iraakse troepen in Zuid-Koeweit zich na de aanval in te graven, een tactiek die erop wijst dat ze zich op de verdediging en niet op een aanval richtten. Door de Operatie Desert Shield stonden 700.000 militairen paraat tegen een eventuele Iraakse aanval van 1.700.000 manschappen (zo'n 10% van de Iraakse bevolking).

Militaire propaganda miniatuur|Herinneringsplaquette voor een Amerikaanse soldaat die zijn leven verloor tijdens de Golfoorlog. Een belangrijk argument in het winnen van de Amerikaanse publieke en politieke opinie voor militair ingrijpen was een getuigenis die een vrouw deed voor een groep Amerikaanse congresleden. Zij vertelde verpleegster te zijn geweest in het stadsziekenhuis van Koeweit en beschreef huilend hoe Iraakse soldaten baby's uit couveuses trokken en hen lieten sterven op de koude vloer. De getuigenis werd door tientallen miljoenen Amerikanen bekeken en president George H.W. Bush refereerde in de weken daarop ten minste tienmaal aan dit verhaal. Uiteindelijk zeiden ten minste zes congresleden dat dit verhaal voor hen genoeg was om voor Amerikaans militair ingrijpen te stemmen en de stemverhouding in de senaat bleek uiteindelijk 52-47 voor ingrijpen. Een jaar daarna bleek dit verhaal volledig onwaar te zijn. De vrouw in kwestie was een lid van de koninklijke familie van Koeweit en de dochter van de Koeweitse ambassadeur in de Verenigde Staten. Tijdens en na de inval woonde ze niet in Koeweit.Ted Rowse, Kuwaitgate - killing of Kuwaiti babies by Iraqi soldiers exaggerated, Washington Monthly, 1992

Meer in het algemeen bevestigden mensenrechtenorganisaties het plegen van standrechtelijke executies, marteling en verkrachting door de bezettingsmacht, maar waarschuwden zij tegelijk voor het overdrijven van getallen voor propagandadoeleinden. Met name de regering van Koeweit kwam met getallen van vele duizenden executies, versus honderden in de tellingen van Human Rights Watch en Amnesty International.Atrocities by Iraqis in Kuwait: Numbers Are Hard to Verify, The New York Times, 16 december 1990

Naast de agressie tegen Koeweit werd Irak ook verweten dat het massavernietigingswapens bezat. Weliswaar werd het land niet in staat geacht een kernwapen te bouwen, maar het was vrijwel zeker dat het over mosterdgas beschikte. Uit de oorlog tegen Iran en andere bronnen waren sterke aanwijzingen dat men tevens de beschikking had over antrax, verschillende bacteriële vergiften, alsmede sarin, tabun en waterstofcyanide. Overigens hadden verschillende landen (waaronder Nederland) uit de coalitie de leveringen aan Irak van de grondstoffen en techniek voor deze wapens toegelaten.

Koeweitse slachtoffers en verzet Vrijwel vanaf het begin was er binnen Koeweit sprake van een verzetsbeweging, loyaal aan de regering in ballingschap. Vrouwen speelden een grote rol binnen het Koeweits verzet, waarvan Asrar al-Qabandi de meest prominente was. Uiteindelijk is ze in november 1990 opgepakt en in januari 1991 gedood. Verzet tegen de bezetter uitte zich onder andere door:Levins J.M., The Kuwaiti Resistance, The Middle East Quarterly maart 1995, p. 25-26, https://www.meforum.org/238/the-kuwaiti-resistance. Gearchiveerd op 30 januari 2023. Geweldloos verzet waaronder burgerlijke ongehoorzaamheid, anti-Iraakse graffiti en het 's nachts massaal vanaf de platte huisdaken 'Allahu Akbar' roepen; Het in stand houden van essentiële leveringen en diensten ondanks de ontwrichting van de bezetting; Het voorkomen dat Irak de Koeweitse olie-industrie kon overnemen door middels een ondergronds managementteam dat in verbinding stond met de regering in ballingschap de werknemers aan te sturen. Zolang dit samenviel met de orders van de formeel nieuwbenoemde Iraakse managers leek het of Irak de touwtjes in handen had, maar hierdoor kon het verzet op cruciale momenten sabotage plegen en de schade door het moedwillig in brand steken van oliebronnen door de Irakezen beperken; Het verbergen van niet-Koeweitse expatriates die in het land vast waren komen te zitten door de bezetting; Militair verzet, variërend van het in de val lokken en doden van Iraakse soldaten tot aanslagen op militair materieel en hooggeplaatste personen, waaronder al-Majid zelf. Ook werden militaire inlichtingen doorgespeeld aan de Coalitie. In oktober 1990 vroeg de Koeweitse regering in ballingschap het verzet geen gewelddadige acties meer uit te voeren, uit angst voor Iraakse represailles tegen burgers.

Koeweit heeft in de invasie 190 doden te betreuren gehad ten gevolge van de directe oorlogshandelingen. De bezetting heeft 110 Koeweiti's het leven gekost. Hiervan zijn 62 in gevangenschap geëxecuteerd en 13 gestorven ten gevolge van martelingen. 22 personen werden gedood tijdens civiele verzetsacties zoals demonstraties, en 13 personen verloren het leven tijdens een gewapende verzetsdaad. In totaal hebben de invasie en de bezetting dus aan 300 Koeweiti's het leven gekost. Hierbij dient echter in aanmerking te worden genomen dat anno 1995 nog 564 personen vermist waren, waarvan het aannemelijk is dat de meesten zijn omgekomen. Koeweit heeft zo meer slachtoffers te betreuren gehad dan de rest van de Coalitie, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat dit op een bevolking van 300.000 personen was en waarbij materiële en niet-dodelijke schade (zoals verkrachting) niet zijn meegeteld.

Coalitie De Amerikaanse president George H.W. Bush stuurde Amerikaanse troepen naar Saoedi-Arabië, en spoorde andere landen aan om ook troepen te sturen. Een reeks landen trad toe tot deze militaire coalitie, die de grootste werd sinds de Tweede Wereldoorlog. De grote meerderheid van de troepen van de coalitie was – in aflopende volgorde – van de VS, Saoedi-Arabië, het Verenigd Koninkrijk en Egypte. Er namen in totaal 34 landen deel (waaronder ook België en Nederland), hoewel driekwart van alle soldaten uit de VS afkomstig was.

Vredesonderhandelingen mislukten, omdat de VS slechts onvoorwaardelijke en volledige terugtrekking van de Iraakse troepen acceptabel achtten, terwijl Irak deze aan voorwaarden wilde verbinden (terugtrekking van Syrië uit Libanon en van Israël uit de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever). Saddam Hoessein probeerde zich zo als een kampioen van de Arabische wereld te presenteren, waarmee hij bij veel Palestijnen en Arabieren ook succes had.