thumb|240px|right|Etruskische musici uit Tarquinia thumb|240px|Muzikanten, Han-dynastie In de muziektheorie wordt de oudheid de vroegste periode van de muziekgeschiedenis tot ongeveer 500 na ChristusNoot: Het jaar 476 wordt gezien als de val van het Romeinse Rijk en het begin van de vroege middeleeuwen in Europa. genoemd.
Ontstaan van muziek Er zijn historisch slechts weinig bronnen die het ontstaan van muziek duidelijk kunnen maken. Volgens het musicologisch onderzoek kan een theorie worden opgesteld die de vroegste muziek kan omschrijven. Daarbij wordt gekeken naar: welke periode van de geschiedenis aanwijzingen geeft voor het ontstaan van muziek welke graad van beschaving de toenmalige mensheid had waarom mensen muziek maakten waaruit de muziek bestond geven onderzoeken bij hedendaagse natuurvolkerenZie ook: Lijst van bevolkingsgroepen een antwoord op deze vragen
Archeologische bronnen voor het ontstaan van muziek wijzen op het begin van de tweede helft van de laatste ijstijd in Europa, de periode van het Aurignacien tot aan het Magdalénien (Laatpaleolithicum, ca. 50.000-10.000 voor Christus). De eerste moderne mensen verspreidden zich toen over Europa. Het waren jagers, die in hutten en holen woonden, en wier kunstuitingen van magische aard waren, zoals grottekeningen en kleine voorwerpen. Uit deze tijd komen drie soorten instrumenten naar voren: fluiten van voetkootjes, fluiten met toongaten en fluiten gemaakt van holle beenderen.
Op afbeeldingen uit die tijd zien we tovenaars met maskers en een muziekboog. Muziek werd als tovermiddel gebruikt, als ritueel, waarbij er nauwelijks verschil was tussen gezongen woorden of het produceren van klanken met snorrebotjes of muziekbogen. De oudste fluiten zouden hebben kunnen dienen als signaalinstrument. De sprong van primitieve signaalfluiten tot fluiten met gaten was groot, en wijst op het ontstaan van muziek als 'spel' met een magische werking. Alle volkeren op aarde hebben een vorm van muziekbeoefening. Er was waarschijnlijk geen duidelijk begin van muziek, maar het evolueerde gestaag vanuit experimenten, doelen en voortschrijdend inzicht, waarbij de mens zich steeds bewuster werd van de mogelijkheden van het gebruik van klank en taal in diverse georganiseerde vormen. Muziek was dus vanaf het begin min of meer geordend geluid, door de mens geproduceerd.
Verschillende verklaringen thumb|Jubal In de periode van de oudheid tot de middeleeuwen werd getracht muziek te verklarenZie ook: Etnomusicologie vanuit mythen. Muziek zou van goddelijke oorsprong aan de mens gegeven zijn. Zo wordt in het Bijbelboek Genesis wordt melding gemaakt van ene Jubal, die (als eerste) een vervaardiger was van muziekinstrumenten: hij was een vader van allen die fluit en citer bespelen.
Veel later werd het ontstaan van muziek meer vanuit een wetenschappelijk gezichtspunt verklaard. Zo dacht Charles Darwin dat muziek was ontstaan uit klanknabootsing van dierengeluiden zoals vogelzang. Jean-Jacques Rousseau verklaarde muziek vanuit fixering van geluiden als abstractie van de menselijke taal. Carl Stumpf stelt dat gezang ontstond uit spreken op hogere tonen of uit roepen. Andere verklaringen waren dat muziek voortkwam uit het arbeidsritme, waaruit ook de dans verklaard zou kunnen worden. Herbert Spencer beweerde dat muziek een uiting van emoties was. Ook werd beweerd dat muziek vanaf de babytijd al bestaat, omdat een kind vanaf zijn geboorte geluid maakt en ordent.
Natuurvolkeren Hoewel bestudering van het voorkomen van muziek bij natuurvolkeren niet rechtstreeks als een vroeg stadium van de ontwikkeling van de muziek kan worden gezien en daarmee in verband kan worden gebracht met de historische ontwikkeling van muziek zijn er wel overeenkomsten. Zo zijn er bij natuurvolkeren en muziek uit de oudheid vergelijkingen te maken die bijvoorbeeld betrekking hebben op het gebruik van eenvoudige instrumenten, en ook de functie van muziek als magische uiting is een overeenkomst. Muziek bij natuurvolkeren is vaak aan het lichaam gebonden: dans, klappen, meezingen, zich bewegen. De klank van de menselijke stem en instrumenten hebben mede als functie het 'bovennatuurlijke' tot uitdrukking te brengen.
De eenvoudigste motieven die in de muziek van veel natuurvolkeren voorkomt is de afwisseling van twee tonen (een secunde of terts), die zich steeds bewegen tussen spanning en ontspanning, stijgen en dalen. De hogere toon draagt vaak het accent en werkt daarmee als tooncentrum. Deze twee tonen overstijgen qua interval de omvang van 3 tonen niet. Dit zien we ook in veel kinderliedjes.
Melodiek bij veel natuurvolkeren kenmerkt zich door drie principes: Distantie (aaneenvoegen van secundeschreden in dalende richting) Consonantie (de neiging om de hoofdtonen samen te laten vallen) Vergroting van toonafstanden naar beneden toe ('zwaartekrachtregel', kleinere intervallen bij stijgende tonen en grotere bij dalende). Door gevarieerde herhaling van een tweetonig motief en door het additieve principe wordt een melodie opgebouwd. Wanneer het motief getransponeerd wordt ontstaat melodiek met meer dan twee tonen, en is er grotere kans op een toon die als tooncentrum gaat werken. Voorbeelden zijn het 'trappenmelos' van Papoea's en Indianen. Als deze transposities vaak genoeg plaatsvinden ontstaat het omlijstende octaaf als ijkpunt van een tonaal centrum. Hierdoor wordt de tonale ruimte dus vergroot. Het consonantieprincipe werkt ook bij de kwint. Hierdoor, en door de aard van een toon met boventonen ontstond ook het drieklankprincipe, met grote en kleine tertsen. Melodiek gebaseerd op dit drieklankprincipe vindt men in de muziek van Noord-Amerikaanse indianen, Melanesiërs en Pygmeeën in Afrika en Azië. Drieklankmelodiek is verder ook in Europa al vroeg in de Middeleeuwen te vinden, naast pentatoniek en kerktoonsoorten.
Voorts dient opgemerkt te worden dat de verschillende natuurvolkeren zich in hun melodiek bijna niet onderscheiden door melodiek maar door de taal en bijbehorende klank van de stem.
Er worden drie hoofdtypen volkeren onderscheiden, elk met een overheersende soort muziek: Jagers, met muziek afkomstig van het vrije spraakritme, vaak onderbroken door roepen en schreeuwen, waarin weinig tonaal verband zit, en waarin metrum belangrijk is. Landbouwers, voornamelijk melodieuze en tonaal geordende muziek in afgeronde vormen. Vaak zien we een collectieve toon in de muziek en een balans tussen metrum en melodiek. Herdervolkeren hebben een soort muziek die tussen bovenstaande twee in zit.
Onderzoeker Curt Sachs onderscheidt twee bronnen voor het ontstaan van melodiek: de stem (logogene) en het geruis (pathogene melodiek). Uit deze twee vormen ontstond de door de melodie (melogene) gegenereerde melodiek in hogere cultuurvormen.
De ritmiek van natuurvolkeren biedt een grote verscheidenheid en variatie. Deels afkomstig uit de taal, deels uit de natuurlijke omstandigheden waarin de volkeren leven. Uit diverse metrische indeling komen al gauw vormen tevoorschijn als a1,a2,a3, en a,b of a,b,c, of a,b,a. Woord en muziek zijn vaak nauw verbonden. Zingen is vaak een spontane handeling, en improvisatie speelt een grote rol. Ook wordt muziek vaak van generatie op generatie als repertoire mondeling doorgegeven. Muziek heeft een symboolfunctie, om het reële bestaan te symboliseren in magische of goddelijke beginselen.
Bij de eenvoudigste natuurvolkeren zien we nauwelijks instrumenten. Het lichaam (klappen, stampen, klikken en dansen) zorgt voor ritme. Al snel worden echter ook deze klanken overgebracht op objecten, zoals stammen, stokken, speren, ratels en holle voorwerpen.
De bron van het muziekinstrument is dus het gebruik van 'gemeenschapswerktuigen': handgeklap, stampende dansers, het op elkaar slaan van staven of botten. De eerste instrumenten (zoals ook de fluiten, de bamboebuis, de muziekboog, trommels, xylofonen, pijpen, schelp- en dierenhoorntrompetten, worden door een individu bespeeld, en komen pas voor bij meer ontwikkelde volkeren. Bijkomend gevolg: er ontstaat een scheiding tussen uitvoerders en luisteraars, die later kan leiden tot het ontstaan van het beroep musicus.
Begin van meerstemmigheid In drie onafhankelijke gebieden is meerstemmigheid langs verschillende wegen ontstaan. Men onderscheidt: Polynesië, Melanesië, Indonesië, Achter-Indië en de Filipijnen. Het gebied van de Zuidelijke Kaukasus tot Europa Midden- en Zuid-Afrika
Het optreden van meerstemmigheid ontstond onder invloed van de grote en kleine terts als structuur- en toonschredeinterval in het melos. Dit is niet het geval bij secundeschreden, die bij veel natuurlijke meerstemmigheid dissonant klinken.
In de hoge culturen van Azië vormt meerstemmigheid geen overheersend stijlkenmerk, maar de Melanesiërs hebben vele vormen van meerstemmigheid ontwikkeld, zoals imitatie, canon, ostinate vormen, bourdon, polyfone twee- en driestemmigheid.
Buiten Europa bestaan veel van eenstemmigheid afgeleide vormen van meerstemmigheid, zoals de variantenheterofonie, waarbij de ene zanger afwijkt van de andere.
De heterofonie (het anders-zijn van een tweede stem, door er parallel aan te lopen) zien we vaak als variatie of omspeling, bijvoorbeeld ook in de Siamese en Javaanse orkestmuziek, die bestaat uit een gevarieerde grondmelodie. Vaak ontstaan parallelle lijnen in octaven of kwinten en kwarten bij deze vorm van muziek. Het zingen in parallellen (parallel organum) als homofone soort meerstemmigheid is oeroud, en zien we ook bij Afrikaanse natuurvolkeren, en op de Kaukasus en in de volksmuziek van IJsland.
Een andere vorm meerstemmigheid ontstaat uit de imitatie of nabootsing. De canon is daarmee tevens een van de oudste vormen van meerstemmigheid. Een voorbeeld is sommige muziek op het Polynesische Samoa. De canon komt ook voort uit begrippen als volgen en jagen.
Vrije imitaties treft men ook aan op de Salomonseilanden, Borneo en Vietnam. Daarbij liggen de thema's verder uit elkaar. Ook vindt men daar polyfonie door twee volkomen zelfstandige stemmen.
Bourdonmeerstemmigheid ontstaat uit het laten doorklinken van een lage stem op een toonhoogte waarbij een tweede stem melodieën zingt met wisselende toonhoogten. (Vergelijk de doedelzak.)
Primaire samenklanken ontstonden ook uit het gelijktijdig laten klinken van gongs of klokken. Veel gamelansamenklanken leidden ook tot pentatoniek.
Oud-Egyptische muziek
Muziek in de Egyptische samenleving In het Oude Egypte speelden muziek en dans een belangrijke rol in de samenleving. De Egyptenaren beschouwden muziek als een manier om vreugde te bevorderen en om zorgen te vergeten. Bovendien diende muziek om godheden te eren: uit de Egyptische oudheid zijn diverse hymnen bewaard gebleven.
Muziek is waarschijnlijk gedurende de hele Egyptische oudheid van belang geweest. Het eerste directe bewijs hiervan stamt echter pas uit ongeveer 31e eeuw v.Chr., toen verschillende reliëfs met dansen werden aangebracht in onder andere tempels en tombes. Muziek kwam in alle sociale kringen voor en werd gespeeld in tempels, paleizen, werkplaatsen, boerderijen en zelfs op slagvelden. De muzikanten die in tempels speelden (meestal vrouwen, de zogenaamde shemayets) stonden het hoogst op de sociale ladder. Veel goede, getalenteerde artiesten werden uitgenodigd door de farao om aan het hof te werken en zij werden daarom ook zeer gerespecteerd. Zij die muziek maakten op feesten stonden iets lager in de maatschappij.
In het Oude Egypte waren het voornamelijk de slag- en snaarinstrumenten die gebruikt werden. De melodie werd voornamelijk gezongen. Instrumenten en handgeklap dienden als ritmische begeleiding. De crotales, de aulos (Grieks) en de harp waren toen zeer populaire instrumenten. Het geheel werd vaak gedirigeerd door een centraal persoon.