Het Groningenveld (ook wel aardgasveld van Slochteren) is een aardgasveld onder de Nederlandse provincie Groningen. Met een geschatte 2.740 miljard normaal kubieke meter aan winbaar aardgas was het het grootste aardgasveld van Europa en een van de grootste aardgasvelden ter wereld.

Het gasveld werd op 29 mei 1959 ontdekt op het land van boer K.P. Boon in Kolham bij Hoogezand in de toenmalige gemeente Slochteren. De daaropvolgende winning van het aardgas kwam centraal te staan in de energievoorziening in Nederland. Vrijwel heel Nederland werd in de jaren daarna aangesloten op het Gronings gas. De aardgasbaten waren belangrijk in de naoorlogse ontwikkeling en opbouw van de Nederlandse verzorgingsstaat. Tot 2013 is er 2.057 miljard m³ aardgas uit het veld gehaald.

De gaswinning had echter bodemdaling boven het veld tot gevolg. Vanaf 1991 ging dit gepaard met aardbevingen. Dit leidde tot schade aan huizen en onrust onder bewoners. Vanaf 2014 werd daarom besloten de gaswinning af te bouwen. De gaswinning uit het Groningenveld werd gestopt op 1 oktober 2023.

Geologie links|miniatuur|Doorsnede van het Groningenveld Het moedergesteente van het Groningenveld, de gesteentelaag waarin het aardgas ontstaan is, is de Carboon-laag. Tijdens het Carboon-tijdvak lag wat nu Nederland is op de evenaar en had het gebied tropische moeraswouden. De plantenresten werden na begraving door volgende lagen uiteindelijk steenkool. Specifiek de Limburg Groep bevat veel steenkool. In Zuid-Limburg ligt deze laag ondiep genoeg voor kolenmijnen, maar in Groningen op 3,3 kilometer onder de grond. Als bijproduct van steenkool in die laag ontstond droog aardgas.

Dit gas steeg vervolgens naar het bovenliggende Boven Rotliegend uit het tijdperk Perm. Binnen het Boven Rotliegend ligt het specifiek in de Slochteren Formatie. Deze laag heeft een porositeit van 15-20% en een permeabiliteit van 0,1-3000 mD. Tijdens het Perm bestond het gebied uit woestijn, waarvan het zand afkomstig was uit het Variscische gebergte. De beste reservoirs bevinden zich in het fijnkorrelig eolisch duinzand. In het geval van het Groningenveld zit er ook veel gas in het grovere korrelige fluviatiele wadizand. Het reservoir ligt tussen de 2600 en 3200 meter onder de grond. Boven het Boven Rotliegend ligt de Zechstein-laag, die het afsluitingsgesteente vormt. Deze laag bevat ondoorlaatbare carbonaat-, haliet- en anhydrietlagen waardoor het gas in het Boven Rotliegend bleef.

Eigenschappen Gronings gas

+ Samenstelling Gronings gas Component Vol% Methaan 81,30 Ethaan 2,85 Propaan 0,37 Butaan 0,14 Pentaan 0,04 Hexaan 0,05 Stikstof 14,35 Zuurstof 0,01 Kooldioxide 0,89 Het gas uit het Groningenveld wordt gekenmerkt door een hoog percentage stikstof. Het hoge percentage stikstof, dat niet brandbaar is, zorgt voor een lage calorische waarde van 35,17 megajoule per kubieke meter (MJ/m³). Door de afwijkende calorische waarde en hogere druk moesten gasverbruikende toestellen, zoals geisers en gasfornuizen, na 1963 van andere branders worden voorzien dan wel geheel worden vervangen.Koninklijke Olie: de eerste honderd jaar 1890-1990, H. Gabriëls, p.172 Andersom moest bij de afbouw van de gaswinning stikstof toegevoegd worden aan geïmporteerd hoog calorisch gas. Hiervoor wordt sinds 2020 gewerkt aan een stikstoffabriek in Zuidbroek.

Omvang Het gasveld is verspreid over ongeveer 900 vierkante kilometer. De schatting voor de inhoud van het gasveld is vanaf de ontdekking in 1959 fors gestegen. Na het boorsucces in Delfzijl werd de omvang van het gasveld geschat op 60 miljard m³. Er werd verder gezocht en de gasramingen werden steeds verder naar boven bijgesteld; in het najaar van 1962 was de schatting 470 miljard m³; in oktober 1963 al 1110 miljard m³ en in 1967 2000 miljard m³.Geologie van Nederland, Delfstoffen en Samenleving, p.31 Met de kennis van 2010 wordt de winbare gasvoorraad geschat op 2700 miljard m³. De winbare gasvoorraad is afhankelijk van de techniek en prijs van het gas, want bij hogere prijzen zijn meer reserves economisch winbaar.

Geschiedenis Ontdekking Aardgas was aanvankelijk vooral een bijproduct van aardolie, wat economisch aantrekkelijker was. In 1948 trof de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), gedeeld eigendom van Shell en Esso, bij Coevorden voor het eerst een aardgasveld aan in Nederland. Hierdoor ontstond het vermoeden dat er meer aardgasvelden in Nederland te vinden waren. In het noorden en oosten werd daarom gezocht naar aardgasvelden, ook bij het latere Groningenveld. In 1954 en 1955 leverden boringen bij Haren en Vlagtwedde niets op. Op 24 oktober 1955 vond men bij het zoeken naar aardolie bij Thesinge wel aardgas in de Zechsteinformatie, maar boorde men 40 à 50 meter te weinig om ook het Groningenveld te ontdekken.

miniatuur|links|Boortoren Groningenveld met fakkeltoren Op 29 mei 1959 begon de NAM met verkennend onderzoek op een stukje land van boer Kees Boon, bij Kolham in de gemeente Slochteren. Twee maanden later op 22 juli leidde het boren voor het eerst tot de vondst van aardgas. Landelijk bleef het aanvankelijk beperkt nieuwswaardig, omdat over de omvang weinig bekend was. Dat het een groot gasveld was, werd pas duidelijk toen in 1960 bij Delfzijl aardgas werd gevonden. De eigenschappen van dat aardgas kwamen overeen met dat van Slochteren, waardoor geconcludeerd werd dat het hetzelfde gasveld was. Deze bevindingen omtrent de omvang werden aanvankelijk geheim gehouden, ook voor NAM-aandeelhouder Esso.

Pas op 14 oktober 1960 werd de omvang wereldkundig. Een Belgische krant berichtte over een toespraak van Belgisch Europarlementariër Victor Leemans, waarin hij vermeldde dat Nederland een gasveld ter grootte van 300 miljard m³ had gevonden. Het kabinet reageerde op Kamervragen dat er inderdaad een grote hoeveelheid aardgas was gevonden, maar hield het op 60 miljard m³. Binnenskamers werd toen uitgegaan van hooguit 100 miljard m³.

Inrichting Gasgebouw miniatuur|NAM-directeur Jo Bongaerts, Commissaris van de Koningin Cees Fock en minister van Economische Zaken Jan de Pous (v.l.n.r.) bij de officiële ingebruikname van het Groningenveld op 25 juli 1963. Na de ontdekking vroeg de NAM de concessie aan voor het veld. De NAM was op initiatief van Esso-medewerker Douglass Stewart van plan om het gas direct aan huishoudens te verkopen. De Nederlandse Staat had zich eerder verplicht al het gewonnen aardgas in Nederland af te nemen. Met de grootte van het Groningenveld werd deze belofte echter financieel onhoudbaar. Minister van Economische Zaken Jan de Pous ging daarom onderhandelen met de NAM over de gaswinning. Shell en Esso wilden aanvankelijk een zeer fors meerderheidsaandeel in de winning en verkoop, tot afkeuring van De Pous. Daartegenover stond dat de Partij van de Arbeid een grotere rol voor de overheid wilde. Tweede Kamerlid Anne Vondeling pleitte zelfs voor volledige nationalisatie. Na ruim anderhalf jaar onderhandelen stuurde De Pous op 17 juli 1962 de 'Nota inzake het aardgas', ook bekend als de 'Nota De Pous', naar de Tweede Kamer. Hierin werden de taken van verschillende partijen geregeld. Deze verdeling werd later bekend als het Gasgebouw.

Besloten werd om de exploitatie van het Groningenveld te regelen in de "Maatschap Groningen". In deze maatschap had de Staat, via de Nederlandse Staatsmijnen (later DSM en EBN) een belang van 40% en de NAM voor 60%. De keuze voor een maatschap was bedoeld om te verhullen dat de Staat deelnam aan de aardgaswinning. Hiermee probeerde men onder meer te voorkomen dat sjeiks in het Midden-Oosten naar Nederlands voorbeeld ook winsten kwamen opeisen bij Shell en Esso die daar olie wonnen. Op het bewust ontwijken van openbaarheid was toen al kritiek van onder meer minister van Justitie Albert Beerman.

miniatuur|links|Werkzaamheden pijpleiding voor Gronings aardgas (1963) In de nota werd ook de basis gelegd voor de oprichting van de Nederlandse Gasunie. De aandelen daarvan waren voor 10% direct in handen van de Nederlandse Staat, voor 40% van de Staatsmijnen en 50% gedeeld door Shell en Esso. De Gasunie kreeg als taak een pijpleidingnet aan te leggen om heel Nederland aan te sluiten op het Groninger aardgas. In steden waar al stadsgas gebruikt werd, werden de bestaande leidingen gebruikt. In december 1968 werd gevierd dat Egmond aan Zee als laatste gemeente werd aangesloten op het Groninger aardgas.

Naast de gasnota werd op 4 maart 1963 een Overeenkomst van Samenwerking ondertekend door de Staatsmijnen, de NAM, Shell en Esso. Hierin werden verder afspraken vastgelegd tussen de partijen. Op 30 mei 1963 werd vervolgens de concessie aan de NAM verleend.Geologie van Nederland, Delfstoffen en Samenleving, Redactie Dr. H.M. van Montfrans e.a., SDU Uitgeverij, Den Haag, 1988, p.31

Weerstand De plannen konden grotendeels rekenen op steun van de Tweede Kamer. Alleen het Groningse Kamerlid Arend Biewenga merkte tijdens een debat op 4 oktober 1962 op dat gaswinning in de Verenigde Staten en Italië geleid had tot bodemdaling. Volgens De Pous was daar echter bij het Groningenveld geen sprake van en werd dat anders vergoed door de NAM en Staatsmijnen. In een ingezonden brief in het Nieuwsblad van het Noorden waarschuwde ook ingenieur Willem Meiborg op 8 november 1963 voor bodemdaling. Hij voorspelde bodemdaling oplopend tot één meter en vroeg om geld te reserveren voor de gevolgen. Publiekelijk ontkende de NAM de voorspelling van Meiborg, maar liet in het geheim toch onderzoek doen. Het onderzoek bevestigde dat bodemdaling kon optreden, oplopend tot anderhalve meter. Het onderzoek werd gedeeld met de provincie Groningen, maar werd niet publiek gemaakt. Het kwam pas naar buiten toen D66-Kamerlid Jan Terlouw in 1972 erachter kwam en er Kamervragen over stelde.

miniatuur|Volkscongres in Korenbeurs te Groningen, 15 april 1972. In het midden zit Fré Meis. Op papier maakte de ontdekking van het gasveld Groningen de rijkste regio van Nederland. Sommigen in Groningen waren blij met de banen die de gaswinning met zich meebracht. Anderen vonden juist dat de economisch achtergestelde provincie niet genoeg profiteerde van de aardgaswinning. De aardgasbaten vloeiden namelijk naar de nationale begroting, waardoor het sentiment ontstond dat Groningen gebruikt werd als wingewest. Prominent beklaagde Gronings CPN-politicus Fré Meis zich over deze in zijn ogen onrechtvaardigheid. Tussen 1972 en 1980 organiseerde de CPN daarom viermaal een Volkscongres om hiervoor aandacht te vragen. Dit sentiment keerde in de decennia daarna regelmatig terug.

Kleineveldenbeleid miniatuur|links|Aardgasvelden in Nederland in 2008 met concessie voor NAM. Rechtsboven bevindt zich het Groningenveld. De rest wordt beschouwd als kleine velden. Tot 1959 was men ervan uitgegaan dat in de Noordzee geen aardgas en aardolie te vinden was. Dit inzicht veranderde echter na de ontdekking van het Groningenveld. In het decennium na de vondst werd daarom ook succesvol gezocht naar velden in de Noordzee.

Aanvankelijk was de verwachting dat kernenergie op den duur het gebruik van aardgas zou verdringen. Er werd dus ingezet op het zo snel mogelijk verkopen van het aardgas, zowel in binnen- als buitenland. In het midden van de jaren 70 werd dit beleid herzien na de oliecrisis van 1973 en de maatschappelijke weerstand tegen kernenergie. Daarom ontstond de wens om het Groningenveld als reserve te behouden. In 1974 werd daarom het kleineveldenbeleid geïntroduceerd. Dit beleid had als doel om meer aardgas uit kleinere velden, onder meer in de Noordzee, te halen zodat minder uit het Groningenveld hoefde te komen. Omdat kleine velden hogere exploitatiekosten met zich meebrachten, verlaagde de Nederlandse Staat zijn winstaandeel om exploitatie aantrekkelijker te maken.

Aardbevingen