Christoffel Columbus (Italiaans Cristoforo Colombo, Spaans Cristóbal Colón, Portugees Cristóvão Colombo, Latijn Christophorus Columbus; Genua, 1451 – Valladolid, 20 mei 1506) is de beroemdste ontdekkingsreiziger uit het tijdperk van de grote ontdekkingen. Hij maakte naam door zijn ontdekking van Amerika onder Spaanse vlag in 1492. Columbus dacht na het oversteken van de Atlantische Oceaan Indië bereikt te hebben, maar was in werkelijkheid gestuit op een (voor hem en zijn plaats- en tijdgenoten) Nieuwe Wereld.
Zijn ontdekking vormt een keerpunt in de wereldgeschiedenis, waarvan de betekenis nauwelijks overschat kan worden. Europese machten koloniseerden de beide Amerikaanse continenten. De ruime hoeveelheden land en grondstoffen speelden een rol bij de opkomst van Europa als het overheersende continent in de wereld.
De Columbiaanse uitwisseling zorgde voor een wereldwijde uitwisseling van gewassen, dieren en ziektes. De besmettelijke ziektes van de Oude Wereld hadden een verwoestende uitwerking op de inheemse bevolkingen.
Even opmerkelijk als de ontdekkingen van Columbus is diens eigen levensloop. Ondanks zijn eenvoudige komaf wist hij zich toegang te verschaffen tot de koninklijke hoven van Portugal en Spanje om daar zijn plannen voor een westwaartse route naar Azië te bepleiten. Op basis van zijn praktische ervaringen op zee en - foutieve - geografische veronderstellingen argumenteerde hij dat dit een korte oversteek zou zijn. Na jaren lobbyen kreeg hij groen licht van koningin Isabella van Castilië. In vier ontdekkingsreizen bracht hij een groot deel van het Caraïbisch gebied in kaart. Columbus werd tevens gouverneur van de Spaanse kolonie op Hispaniola, maar was als bestuurder geen succes. Hij bleek niet in staat een effectief gezag op te bouwen en werd in 1500 ontheven uit zijn functie. Op Hispaniola zette Columbus wel de toon voor de Spaanse overheersing van de inheemse volken van de Nieuwe Wereld door de plaatselijke Taíno gewelddadig te onderwerpen. Na een laatste tocht naar Midden-Amerika stierf hij in 1506, nog steeds ervan overtuigd dat hij Azië had bereikt.
Jeugd en vroege carrière Over het latere leven van Christoffel Columbus is veel bekend, maar over zijn vroege verrichtingen is hij zelf de voornaamste bron. Hij werd in 1451 geboren in Genua (zie ook: De afkomst van Columbus) als zoon van Domenico Colombo en Susanna Fontanarossa, beiden wevers. Een wever met de naam Domenico Colombo bezat in de jaren 1470 een herberg in het naburige Savona en wellicht is dat dezelfde.Fernández-Armesto, p. 2 Duidelijk is wel dat Columbus uit een eenvoudige familie stamde. Een Spaanse vriend omschreef Columbus als een man met een grote intelligentie, maar weinig opleiding.Thomas, p. 58 In zijn latere leven leerde Columbus Latijn, Portugees en Castiliaans en las hij veel werken over astronomie, geografie en geschiedenis.
Columbus meldde zelf dat hij al op jonge leeftijd naar zee was gegaan. Vanaf 1473 werkte hij als koopman voor Centurione, een Genuese handelsfirma. In die hoedanigheid bereisde hij de Middellandse Zee en het toen bekende deel van de Atlantische Oceaan. Hij deed in die jaren ruime ervaring op over de navigatie op de oceaan. In 1477 maakte hij een reis naar Bristol en Ierland. Zelf beweerde hij dat hij toen ook honderd leuga voorbij IJsland is gezeild, maar dit is twijfelachtig.Fernández-Armesto, p. 18 Columbus verkende de Atlantische Oceaan ook in zuidelijke richting. Tussen 1482 en 1485 maakte hij een reis naar de Golf van Guinee, waar de Portugezen net het fort Elmina aan de Goudkust hadden gevestigd. Uit zijn latere geschriften blijkt dat hij goed op de hoogte was van de omstandigheden in West-Afrika en Elmina als voorbeeld nam bij het inrichten van zijn eigen kolonie.Fernández-Armesto, p. 19
Rond 1476 vestigde Columbus zich in Lissabon. Zijn broer Bartolomeo werkte daar als cartograaf. Hij huwde in 1478 met Filipa Moniz Perestrello. Zij schonk Columbus zijn enige wettige zoon, Diego en overleed enkele jaren later.Het is ook mogelijk, dat Columbus haar gewoon verliet. Als dochter van de gouverneur van het eilandje Porto Santo was Filipa een goede partij voor Columbus, die daardoor een stapje hoger op de sociale ladder kwam. Op Madeira en Porto Santo werd op plantages suikerriet verbouwd met behulp van Afrikaanse slaven. Columbus bezocht Madeira en werd actief in de suikerhandel met deze eilanden. In deze periode bezocht hij ook de Azoren, 1500 kilometer ten westen van Portugal.
Plannen voor een westwaartse route naar Indië thumb|Replica's van de Santa María, de Niña en de Pinta uit 1893 Achtergrond De Portugezen hadden sinds de start van hun ontdekkingsreizen onder Hendrik de Zeevaarder veel vooruitgang geboekt langs de kust van Afrika. In 1486 kwam Diogo Cão al tot in Namibië, 9000 kilometer van Lissabon. De Portugezen hoopten via een route rond Afrika toegang te verkrijgen tot de lucratieve specerijenhandel en andere rijkdommen van Indië. Wellicht konden ze dan ook contact leggen met de legendarische priester Johannes. Deze mythische christelijke heerser zou een machtige bondgenoot zijn in de strijd tegen de Moren.
Gedurende hun reizen langs de Afrikaanse kust leerden de Portugezen het circulaire windsysteem van de Atlantische Oceaan steeds beter kennen. Op de heenreis konden ze met behulp van de noordoostpassaat de kust volgen. Bij de thuisreis voeren ze in noordwestelijke richting de open zee op tot ze bij de Azoren in de gordel van westenwinden terechtkwamen die hen terugbracht naar Portugal. Ze noemden deze navigatietechniek de volta do mar (terugkeer over de zee). Bij de lange tochten over zee werden de negen eilanden van de Azoren en de Kaapverdische eilanden ontdekt. De algemene verwachting was dat er nog meer eilanden in de oceaan te vinden waren, zoals het legendarische Antillia, het eiland van Sint-Brandaan en Brasil. Op kaarten werden deze eilanden steevast ingetekend, bijvoorbeeld door de in Lissabon werkzame Duitse geograaf Martin Behaim.
Christoffel Columbus had het bekende deel van de Atlantische Oceaan van noord tot zuid doorkruist. Hij was zeer vertrouwd met de windsystemen. Op basis van deze praktische ervaringen rijpte bij hem het plan om met behulp van de noordoostpassaat in westwaartse richting terra incognita te verkennen. De vraag was wat hij aan zou treffen.
Geografische overwegingen thumb|left|Toscanelli’s kaart van de Atlantische Oceaan, geprojecteerd op de werkelijke situatie thumb|Kaart van de Atlantische Oceaan, gemaakt door Columbus en zijn broer Bartolomeo, ca. 1490 Het concept van een bolvormige Aarde was in de renaissance onder geografen algemeen aanvaard. De oude Grieken hadden dit al vastgesteld; de grootste autoriteit onder hen was Claudius Ptolemaeus, wiens standaardwerk Geographia in de 15e eeuw was vertaald in het Latijn. Ptolemaeus stelde dat er tussen Europa en Azië een open oceaan was, waardoor men in principe westwaarts zeilend vanuit Europa Azië kon bereiken. Volgens Ptolemaeus strekte deze oceaan zich echter over de halve aardbol uit en was zo'n reis dus praktisch niet haalbaar. Verschillende geografen in de renaissance dachten hier echter anders over. De discussie ging vooral over twee zaken: hoe ver Azië zich naar het oosten uitstrekte én hoe groot de omtrek van de aarde was.
Ptolemaeus had berekend dat de Euraziatische landmassa zich over 177 van de 360 lengtegraden uitstrekte. Dat was al 50 lengtegraden meer dan de werkelijkheid, maar Ptolemaeus' tijdgenoot Marinus van Tyrus schatte de breedte van Eurazië zelfs op 225 lengtegraden. De Franse geestelijke Pierre d'Ailly nam Marinus' theorie over en Martin Behaim ging nog een stapje verder met 234 lengtegraden.
Eratosthenes, hoofdbibliothecaris van de Bibliotheek van Alexandrië, had de omtrek van de aarde al in de oudheid op een theoretisch correcte manier berekend, maar door het gemis aan betrouwbare meetpunten en vergelijkbare meeteenheden bleef dit omstreden. De werkelijke omtrek van de aarde op de evenaar is 40 075 kilometer, maar de meeste tijdgenoten van Columbus schatten deze afstand lager in.
De Florentijnse geograaf Paolo dal Pozzo Toscanelli (1397-1482) propageerde de theorie van een smalle, bevaarbare Atlantische Oceaan. In 1474 had hij over dit onderwerp een brief en een kaart aan de Portugese koning gestuurd. Columbus kende deze ideeën en had nog met Toscanelli gecorrespondeerd, vlak voor diens dood.Fernández-Armesto, p. 31 Columbus vestigde zich in de jaren 1480 als boekhandelaar in Lissabon en stortte zich op alle mogelijke literatuur in de hoop zijn stelling te onderbouwen dat het mogelijk was om de Atlantische Oceaan over te steken. Hij ging daarbij zeer opportunistisch te werk: alle argumenten vóór een smalle oceaan gebruikte hij en de rest negeerde hij. De werken die Columbus las zijn bewaard gebleven. Hij maakte minstens 2115Boorstin, p. 255 kanttekeningen in de marges van zijn boeken, zodat er een goed beeld is van de zaken die hem aanspraken. De meeste aantekeningen maakte hij in de Geographia van Ptolemaeus, de Imago Mundi (1410) van Pierre d'Ailly, Marco Polo's boek Il Milione, de Historia Rerum ubique Gestarum (1477) van Paus Pius II en de Bijbel. Naast geografische zaken noteerde Columbus ook veel bij passages over de rijkdommen en exotische wezens in het oosten. Zo streepte hij elke passage over de Amazonen aan.
Columbus nam de te hoge schattingen van de breedte van Eurazië over en op grond van eigen waarnemingen in de Golf van Guinee stelde hij dat de aarde een omtrek van 32 000 kilometer had, acht procent kleiner dan de laagste schatting van zijn tijdgenoten. Zelfs met deze aannames bleven er langs de evenaar nog 12 000 kilometer oceaan te overbruggen. Columbus had echter nog een derde argument: in de 13e eeuw was de Venetiaan Marco Polo naar het Cathay (China) van Koeblai Khan gereisd. Marco Polo had, als eerste Europeaan, melding gemaakt van een groot en schatrijk eiland Cipangu (Japan), 2500 kilometer ten oosten van China. Bovendien vertelde Marco Polo dat er nog 1378 andere eilanden in die zee lagen. Columbus mocht dus hopen op diverse tussenstops op een tocht naar China.
Op zoek naar sponsors voor de tocht thumb|left|Koningin Isabella van Castilië Columbus had voor zijn expeditie de steun van een staat nodig, al was het alleen maar om eventuele ontdekkingen te beschermen. Hij had zelf geen financiële middelen van betekenis. In 1484 benaderde hij de Portugese koning Johan II voor een westwaartse tocht, maar zijn verzoek werd afgewezen. De door de koning benoemde adviescommissie twijfelde vooral aan de door Columbus ingeschatte afstand tot Cipangu. Wellicht waren ook Columbus' wensen ten aanzien van de beloning een probleem.Thomas, p. 71 In 1487 steunde Johan II namelijk wel een vergelijkbaar project van de Vlaming Ferdinand van Olmen. Deze vertrok vanaf de Azoren in westelijke richting - er werd nooit meer iets van hem vernomen.
Nadat hij in Portugal bot had gevangen, zocht Columbus zijn heil in Spanje. Hij had geen gelukkige timing. Het katholieke koningspaar, Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragon, had zijn handen vol met de oorlog tegen Granada. De uiteindelijke verovering van Granada in 1492 betekende de afronding van de Reconquista van het Iberisch schiereiland. Spanje richtte zich daarnaast ook op overzeese expansie: tussen 1478 en 1496 veroverden de Spanjaarden Gran Canaria, La Palma en Tenerife op de Canarische Eilanden. Voor Columbus vormden deze eilanden, vanwege hun ligging in het gebied van de noordoostpassaat, een ideaal vertrekpunt voor zijn tocht over de Atlantische Oceaan.