Carel Fabritius (Middenbeemster, gedoopt 27 februari 1622 – Delft, 12 oktober 1654) was een Nederlandse kunstschilder uit de zeventiende eeuw.
Carel Fabritius wordt algemeen beschouwd als Rembrandts meest getalenteerde leerling, voor wie onder anderen Vincent van Gogh zijn bewondering uitsprak. Fabritius schilderde historiestukken, portretten, stillevens en stadsgezichten. Door zijn belangstelling voor lichtval, perspectief en trompe-l'oeil was hij een van de grondleggers van de zogenoemde Delftse school waarvan Johannes Vermeer de bekendste vertegenwoordiger is.
Aan zijn schildercarrière kwam in 1654 abrupt een einde, toen hij omkwam tijdens de ontploffing van het Delftse kruitmagazijn. Waarschijnlijk is een deel van zijn werk door deze ramp verloren gegaan. Voor zover bekend zijn er zo'n vijftien schilderijen en een twaalftal tekeningen bewaard gebleven.
Leven
Afkomst miniatuur|Carel Fabritius, De opwekking van Lazarus, circa 1643, Nationaal Museum van Warschau miniatuur|Carel Fabritius, Portret van Abraham de Potter, 1649, Rijksmuseum Amsterdam, Amsterdam miniatuur|Carel Fabritius, Het puttertje, 1654, Mauritshuis, Den Haag miniatuur|Detail van Gezicht in Delft met de Nieuwe Kerk en links in de verte het Stadhuis
Carel Pietersz. Fabritius is vernoemd naar zijn grootvader Carel Pietersz., een calvinistische predikant die rond 1560 in Gent was geboren. Nadat Gent en Antwerpen waren heroverd door de Spanjaarden, vluchtte hij rond 1585 naar Noord-Holland, waar hij werk vond als dominee, achtereenvolgens in Aartswoud, in Westwoud en Binnenwijzend en vanaf 1602 in Purmerend. In 1597 trouwde hij met Anna Jansdr., een geloofsgenoot uit Emden.Brown 1981, p. 13; Duparc 2004, p. 14 De Oost-Friese havenstad Emden was vooral in de periode 1554-1572 een uitwijkplaats voor calvinisten die op de vlucht waren voor de Spaanse Inquisitie., Handboek van de Reformatie, 2012, Utrecht, Kok, , p. 46-49, 58, 72, 111 De familie van Carel Fabritius onderhield kennelijk hechte contacten met de calvinistische geloofsgemeenschap van Emden, want zijn beide grootmoeders kwamen ervandaan, evenals de vrouw van Abraham de Potter, de huisvriend wiens portret Carel in 1649 zou schilderen. Abraham en Sara de Potter waren in 1636 de doopouders van Carels broer Johannes.Brown 1981, p. 22, 146; Duparc 2004, p. 41-42
Rond 1598 werd Pieter Carelsz. (circa 1598-1653) geboren, de vader van Carel Fabritius. De ambitie van grootvader Carel om zijn oudste zoon een opleiding tot predikant te laten volgen, moest wegens geldgebrek worden bijgesteld. In plaats daarvan werd Pieter in 1619 onderwijzer, koster en voorzanger in de kerk van Middenbeemster in de kort tevoren drooggemaakte Beemster. Hij kreeg verder toestemming om buyten schooltijt te schilderen, zolang het maar niet ten koste ging van zijn leerlingen. Pieter Carelsz. trouwde in 1621 met Barbertje Barentsdr. van der Maes (1601-1667), die tot vroedvrouw van de Beemster werd aangesteld. Ze kregen elf kinderen van wie er drie schilder werden: Carel, Barent en Johannes.Wijnman 1933b; Brown 1981, p. 14-15, 84 (noot 14); Duparc 2004, p. 15-16
Schildersopleiding De exacte geboortedatum van Carel Fabritius is niet bekend, wel de datum waarop hij gedoopt is: 27 februari 1622.Duparc 2004, p. 16; doopregister: "Anno. 1622. den 27 february pieter carelses zoon Carel. peet Jan carelss." Over zijn jeugd is verder niets overgeleverd, maar het lijkt logisch dat hij zijn eerste schilderlessen van zijn vader kreeg.Brown 1981, p. 14; Duparc 2004, p. 73
Op 1 september 1641 verloofde Carel Fabritius zich met zijn jonge buurvrouw Aeltje (of Aeltge) Hermans Velthuys, de zus van dominee Tobias Velthusius die ruim een jaar eerder samen met haar de pastorie had betrokken.Brown 1981, p. 146-147 (nr. 3); Duparc 2004, p. 17: "1641 den 1 September Carel pieterss fabritius Jonck gesel wtte beemster ende Aeltge Hermens dr van hasselt tsamen wonen[de] in de beemster hier getrout" Na het huwelijk zijn ze waarschijnlijk al snel naar Amsterdam verhuisd. Uit officiële documenten valt namelijk op te maken dat ze in 1643 in de Runstraat aldaar woonden, en wel in het huis waar de hollandse tuijn uithing (op een uithangbord). Aeltje was niet onbemiddeld en omdat na haar dood de schilderijen die zich in hun Amsterdamse huis bevonden, tot haar bezit werden gerekend, lijkt het aannemelijk dat zij en haar familie hebben meebetaald aan Fabritius' schildersopleiding.Brown 1981, p. 16-18, 147 (nr. 6); Duparc 2004, p. 17-18
In deze Amsterdamse periode ging hij hoogstwaarschijnlijk in de leer bij Rembrandt van Rijn. Het enige concrete bewijs hiervoor wordt geleverd door Samuel van Hoogstraten die hem zijn "meedeleerling" noemt en een paar anekdotes over hun ervaringen vertelt.Hoogstraten 1678, p. 11 & 181 Bovendien is een van Fabritius' vroegste werken, De opwekking van Lazarus, volgens kunsthistorici duidelijk beïnvloed door De nachtwacht, het schuttersstuk dat Rembrandt in 1642 voltooide.Brown 1981, p. 26, 121; Duparc 2004, p. 21; Suchtelen & Seelig 2004, p. 83
Fabritius zou niet lang in Amsterdam blijven wonen. In 1643 overleed zijn vrouw, waarschijnlijk in het kraambed. Hun dochter Catrina werd op 29 maart 1643 in de Nieuwe Kerk in Amsterdam gedoopt. Hun eerste kind was al het jaar ervoor begraven. Op 1 juni 1643 blijkt Carel Fabritius weer in Middenbeemster te wonen. Enkele maanden later overleed ook zijn laatste dochtertje dat net als haar moeder Aeltje werd genoemd. Het is niet duidelijk of hiermee Catrina wordt bedoeld of dat het een derde kind was, wellicht het tweelingzusje van het eerste kind, zoals Duparc veronderstelt. In dat geval zou Catrina kort na haar geboorte zijn overleden.Brown 1981, p. 16-17; Duparc 2004, p. 17-19
Opdrachten Hoelang Fabritius precies in Rembrandts atelier heeft verbleven is niet bekend. Het is goed mogelijk dat hij na zijn terugkeer naar Middenbeemster contact heeft gehouden met Rembrandt en zelfs heeft meegewerkt aan opdrachten, die onder Rembrandts naam werden uitgevoerd. Het was een gebruikelijke praktijk dat minder gefortuneerde leerlingen hun lessen (gedeeltelijk) achteraf betaalden door een aantal jaren in het atelier van hun meester te blijven werken, ook als ze al zelfstandig schilderijen maakten.Wheelock 2014; Wetering 2016, p. 9-10
Op 22 oktober 1649 kreeg Fabritius betaald voor een omvangrijke, niet nader omschreven opdracht die hij had uitgevoerd voor Balthasar Deutz, misschien op het familielandgoed in de Beemster waar Deutz woonde. Via Abraham de Potter is Fabritius mogelijk in contact gekomen met Balthasar Deutz, die net als De Potter zijdehandelaar was. In juli 1650 betaalde Balthasar Deutz' moeder, Elisabeth Coymans, 25 gulden aan Fabritius voor een portret van haar zoon.Duparc 2004, p. 41-42 Ze was een dochter van Balthasar Coymans, de stamvader van de rijke Coymansfamilie die opdrachten gaf aan vooruitstrevende architecten, zoals Jacob van Campen en Philips Vingboons, en zaken deed met Rembrandt., Philips Vingboons (1607-1678), architect, 1989, Zutphen, Walburg Pers, p. 26; , Rembrandt, zijn leven, zijn schilderijen, 1984, Maarssen, p. 136-137 Verder schilderde hij nog het dubbelportret van de kunstschilder Pieter Leendertsz. van der Vin (een leerling van Emanuel de Witte) en zijn vrouw, maar toen woonde hij misschien al in Delft (het wordt vermeld in 1655).Brown 1981, p. 62, 64, 152 (nr. 24); Duparc 2004, p. 65 Al deze werken zijn verloren gegaan.
Uit de jaren 1649-1650 is alleen het portret van Abraham de Potter bewaard gebleven, voor wie Fabritius wellicht ook – als woordspeling op Abraham de Putter, een andere spelling van zijn naam – in 1654 Het puttertje heeft geschilderd.
Delft In de nazomer van 1650 trouwde Carel Fabritius met de weduwe Agatha van Pruijsen. Rond dezelfde tijd zijn ze verhuisd naar Delft, waar haar familie woonde. Ze woonden eerst aan de Oude Delft en later aan de Doelenstraat. In de Delftse archieven bevinden zich diverse documenten waar Fabritius' naam in voorkomt. Ze gaan vaak over leningen die hij was aangegaan en andere schulden die hij had uitstaan, onder andere bij een wijnhandelaar. Eén keer trad hij op als getuige voor Egbert van der Poel, de collega-schilder die ook zijn atelier aan de Doelenstraat had. In 1651 werd hij samen met ene Willem Bronsvelt tot voogd aangesteld van de kinderen van een overleden herbergier.Brown 1981, p. 148-152 (nr. 11-14, 16-18, 20); Duparc 2004, p. 50
Over zijn activiteiten als schilder zijn we minder goed ingelicht. De vier Delftse schilderijen die bewaard zijn gebleven stammen uit 1652 en 1654. Het is onbekend hoe hij in de jaren 1650-1652 de kost heeft verdiend, want pas op 17 oktober 1652, toen hij al twee jaar in Delft woonde, liet hij zich inschrijven bij het Sint-Lucasgilde van Delft. Op 6 juli 1654 kreeg hij van het stadsbestuur twaalf gulden betaald "voor het schilderen van een groot en eenighe cleijne wapenen van de stadt".Brown 1981, p. 150-151 (nr. 15, 19); Duparc 2004, p. 51
Abraham de Potter, de gelijknamige zoon van de man die Fabritius in 1649 portretteerde, voerde in 1666 een rechtszaak over het bezit van een schilderij dat enige tijd in het stadhuis had gehangen, maar zich op dat moment in het Prinsenhof bevond. Het was gemaakt door de broers Vosmaer in samenwerking met Carel Fabritius. Daniël en Nicolaes Vosmaer hadden respectievelijk een landschap en een zeegezicht geschilderd, terwijl Fabritius de opzet had gemaakt ("met een krijtge" = houtskool?) en na afloop het schilderij had afgewerkt ("een weijnig geretockeert"). Dit werk is verloren gegaan, maar het vermoeden bestaat dat het Gezicht op Delft met een fantasieloggia van Daniël Vosmaer er een – perspectivisch gezien – wat onbeholpen variant op is.Brown 1981, p. 52, 64, 154, 156 (nr. 34, 35, 36, 37); Kersten & Lokin 1996, p. 102v; Duparc 2004, p. 55
Carel Fabritius overleed op maandag 12 oktober 1654 tijdens de Delftse donderslag. Op die dag ontplofte rond half elf het kruithuis dat niet ver van zijn huis stond, tussen de Geerweg en de Doelenstraat. De stadshistoricus Dirck van Bleyswijck vermeldt in zijn Beschryvinge der Stadt Delft uit 1667 dat Fabritius op dat moment bezig was met het schilderen van het portret van Sijmon Decker, de voormalige koster van de Oude Kerk. In het huis waren verder Fabritius' schoonmoeder Judick van Pruijsen, zijn zwager en zijn leerling of assistent Matthys Spoors aanwezig. Toen ze zes tot zeven uur later onder het puin vandaan werden gehaald, vertoonde alleen Fabritius nog een teken van leven. Hij werd naar het Oude Gasthuis aan de Koornmarkt gebracht en overleed daar een kwartier later. Op 14 oktober 1654 werden Carel Fabritius, Judick van Pruijsen, Sijmon Decker en twaalf andere slachtoffers van de ramp begraven in de Oude Kerk in Delft.Van Bleyswijck 1667, p. 622; Brown 1981, p. 51, 87 (noot 54), 152 (nr. 16), 159-160; Duparc 2004, p. 51Van Bleyswijck 1667, p. 852-853: "in sijn eygen Huys jammerlijck is verplettert / op den 12. October 1654. nevens sijn Schoon-Moeder en Broeder, mitsgaders Simon Decker, gewesene Koster van de Oude Kerck / met wien hy besig was om uyt te schilderen / als mede noch Mathias Spoors, sijn getrouwen Discipel en Leerlingh; alle welcke gesamenlijck met het in-storten van het Huys subitelijck zijn gesneuvelt / werdende (na ses a seven uyren onder het puyn gelegen te hebben) met groote droefheyt en geen kleyne moeyte door sijn mede-Burgers daer uyt gehaelt; Mr. Fabricius [sic] alleen had noch een weynig leven in hem en wierd (vermids de destructie van soo veele Huysen) by provisie in 't oude Gast-huys gebracht / alwaer omtrent een quartier uyrs geweest zijnde / sijn benaeude Ziel uyt het ellendig gekneusde lichaem een af-scheyt nam / zijnde nu noch maer 30. jaren oud."De informatie werd overgenomen door Houbraken (derde deel, p. 338-339), die "vermids de destructie van soo veele Huysen" uitbreidde tot "om dat de huizen der Geneesmeesters voor het meeste mede ingestort waren".
Werk De lessen van Rembrandt