thumb|Damon Hill, in het midden van de jaren 90, toen Williams enorm succesvol was. Williams F1 is een Brits Formule 1-team, en een van de succesvolste teams ooit. Het werd in 1977 opgericht door Frank Williams en Patrick Head. Het team behaalde zijn grootste successen in de jaren tachtig en negentig. Het behaalde negen constructeurstitels en won zeven wereldtitels bij de coureurs. Alleen Ferrari behaalde meer titels bij de constructeurs.

Geschiedenis Voorgeschiedenis In 1967 richtte Frank Williams het team Frank Williams Racing Cars op. Na een goed eerste seizoen met rijder Piers Courage, die tweemaal een tweede plaats haalde, had het team daarna moeite om punten te halen. Eén rijder die – als invaller nota bene – dit presteerde, was Gijs van Lennep.

Williams Grand Prix Engineering Dankzij het Arabische sponsorgeld van Saudia is er eindelijk wat mogelijk. Samen met Patrick Head wordt Williams Grand Prix Engineering opgericht. In 1977 wordt nog een fabrieksauto van March gekocht die bestuurd wordt door de Belg Patrick Neve, maar er worden geen punten gescoord. Dat jaar wordt er ook een nieuwe fabriek betrokken in Oxfordshire.

In 1978 gaat Alan Jones de enige wagen besturen. In de derde race rijdt hij al naar de vierde plaats, terwijl hij in Amerika als tweede eindigt.

In 1979 moet het gaan gebeuren. De wagen is verbeterd en Clay Regazzoni is als tweede rijder aangetrokken. De nieuwe Williams-Ford FW07 is haast onmiddellijk een succes: Alan Jones rijdt een groot stuk van de Grote Prijs van België aan de leiding, terwijl Clay Regazzoni tweede wordt in Monaco na een verbeten strijd met de Ferrari van Jody Scheckter. Op 14 juli wordt historie geschreven: in Engeland wint Regazzoni de eerste Grand Prix voor het Williams-team. Jones wint de volgende drie races en eindigt uiteindelijk als derde in de strijd om de wereldtitel.

1980 wordt het Williams-jaar: Alan Jones behaalt vijf zeges en wordt wereldkampioen, terwijl de nieuwe tweede rijder Carlos Reutemann ook nog een race wint. Tevens wint Williams voor het eerst de constructeurstitel.

In 1981 lijken de successen door te gaan: de eerste twee Grand Prix' worden opnieuw door de Williams-coureurs gewonnen. Reutemann lijkt de nieuwe wereldkampioen te worden, maar wordt uiteindelijk met één punt verslagen door de Braziliaan Nelson Piquet sr..

1982 wordt een bizar jaar, waarin veel ongelukken gebeuren en waarin opnieuw een Williams-coureur de wereldtitel opeist. Hoewel hij slechts één race wint, wordt Keke Rosberg de nieuwe wereldkampioen. Het lage aantal van 44 punten is genoeg voor de titel. Omdat met de komst van turbo-motoren de concurrentie aan het inlopen is, sluit Williams een contract met Honda. Hierna gaat het wat minder met het team.

Rosberg wint in 1983 nog wel de Grand Prix van Monaco, maar hij eindigt als vijfde in de titelstrijd. Een jaar later is hij de sterkste in Dallas, maar verder behalen de Fin en zijn teamgenoot Jacques Laffite maar weinig punten.

In 1985 komt Willams pas laat op gang. De laatste drie races worden gewonnen. Maar Rosberg komt met zijn nieuwe teamgenoot Nigel Mansell niet in de buurt van de wereldtitel.

In 1986 wordt Rosberg vervangen door Nelson Piquet en de tandem Mansell/Piquet blijkt succesvol te zijn, ook al kunnen de twee elkaar niet uitstaan. De Engelsman lijkt wereldkampioen te worden, maar in de laatste race krijgt hij met een snelheid van 300 km/u een klapband en verliest hierdoor de titel aan Alain Prost. De constructeurstitel wordt wel voor de derde keer binnengehaald. Het seizoen wordt echter overschaduwd door een zwaar auto-ongeluk van Frank Williams, waardoor de teambaas voor de rest van zijn leven in een rolstoel zit.

In 1987 is het team oppermachtig. Nelson Piquet wordt de derde wereldkampioen in een Williams, voor de teleurgestelde Mansell.

1988 wordt een mager seizoen voor Williams. Piquet is vertrokken naar Lotus en veel belangrijker: Honda naar McLaren. Er wordt gereden met de zwakkere Judd-motor. Mansell haalt slechts twee keer de finish, wel beide keren als tweede, Riccardo Patrese scoort vier keer punten. Williams eindigt als zevende in de strijd om de constructeurstitel, achter Arrows en March.

Williams-Renault (1989–1997) In 1989 rijdt Williams voor het eerst met de Renault-motor. Hoewel er nog wat problemen zijn met de nieuwe motor, eindigt Williams toch als tweede achter het oppermachtige McLaren-team. De Belg Thierry Boutsen wint twee races en Riccardo Patrese wordt derde in de eindstand. Een jaar later is er niet genoeg progressie. Beide coureurs winnen een Grand Prix, maar in de strijd om de wereldtitel kan het tweetal zich niet mengen.

Nigel Mansell keert in 1991 terug op het oude nest. Vanaf de Grand Prix van Mexico, waar Patrese wint voor Mansell, gaat het weer goed met het Williams-team. Mansell wint vijf races, maar wordt voor de derde keer vicewereldkampioen achter de ongenaakbare Ayrton Senna, Patrese wordt derde met twee zeges.

In 1992 komen eindelijk de grote triomfen terug voor Williams: Mansell wint de eerste vijf races van het seizoen op rij, daarna wint hij nog vier keer. Met 108 punten, 52 punten meer dan zijn achtervolger en teamgenoot Patrese, wordt hij met overmacht wereldkampioen. De Williams FW14B wordt gezien als een van de meest dominante F1-wagens aller tijden. Een goed voorbeeld is de kwalificatie voor de Britse GP als Mansell drie seconden sneller is dan de McLaren van Ayrton Senna. Williams pakt met grote voorsprong de constructeurstitel. Toch vertrekken beide coureurs; Alain Prost en Damon Hill zijn de vervangers. Ook dit tweetal doet het uitstekend: Prost wint zeven Grands Prix en wordt wereldkampioen, Hill eindigt als derde en wint ook drie keer een race.

thumb|Jacques Villeneuve, 1996 Ook Alain Prost stopt na het behalen van zijn titel bij Williams. Dus moet Williams op zoek gaan naar een nieuwe coureur: Ayrton Senna. De Braziliaan is niet vergeten, dat Frank Williams hem ooit z'n allereerste F1-test heeft gegeven en bovendien staat het totaalpakket hem wel aan. De Braziliaan komt echter bij de derde race in San Marino om het leven. De Schot David Coulthard wordt zijn vervanger. Hoewel Hill zes races wint, wordt hij toch slechts vicewereldkampioen achter Michael Schumacher na een spannende ontknoping in de laatste race. Williams wint de constructeurstitel, mede dankzij Mansell, die voor vier races terugkeert in het team, waarvan hij er een wint.

Ook in 1995 eindigt Hill als tweede achter Schumacher, terwijl Coulthard derde wordt.

In 1996 lukt het Hill eindelijk om de zesde coureur te worden die met een Williams wereldkampioen wordt. Acht keer komt hij als eerste over de finish. Bovendien is Damon Hill de eerste zoon van een oud F1-wereldkampioen (Graham Hill in 1962 en 1968) die zelf wereldkampioen wordt. Zijn nieuwe teamgenoot Jacques Villeneuve eindigt als tweede en wint in zijn eerste seizoen in de Formule 1 meteen vier Grands Prix. Toch moest Hill vertrekken. Hij ging naar Arrows. De teamleiding koos voor het Duitse talent Heinz-Harald Frentzen.

1997 is het jaar van Villeneuve. In zijn tweede seizoen in de Formule 1 haalt de Canadees met zeven overwinningen de wereldtitel binnen. Zijn teammaat Heinz-Harald Frentzen wordt tweede en daarmee wordt Williams tevens kampioen bij de constructeurs dat jaar. Deze kampioenschappen zijn tot op heden de laatste die gewonnen zijn door Williams.

Williams-Mecachrome (1998–1999) Villeneuve en Frentzen reden ook in 1998 voor Williams, maar het team begon aan een slechte periode. De oorzaken hiervoor waren dat Renault zich had teruggetrokken als leverancier van fabrieksmotoren en dat topontwerper Adrian Newey was weggekocht door McLaren. De motoren werden geleverd door het bedrijf Mecachrome, dat in de Renault-periode verantwoordelijk was voor de bouw van de Renault-motoren. In het seizoen 1999 werden de Mechachrome-motoren hernoemd tot Supertec. Villeneuve stond in de tweede helft van het seizoen nog wel twee keer op het podium, terwijl Frentzen juist in de eerste helft scoorde. Het team eindigde als derde in het constructeurskampioenschap.

In afwachting van een nieuwe fabrieksmotor van BMW waren de verwachtingen van Williams voor het jaar 1999 niet hooggespannen. Villeneuve was vertrokken en Frentzen aan de kant gezet, maar Ralf Schumacher zorgde ervoor, dat het nog best een aardig seizoen wordt. Als de Duitser de eindstreep haalde, pakte hij punten. Het team behaalde de vijfde plek in het constructeursklassement. Ralf Schumachers teamgenoot Alex Zanardi was hier de oorzaak van, want met nul punten bracht hij Williams omlaag. Het tweejarig contract met Zanardi werd daarna ontbonden.

BMW-Williams (2000–2005) Het seizoen 2000 is het begin van een nauwe samenwerking met BMW. De samenwerking beperkt zich niet alleen tot levering van motoren door BMW, maar het Duitse bedrijf betaalt Williams onder andere om de bolides in de kleuren van BMW te laten rijden. Op rijdersgebied heeft Williams in 2000 een sterk koppel met Ralf Schumacher en Jenson Button. De Duitser pakt weer enkele podiumplaatsen en ook Button scoort de nodige punten. Het totaal van beiden is goed voor een veelbelovende derde plaats in het constructeurskampioenschap.

In 2001 slaagt Williams er net niet in McLaren van de tweede plaats te verstoten. Wel worden er eindelijk weer overwinningen geboekt: drie voor Ralf Schumacher en een voor zijn nieuwe teamgenoot Juan Pablo Montoya. Op Maleisië weet Ralf Schumacher als eerste over de finish te komen. Iedereen gaat ervan uit dat de aanval op Ferrari was ingezet. Schijn bedriegt: Juan Pablo Montoya weet zich wel zeven keer als snelste te kwalificeren, maar hij kan die lijn in een race niet doortrekken. Te vaak zijn er problemen met de motor, in de pits en met de banden.

2002 wordt niet wat er door Williams van werd verwacht. Het team heeft beterschap beloofd.

In 2003 gaat het beter. De motor met het meeste vermogen, twee snelle coureurs: de ingrediënten om het Ferrari lastig te maken zijn aanwezig. Dat lukt eigenlijk maar voor de helft: Ferrari grijpt in de laatste race de constructeurstitel. De samenwerking met Michelin werpt voor Williams eindelijk zijn vruchten af, maar is nog niet voldoende voor het kampioenschap.

In 2004 blijkt het team van Ferrari onverslaanbaar en moet Williams genoegen nemen met een vierde plek in de strijd om de constructeurstitel. De Williams FW26 was een opvallende verschijning met de "walrus-neus". Het ontwerp bracht niet het verwachte succes en halverwege het seizoen schakelde men weer over op een "gewone" voorkant. Het seizoen 2004 staat ook in het teken van een zwaar ongeluk van Ralf Schumacher. Met een snelheid van meer dan 300 kilometer per uur rijdt hij op Indianapolis de betonnen muur van bocht 13 in. Hierna mogen testrijders Marc Gené en Antonio Pizzonia hem voor zes races vervangen, maar ze maken hierbij weinig indruk. Alleen Pizzonia scoort zes WK-punten. Juan Pablo Montoya scoort de enige overwinning voor het team in de laatste race van het seizoen. Hij vertrekt hierna naar het team van McLaren. Ralf Schumacher komt in 2005 uit voor Toyota. Halverwege het jaar vertrekt technisch directeur Patrick Head. Hij werd opgevolgd door Sam Michael. Tot 2012 bleef Head nog wel actief binnen het team.