thumb|Inge Meysel (links) in 1964 Inge Meysel (Rixdorf (nu Berlin-Neukölln), 30 mei 1910 – Seevetal-Bullenhausen, 10 juli 2004) was een Duitse theater- en televisieactrice.

Jeugd en opleiding Inge Meysel was de dochter van de Duits-Joodse middenstander Julius Meysel en zijn Deense echtgenote Margarete Hansen. Op 17-jarige leeftijd beëindigde ze voortijdig haar school en begon in 1930 met haar theatercarrière in Zwickau, Berlijn en Leipzig. Ze stond voor de eerste keer op het podium op 3-jarige leeftijd in de opera Hänsel und Gretel als engel. Haar debuut was in 1930 in Zwickau bij de première van Etienne und Luise van Ernst Penzoldt. In de periode van 1933 tot 1945 had ze als halfjoodse een verbod tot optreden. Een religieuze bekentenis van de actrice is echter niet gedocumenteerd. Ze ging naar de vrije stad Danzig en werkte daar als telefoniste en technisch tekenaar. Haar vader werd onteigend en overleefde de periode tot 1945 in een schuilkelder, nadat hij met geluk een deportatie wist te ontlopen. Reinhard Heydrich persoonlijk gelastte zijn vrijlating als oorlogsslachtoffer van de Eerste Wereldoorlog.

Carrière In 1945 kwam de toen 35-jarige Meysel bij Willy Maertens bij het Thalia Theater in Hamburg. De rol, die haar in 1959 de bijnaam "Mutter der Nation" opleverde, was oorspronkelijk bedacht voor Grethe Weiser in het Berlijnse volksstuk Fenster zum Flur, waarin de portiersvrouw Anni Wiesner centraal stond. Vanaf de jaren 60 stond de televisie in het middelpunt van haar carrière. Bekend werd ze vooral door haar rol van Käthe Scholz in de tv-serie Die unverbesserlichen (1965 tot 1971). Ook door de tv-serie Gertrud Stranitzki (1965) werd haar populariteit steeds groter. In deze amusementsserie uit de pen van Curth Flatow speelde ze een kleermaakster, die zich niet alleen om haar man, maar ook om de medewerkers en klanten bekommerde. In 2004 was ze te zien als hoofdrolspeelster in een nieuwe aflevering van de politieserie Polizeiruf 110.

Politieke- en andere activiteiten Haar eerste openbare optreden had Inge Meysel met een toespraak tegen de doodstraf op een manifestatie van de Berlijnse Jungdemokraten. Aan het einde van de jaren 20 wisselde ze naar de Jungsozialisten. Ze was tevens een fervente naturiste.

In 1972 ondersteunde ze de kandidatuur van Willy Brandt en in 1978 behoorde ze met acht andere vrouwen tot de aanklaagsters in het zogenaamde sexisme-proces tegen de Stern. In 1981 weigerde ze het Bundesverdienstkreuz. Ze ondersteunde de strijd tegen aids door optredens bij benefietevenementen. Door haar open en directe aard was ze bij homo's en lesbiennes erg geliefd. In januari 1987 sprak ze in een interview over haar lesbische ervaring en liefdesrelatie met een vrouw. In 1991 trad ze voor het voetlicht als prominente bij de "Deutsche Gesellschaft für Humanes Sterben". Politiek zette ze zich jarenlang in voor de SPD, later ook voor de voormalige Bondsdagafgevaardigde Angela Marquardt, toenmalig lid van de PDS, nu SPD, die ze ondersteunde met geld voor een studie.

Privéleven en overlijden Inge Meysel leed sinds 2003 aan ouderdomsdementie, maar speelde desondanks in het voorjaar van 2003 in een aflevering van Polizeiruf 110 mee, waarin ze met 92 jaar de resolute oma Kampnagel vertolkte. In april 2004 liep ze een gecompliceerde breuk op van het rechterbovenbeen, die met een noodoperatie werd gestabiliseerd. Inge Meysel overleed op 10 juli 2004 op 94-jarige leeftijd in haar huis in Bullenhausen in Nedersaksen. Haar urn werd bijgezet op het kerkhof van Ohlsdorf in Hamburg naast haar in 1965 overleden echtgenoot John Olden.

Onderscheidingen In 1975 kreeg Inge Meysel van de toenmalige Berlijnse burgemeester Klaus Schütz als eerbetoon voor haar prestaties een waardevolle porseleinen schaal overhandigd uit de KPM. Enkele jaren later (1991) kreeg ze de Ernst Reuter-Plakette overhandigd. Aan het langjarige woonhuis van de actrice in Berlin-Schöneberg liet de Berlijnse senaat op 10 juli 2014 een gedenksteen aanbrengen

Elfmaal de Bravo Otto (zes keer goud, vier keer zilver en eenmaal brons) publieksprijs van het jeugdtijdschrift Bravo (1961–1972) Zesmaal de Bambi, mediaprijs van de Hubert Burda Medien (1968, 1970–1973, 1990) Goldener Bildschirm (1966) Goldene Kamera (1965 en voor het levenswerk 1999) Goldener Vorhang van de Berlijnse theaterclub Die Hebamme (1975/76) Silberner Bildschirm (1966 en 1967) Bundesverdienstkreuz (1981, de toekenning werd door Meysel geweigerd) Silbernes Blatt van de Dramatiker-Union (1985) Boy-Gobert-Preis: Ehrenmaske met briljanten Hamburger Medaille für Kunst und Wissenschaft (1990) Zilveren Ernst-Reuter-Plakette van de stad Berlijn (1991) Deutscher Fernsehpreis (2000) Telestar-Sonderpreis voor het levenswerk (1995)

Filmografie (selectie) Bioscoop 1932: Großstadtnacht 1948: Liebe 47 1950: Meine Nichte Susanne 1950: Schatten der Nacht 1950: Taxi-Kitty 1950: Der Fall Rabanser 1951: Sensation in San Remo 1951: Engel im Abendkleid 1951: Die Dubarry 1951: Kommen Sie am Ersten 1952: Tanzende Sterne 1952: Die Stimme des Anderen 1955: Des Teufels General 1955: Wunschkonzert 1956: Uns gefällt die Welt 1956: Ein Mann muß nicht immer schön sein 1957: Dr. Crippen lebt 1958: Das Mädchen vom Moorhof 1958: Immer die Radfahrer 1958: Nasser Asphalt 1958: Bobby Dodd greift ein 1959: Rosen für den Staatsanwalt 1959: Liebe verboten – Heiraten erlaubt 1961: Im 6. Stock 1961: Blond muß man sein auf Capri 1961: Ihr schönster Tag 1964: Ein Frauenarzt klagt an 1981: Der rote Strumpf

Televisie

1959: Kabale und Liebe

1960: Das Fenster zum Flur 1961: Schau heimwärts, Engel 1962: Der Biberpelz 1962: Der rote Hahn 1963: Stadtpark 1964: Eines schönen Tages 1964: Der Prozess Carl von O. 1965: Die eigenen vier Wände 1965–1971: Die Unverbesserlichen 1964: Die fünfte Kolonne - Tivoli (televisieserie) 1965–1967: Gertrud Stranitzki (televisieserie, 13 afleveringen) 1967: Wenn der junge Wein blüht 1969: Die Ratten 1969–1970: Ida Rogalski (televisieserie 13 afleveringen) 1969: Wehe dem, der erbt 1970: Keiner erbt für sich allein 1971: Kinderheim Sasener Chaussee (televisieserie, zes afleveringen) 1974: Orpheus in der Unterwelt 1974: Eine geschiedene Frau (televisieserie, 6 afleveringen) 1977: Endstation Paradies 1979: St. Pauli-Landungsbrücken (televisieserie) 1980: Bühne frei für Kolowitz 1981: Die kluge Witwe 1982: Ein Kleid von Dior 1983: Wie war das damals? 1984: Die Dame und die Unterwelt 1984: Wassa Schelesnowa 1984: Das Geschenk 1984: Mrs. Harris – Freund mit Rolls-Royce 1985: Grenzenloses Himmelblau 1985: Die Krimistunde - Der Gemeinschaftsanschluß 1985: Derrick - Schwester Hilde (televisieserie) 1986: Vertrauen gegen Vertrauen 1986: Mrs. Harris: Der geschmuggelte Henry 1987: Mrs. Harris fährt nach Moskau 1988: Neapel sehen und erben 1988: Spätes Glück nicht ausgeschlossen 1989: Mrs. Harris fährt nach Monte Carlo 1989: Ein Heim für Tiere (televisieserie) 1989: Der Alte - Der Augenblick der Rache (televisieserie) 1990: In inniger Feindschaft 1990: Die Richterin 1990: Kein pflegeleichter Fall 1991: Mrs. Harris und der Heiratsschwindler 1991: Taxi nach Rathenow 1995-2001: Heimatgeschichten 1995: Polizeiruf 110: 1A Landeier 1995: Polizeiruf 110: Roter Kaviar 1996: Polizeiruf 110: Kurzer Traum 1996: Babuschka (televisiefilm) 1997: Polizeiruf 110: Gänseblümchen 1997: Forsthaus Falkenau - Überraschungen (televisieserie) 1997: Guppies zum Tee 1998: Das vergessene Leben 1999: Die blauen und die grauen Tage 1999: Großstadtrevier - Diamantenfieber (televisieserie) 2000: Oh Tannenbaum 2000: Tatort: Blaues Blut 2001: Die Liebenden vom Alexanderplatz 2004: Polizeiruf 110: Mein letzter Wille

Theater (selectie)

1930: Charleys Tante – Stadttheater Zwickau 1930: Die Quadratur des Kreises – Stadttheater Zwickau 1930: Die Sache, die sich Liebe nennt – Stadttheater Zwickau 1931: Minna von Barnhelm – Stadttheater Zwickau 1932: Fräulein Frau – Renaissance-Theater Berlijn 1932: Tiefstapler – Schauspielhaus Leipzig 1932: Diktatur der Frauen – Schauspielhaus Leipzig 1932: Rauhnacht – Schauspielhaus Leipzig 1933: Frühlingsfee – Schauspielhaus Leipzig 1933: Komödie der Irrungen – Schauspielhaus Leipzig 1945: Jedermann – St. Johanniskerk Hamburg 1946: Tartuffe – Thalia Theater Hamburg 1948: Also gut! Lassen wir uns scheiden – Thalia Theater Hamburg 1948: Das unterschlug Homer – Thalia Theater Hamburg 1948: Seit Adam und Eva – Thalia Theater Hamburg 1948: Der Hauptmann von Köpenick – Thalia Theater Hamburg 1949: Ich brauche dich – Thalia Theater Hamburg 1950: Madame Sans-Géne – Thalia Theater Hamburg 1951: Mein Freund Harvey – Thalia Theater Hamburg 1952: Die tätowierte Rose – Thalia Theater Hamburg 1952: Lady Windermeres Fächer – Thalia Theater Hamburg 1953: Die Stützen der Gesellschaft – Thalia Theater Hamburg 1953: Bärenhäuter – Thalia Theater Hamburg 1954: Picnic – Thalia Theater Hamburg 1954: Ulla Winblad – Thalia Theater Hamburg 1954: Meine beste Freundin – Thalia Theater Hamburg 1955: Meine beste Freundin – Komödie am Kurfürstendamm Berlijn 1955: Die Heiratsvermittlerin – Schauspiel Essen 1955: Die Heiratsvermittlerin – Thalia Theater Hamburg 1956: Ein Mann für Jenny – Komödie am Kurfürstendamm Berlijn 1957: Die Hose, Ein Mann für Jenny, Ich brauche dich – Zuid-Amerika-tournee (Rio de Janeiro/Buenos Aires/Montevideo/Porto Alegre/São Paulo) 1960: Das Fenster zum Flur – Hebbeltheater Berlijn 1963: Die Frau im Morgenrock – Hebbeltheater Berlijn 1965: Die Ratten – Hebbeltheater Berlijn 1966: Wenn der junge ein blüht – Thalia Theater Hamburg 1966: Schwester George muß sterben – Berliner Theater 1971: Schmetterlinge sind frei – Renaissance-Theater Berlijn 1971: Orpheus in der Unterwelt – Staatsopera Hamburg 1972: Ehekarussell – Tournee 1972: Die liebe Familie – Fritz Rémond Theater Frankfurt am Main 1973: Komm zurück kleine Sheba – Tournee 1974: Die Hebamme – Theater am Kurfürstendamm Berlijn 1976: Harold und Maude – Ernst-Deutsch-Theater Hamburg 1979: Wie immer am Donnerstag – Ernst-Deutsch-Theater Hamburg 1980: Wassa Schelesnowa – Ernst-Deutsch-Theater Hamburg en Tournee 1985–1996: Teures Glück – Tournee en gastoptredens

Hoorspelen (selectie)

1933: Lampion küsst Mädchen und kleine Birken 1945: Carl Zuckmayer: Der Hauptmann von Köpenick – Bewerking en regie: Helmut Käutner 1946: Molière: Tartuffe (Dorine) – Regie: Otto Kurth 1946: André Birabeau: Mein Sohn, der Herr Minister (acteur) – Regie: Ludwig Cremer 1946: Heinrich Spoerl: Der Maulkorb (Paula Pulvermann) – Regie: Ludwig Cremer 1947: Paul Osborn: Der Himmel wartet (Demetria Riffle) – Regie: Günther Schnabel 1947: George Abbott, John Cecil Holm: Hoppe Hoppe Reiter (Audrey) – Regie: Gustav Burmester 1947: Kurt Reiss: Der Hexer. Ein beinahe krimineller Funkakt (gravin De/Dame) – Regie: Kurt Reiss 1948: Dylan Thomas: Unter dem Milchwald – Regie: Götz Fritsch, Douglas Cleverdon, Fritz Schröder-Jahn 1948: Karel Čapek: Offerte in Jahrhunderten (Luise Denker, zijn vrouw) – Regie: Gustav Burmester 1948: Johann Wolfgang von Goethe: Reineke Fuchs (spreekster) – Regie: Ludwig Cremer 1948: Arnold Ridley: Der Geisterexpreß – Regie: Fritz Schröder-Jahn 1949: Dieter Rohkohl: Das Leben geht weiter (Eschebek) – Regie: Fritz Schröder–Jahn 1950: Ernst Schnabel: Ein Tag wie morgen. 1. Februar 1950. Die Summe aus 80.000 Tagebüchern (Penelope) – Redactie en regie: Fritz Schröder–Jahn 1950: Ellen Fechner, Jan Petrie: Schlüssel-Komödie (Kitty, Franks bruid) – Regie: Fritz Schröder-Jahn 1950: Oscar Wilde: Die tödlichen Sterne. Een komedie voor de radio vrij bewerkt van Oscar Wilde (mevrouw Margit Henrichs) – Regie: Fritz Schröder-Jahn 1950: Josef Martin Bauer: Der gerechte Herr Boll (juffrouw Scharf) – Regie: Fritz Schröder-Jahn 1951: Günter Eich: Träume (Nachbarin/3. Traum) – Regie: Fritz Schröder-Jahn