De lijkwade van Turijn is een linnen doek die bewaard wordt in de Dom van Turijn en waarop vaag een beeld van een lichaam met kruiswonden te zien is. Sommige christenen beschouwen het object als de authentieke lijkwade waarin Jezus werd gewikkeld en begraven nadat hij aan het kruis gestorven was, en waarop hij zijn authentieke beeltenis heeft achtergelaten, alsook bloedsporen.
De Rooms-Katholieke Kerk stelt de lijkwade af en toe plechtig tentoon, maar heeft ze nooit erkend als een echte relikwie. Dit ligt in lijn met de compromispositie die tegenpaus Clemens VII innam in 1390, nadat de bisschoppen van Troyes de lijkwade initieel als een vervalsing hadden aangemerkt. Zij reageerden daarmee op de eerste gedocumenteerde tentoonstelling van de lijkwade in Lirey ca. 1355-1356.Nicolas Sarzeaud, "L'Interprétation d'une sainte trace. Le Suaire de Turin et la longue histoire des régimes de preuves (note critique)" in: Annales. Histoire, Sciences Sociales, 2024, nr. 2, p. 338. In die periode circuleerden er tientallen lijkwaderelieken in Europa.Nicolas Sarzeaud, Les Suaires du Christ en Occident, 2024 Pas nadat de betreffende lijkwade in 1578 was overgebracht naar Turijn om er te worden vereerd door Carolus Borromeus, groeide ze uit tot een van de belangrijkste religieuze artefacten van het christendom.Andrew R. Casper, An Artful Relic. The Shroud of Turin in Baroque Italy, The Pennsylvania State University Press, 2021, p. 1.
De meeste wetenschappers beschouwen de lijkwade als een knappe vervalsing uit de late middeleeuwen. Behalve met historische argumenten, wordt dit standpunt onderbouwd met koolstof-14-dateringen van het doek, uitkomend tussen circa 1260 en 1390. Het onderzoek dat tot deze conclusie leidde, werd door drie onderzoeksinstituten onafhankelijk van elkaar uitgevoerd. Deze uitkomst komt overeen met de eerste aantoonbare schriftelijke vermelding van de lijkwade. Ook de gebruikte weeftechniek dook pas in de 13e eeuw op in Europa en was onbekend in het Nabije Oosten ten tijde van Jezus.
Niettemin zijn er onderzoekers die tegenspreken dat het om een laatmiddeleeuwse fabricatie gaat en die de authenticiteit van de lijkwade verdedigen. Rond de lijkwade van Turijn is een hele pseudowetenschap genaamd sindonologie gegroeid, die een veel uitgebreidere literatuur heeft geproduceerd dan de academische wetenschap.Nicolas Sarzeaud, "L'Interprétation d'une sainte trace. Le Suaire de Turin et la longue histoire des régimes de preuves (note critique)" in: Annales. Histoire, Sciences Sociales, 2024, nr. 2, p. 335. Een prominent argument onder sindonologen is dat middeleeuwse kunstenaars niet over de kennis en technologie beschikten om een dergelijke vervalsing te maken. Volgens sommigen zijn bij de koolstof-14-datering vezels gedateerd die later aan de lijkwade zijn genaaid. In 2013 verscheen een publicatie waarin Italiaanse wetenschappers beweerden dat het originele deel van de Lijkwade van Turijn uit de periode tussen 280 v.Chr. en 220 n.Chr. stamt.
Beschrijving De lijkwade van Turijn is 4,36 meter bij 1,10 meter. Op de lijkwade is een afbeelding of schildering te zien van de voor- en achterkant van een naakte man, die zijn handen gekruist houdt boven zijn kruis. De man is gespierd, heeft een baard en een snor en lang haar. Hij heeft een lengte van 1,75 meter, of mogelijk langer als hij wat gebogen heeft gelegen.
Afgaande op enkele plekken op de lijkwade, die bloedvlekken lijken te zijn, vertoont de man verwondingen zoals ze zouden kunnen zijn ontstaan bij een kruisiging, evenals verwondingen die kunnen worden geïnterpreteerd als de gevolgen van een geseling, de doornenkroon en herhaaldelijk vallen. Meer bepaald zijn er wonden zichtbaar op: Het gezicht De bovenkant van zijn hoofd; de schedel (ten minste) één pols. Deze wond lijkt te zijn veroorzaakt door een doorboring. De andere pols is niet zichtbaar, doordat deze zich tussen de bovenste pols en het lichaam bevindt. De voeten. Ook deze wond lijkt veroorzaakt te zijn door een doorboring. De zijde. Deze wond lijkt te zijn veroorzaakt door een doorboring. De borst, de rug, de armen en de benen. Deze wonden lijken te zijn veroorzaakt door geseling.
Geschiedenis van de lijkwade 250px|right|Lijkwade van Turijn
De geschiedenis van de Lijkwade is omstreden en veelkleurig.Religionfacts
14e eeuw In de 14e eeuw dook de lijkwade van Turijn voor het eerst op. In 1354 werd melding gemaakt van het bestaan van de lijkwade en in 1357 liet de weduwe van de ridder Geoffroy de Charny de lijkwade zien in een kerk in Lirey (Frankrijk), in de buurt van Troyes. Afbeeldingen uit die tijd laten de lijkwade zien.
De lijkwade werd tentoongesteld, maar Henri de Poitiers, bisschop van Troyes, verbood de tentoonstelling. Na 32 jaar leefde de belangstelling voor de lijkwade weer op, waarna de lijkwade door de Franse koning Karel VI in beslag werd genomen. De koning bracht de lijkwade over naar Troyes. In 1389 verklaarde de toenmalige bisschop van Troyes, Pierre d'Arcis, de lijkwade als een geschilderde vervalsing, hoewel hij de lijkwade nooit gezien had. In een brief aan de paus schreef de bisschop dat de schilder dit aan hem opgebiecht had, zonder hierbij de naam van de schilder te noemen. Toen de tegenpaus Clemens VII een maand later aflaten beloofde voor iedereen die de lijkwade bezocht, begon de cultus opnieuw. Clemens VII stond verering van de lijkwade toe, zolang de lijkwade maar niet als authentiek werd erkend.
15e eeuw In 1418 dook de lijkwade van Turijn opnieuw op, toen Humbert van Villesexel, graaf de la Roche, heer van Saint-Hippolyte, die met de kleindochter van Geoffroy de Charny getrouwd was, de lijkwade liet overbrengen naar zijn kasteel in Montfort. Officieel gebeurde dit om de lijkwade te beschermen tegen bandieten. Met de Kerk was Humbert overeengekomen dat de lijkwade onmiddellijk zou worden teruggebracht naar Lirey zodra het gevaar geweken was. Later werd de lijkwade verplaatst naar Saint-Hippolyte.
Na de dood van Humbert in 1438 werd geprobeerd de lijkwade terug te krijgen naar Lirey, maar vijf jaar later werd besloten dat de lijkwade in het bezit van de weduwe van Humbert, Margaretha, mocht blijven. Margaretha liet de lijkwade zien op tentoonstellingen in onder meer Luik en Genève. Volgens sommige historici verspreidde Margaretha opzettelijk het gerucht over de echtheid van de lijkwade om meer te verdienen aan de tentoonstelling.Crime Laboratory: The Emergence of the Shroud
In 1454 verkocht Margaretha de lijkwade in ruil voor een kasteel in Varambon (in de buurt van Lyon) en een aanzienlijke hoeveelheid geld aan Lodewijk van Savoye en diens broer. Toen de geestelijken in Lirey hoorden van de verkoop van de lijkwade, dreigden ze Margaretha te excommuniceren als zij de lijkwade niet terugbracht of de kerk in Lirey niet financieel compenseerde. Margaretha stierf echter in 1460 zonder haar verplichting aan de kerk te volbrengen. In 1464 werd afgesproken dat Lodewijk van Savoye jaarlijks een bedrag aan de geestelijken in Lirey zou schenken, in ruil waarvoor zij zouden erkennen dat de lijkwade zijn eigendom was. Lodewijk van Savoye overleed een jaar later, maar zijn zoon Amadeus IX nam de verplichting over. Een groot deel van dit geld werd door de kerk in Lirey gebruikt om een nieuwe kerk te bouwen om uiteindelijk de lijkwade weer in tentoon te stellen.
Hertog Lodewijk van Savoye bewaarde de lijkwade inmiddels in een nieuwe kapel, die korte tijd later door paus Paulus II tot kerk werd benoemd. De lijkwade was een bekend en populair relikwie geworden. De gelovigen geloofden niet alleen dat de lijkwade authentiek was, maar ook dat de lijkwade magische eigenschappen had. De lijkwade was zelfs zo bekend dat Europese vorsten privésessies aanvroegen om het kleed in alle rust te kunnen vereren. De lijkwade werd ook gebruikt bij koninklijke bruiloften en begrafenissen.
In 1471 werd de lijkwade overgebracht naar Vercelli en in de volgende jaren naar Turijn, Ivrea, Susa, Chambéry, Avigliana, Rivoli en Pinerolo. In 1481 kwam zij weer terug in de kapel van Lodewijk van Savoye, waar de lijkwade in een kist werd opgeborgen die afgedekt werd met vuurrood fluweel, zilveren spijkers en een gouden sleutel. Twee keer per jaar, op Goede Vrijdag en op 4 mei, werd de lijkwade aan het volk en de talrijke bedevaarders getoond.
16e eeuw en later In 1532 brak er een brand uit in de kapel. Door gesmolten zilver van de kist en (mogelijk) door bluswater raakte de lijkwade beschadigd. De lijkwade werd door nonnen hersteld. In 1578 werd zij naar Turijn verplaatst, waar zij tot op de dag van vandaag is.
250px|thumb|left|Detail van het gezicht, origineel (links) en in negatief (rechts) De populariteit en de bekendheid van de lijkwade nam in de volgende eeuwen af. Pas nadat de Italiaanse advocaat en amateurfotograaf Secondo Pia de lijkwade op 28 mei 1898 fotografeerde en bij het afdrukken ontdekte dat de afbeelding veel duidelijker zichtbaar was op het negatief van de foto nam de belangstelling voor de lijkwade en de discussie over de echtheid ervan weer toe. Op het negatief waren veel nieuwe details zichtbaar, die met het blote oog niet waarneembaar waren. De ontdekking dat de afbeelding een negatief is, gaf volgens sommige christenen nieuwe ondersteuning aan de theorie dat de afbeelding op de lijkwade daadwerkelijk afkomstig is van Christus. Voor zover bekend was geen enkele kunstenaar van voor de 19e eeuw bekend met fotografie en dus met negatieve afbeeldingen.
De lijkwade werd in de Tweede Wereldoorlog verborgen in het klooster van Montevergine.Hitler wilde lijkwade van Turijn stelen. Gearchiveerd op 5 oktober 2022.
Sinds 1983 is de lijkwade eigendom van de Heilige Stoel. De Rooms-Katholieke Kerk gaf in 1988 toestemming aan een aantal wetenschappers om een vezel uit de lijkwade te halen voor wetenschappelijk onderzoek.
In 1997 werd de lijkwade opnieuw bedreigd door brand, mogelijk veroorzaakt door brandstichting. De Turijnse brandweerman Mario Trematore redde de lijkwade. In 2002 werd zij opnieuw tentoongesteld. De (meestal verborgen) achterkant werd bij die gelegenheid gescand en gefotografeerd.
Hypothetische identificatie met het Kleed van Edessa Hoewel niet onderschreven door de meeste historici, zijn er een aantal stellingen en hypothesen geuit die pogen de lijkwade van Turijn een oudere historiek te geven dan de 14e eeuw. In het bijzonder is gepoogd een verband te leggen met het Kleed van Edessa.
In de jaren 30 van de twintigste eeuw observeerde de Franse onderzoeker Paul Vignon ongeveer twintig verschillende gezichtskenmerken, de zogenaamde “Vignonmarkeringen”, in veel nieuwe afbeeldingen van Christus in de 6e eeuw.Cfr. A Hitherto Unknown 7th Century Reference to the Image of Edessa, in: British Society for the Turin Shroud Newsletter, No. 54 (November 2001), pp. 34-35 Zij werden toegeschreven aan een mysterieuze oosterse icoon, de afbeelding van Edessa, een kleed waarop het gezicht van Jezus te zien zou zijn.John Walsh, The Shroud, New York: Random House, 1963, pp. 157–8) Met name de Britse historicus Ian Wilson bracht naar voren dat de lijkwade van Turijn mogelijk hetzelfde kleed is als het kleed van Edessa.The Image of Edessa: Earliest References to Christ's Burial Cloths mystae.com