Aaron Copland (New York, 14 november 1900 – Peekskill, 2 december 1990) was een Amerikaanse componist, muziekpedagoog, dirigent en pianist. Copland was een zoon van een Joods echtpaar, dat uit Litouwen respectievelijk Polen geëmigreerd was. Hij wordt als belangrijkste vertegenwoordiger van de zogenoemde Amerikaanse modernen beschouwd, die een voorliefde voor theatermuziek hadden. In de laatste jaren van zijn leven, waarin hij nauwelijks componeerde, werd hij als de 'grand old man' van de Amerikaanse muziek gezien. De componist en dirigent Leonard Bernstein heeft zich erg voor de muziek van Copland ingezet.
Het bekendste werk van Copland is zonder meer zijn Fanfare for the Common Man, voor koperblazers en slagwerk uit 1942, dat hij later opnam in zijn derde symfonie. Later werd de Fanfare bewerkt door de Britse popgroep Emerson, Lake & Palmer. Voor het werk Appalachian Spring werd hij in 1945 met de Pulitzerprijs voor muziek onderscheiden. In hetzelfde jaar kreeg hij ook nog de New York Music Critics' Circle Award en in 1950 de begerenswaardige Academy Award voor de muziek voor de film The Heiress.
Levensloop Oude en nieuwe wereld Coplands vader had tijdens een verblijf in Engeland, voordat hij naar de Verenigde Staten emigreerde, de Engelse naam Copland aangenomen, zijn oorspronkelijke naam was Kaplan. Aaron groeide als jongste van het gezin op boven de winkel van vader Copland, een rotsvaste Democraat. Zijn moeder bracht het muzikale element in de familie. Alle kinderen kregen muziekles en werden frequent aan muziek blootgesteld, vaak op joodse bruiloften en tussen de schuifdeuren. Op elfjarige leeftijd schreef Aaron Copland zijn eerste compositie, zeven maten van een opera geheten Zenatello.
Aaron kreeg al op dertienjarige leeftijd pianoles van Victor Wittgenstein, Leopold Wolfsohn en Clarence Adler. Toen hij vijftien jaar was besloot hij, na een concert van de Poolse componist en pianovirtuoos Ignacy Jan Paderewski, dat hij ook componist wilde worden.
Na vergeefse pogingen om zijn muziekstudie met een schriftelijke cursus te vervolmaken ging hij lessen volgen bij Rubin Goldmark, een conservatieve harmonie-, theorie- en contrapuntleraar. Later zou hij gelukkig zijn met de saaie maar degelijke opleiding die hij gekregen had.
Tussen zijn zeventiende en zijn eenentwintigste schreef Copland een aantal nog onvoldragen pianocomposities en liederen. Zijn vader wilde dat hij een fatsoenlijke studie zou volgen, maar zijn moeder stelde hem in de gelegenheid in Parijs muziek te gaan studeren. Hij zou er drie jaar blijven, eerst als leerling van Paul Vidal, daarna van de beroemde muziekpedagoge Nadia Boulanger aan de Conservatoire américain de Fontainebleau in het koninklijk paleis. Boulanger zag meteen dat de schuchtere Amerikaan talent had. En in de lente van 1924 stelde ze hem voor aan de dirigent en mecenas Sergej Koussevitski.
In de zomermaanden van 1924 en 1925 kwam hij in Berlijn, Salzburg en Wenen met de Europese avant-garde in contact. In 1925 en 1926 kreeg hij een studiebeurs van de Guggenheim Foundation. Daarom kon hij ook in deze jaren tijdens de zomer door Europa reizen. Met Roger Sessions (1896-1985) organiseerde hij een concertreeks met nieuwe muziek in New York, de Copland-Sessions Concerts (1928-1931).
Muziekbemiddelaar Copland zette zich als muziekpedagoog, maar ook in publicaties en voordrachten hartstochtelijk in voor de verbreding van hedendaagse, vooral Amerikaanse muziek; vanaf 1924 was hij privéleraar en sinds 1925 recensent van het tijdschrift Modern Music; hij doceerde van 1927 tot 1937 aan de New School for Social Research in New York; van 1933 tot 1944 en 1951/1952 als professor aan de Harvard-universiteit in Cambridge (Massachusetts) alsook van 1940 tot 1965 aan Koesevitski's Summer School van het Berkshire Music Center in Tanglewood (een van zijn leerlingen daar was Julián Orbón). Zijn voordrachten werden de basis van veel gelezen publicaties zoals Our New Music (1941) en Music and Imagination, maar zij voerden ook tot talrijke optredens als uitvoerder en leider van gespreksconcerten in de televisie.
Als pedagoog en invloedrijke persoon (onder andere van 1939 tot 1951 president van de American Composers' Alliance; van 1948 tot 1951 directeur van de League of Composers) steunde hij componisten zoals Leonard Bernstein, Carlos Chávez, Toru Takemitsu en David Del Tredici.
Jazz Zijn grote interesse in jazz, die al tijdens zijn studie in Parijs was ontstaan, werd veroorzaakt doordat hij zijn best wilde doen om het publiek uit zijn composities onmiskenbaar te laten horen dat hij een Amerikaan was; precies zoals de door hem bewonderde Igor Stravinsky erin geslaagd was dat men uit zijn muziek kon horen, dat hij een Rus was. Jazzritmes en de harmonie van de blues vindt men terug in zijn vroege werken, zoals in het "Scherzo" van de Symfonie voor orgel en orkest (1924), de suite Music for the Theatre (1925) en het tweede deel "Essay in Jazz" uit het Concert voor piano en orkest.
Music for the Common Man (Muziek voor de gewone man) Een reis naar Mexico in 1932 inspireerde hem tot het stuk El Salón México (1933-1936), voor orkest. In 1938 begon hij met Billy the Kid een serie folkloristisch geïnspireerde balletcomposities, die Coplands muziek bij een breed publiek bekend maakte. Daarna volgden Rodeo (1942) (ook al bewerkt door ELP), Appalachian Spring (1944) en Dance Panels (1959). Verder gebruikte Jerôme Robbins het voor Benny Goodman gecomponeerde Concert voor klarinet en orkest uit 1948 voor het ballet Pied Piper. Daarnaast componeerde Copland tussen 1939 en 1961 muziek voor acht films.
Fanfare for the Common Man is misschien het bekendste werk van Copland, geschreven in 1942 voor koperblazers en slagwerk op verzoek van de dirigent Eugène Goossens van het Cincinnati Symphony Orchestra. Later werd het als openingstune van de Nationale Conventies van de Democratische partij gebruikt. De fanfare werd eveneens gebruikt als hoofdthema in het vierde deel van zijn Symfonie Nr. 3.
Van Coplands oeuvre wordt soms gedacht dat het vooral uit geleende muziek (b.v. folkloremuziek, jazzritmes etc.) bestaat; een oordeel dat door anderen wordt tegengesproken. Het feit dat vooral de symfonische suites naast deze danscomposities buiten de Verenigde Staten tot het standaardconcertrepertoire van de orkesten behoren, spreekt die eerste stelling tegen. Voorts werden deze volksmuziekmotieven niet zomaar overgenomen maar meermalen bewerkt, de motieven vormden meestal slechts het basismateriaal. In andere werken, zoals in El Salón México, Danzón Cubano of de latere Three Latin American Sketches (1972), werd Latijns-Amerikaanse dansmuziek op dezelfde manier verwerkt; de muziek van het land van herkomst was basismateriaal, maar werd uiteindelijk ontegenzeggelijk muziek van Copland.
Academisme In de jaren 1950 distantieerde de componist zich van de populaire tendenties van de jaren ervoor en sloot zich compositorisch aan bij de experimentele werken van de late jaren 1920, zoals het compromisloos dissonante Piano Variations (1930). Werken zoals het Pianokwartet (1950), de Pianofantasie (1954) en twee stukken voor het New York Philharmonic Orchestra, Connotations (1962) en Inscape (1967), zijn werken met de dodecafonie (twaalftoontechniek). Leonard Bernstein vatte dat op als een vertwijfelde poging om zich te kunnen aansluiten bij de Modernen met hun twaalftoonstechniek. Na de Tweede Wereldoorlog zou het serialisme zijn zegetocht beginnen, dat immers gebaseerd was op het Modernisme van Arnold Schönberg en de zijnen. De jonge componisten namen geleidelijk afstand van Copland.
Composities Werken voor orkest Symfonieën 1924: Symfonie, voor orgel en orkest, – gearrangeerd zonder orgel als Symfonie Nr.1 in 1928; (opgedragen aan zijn lerares: Nadia Boulanger) 1930: Dance Symphony 1932-1933: Symfonie Nr. 2 "Short Symphony" (opgedragen aan Carlos Chávez, componist en dirigent van het Orquestra Sinfonica de México) 1944-1946: Symfonie Nr. 3 Molto moderato Allegro molto Andantino, quasi allegretto – attacca Finale: Molto deliberato – Allegro risoluto
Concerten voor instrumenten en orkest 1926: Concert, voor piano en orkest 1947-1948: Concerto, voor klarinet, strijkers, harp en piano Slowly and expressively Rather fast
Andere orkestwerken 1923/1928: Two pieces, voor strijkorkest 1924: Prelude, voor kamerorkest 1927-1929 rev. 1955: Symphonic ode 1932-1935: Statements 1933-1936: El Salón México 1937: Music for Radio (Prairie Journal) 1939: Suite uit het ballet "Billy the Kid" Introduction: The open Prairie Street in a Frontier Town Prairie Night, Card Game at Night Gun Battle Celebration – after Billy's Capture Billy's Death The open Prairie again 1939: Quiet City, voor Engelse hoorn, trompet en strijkers 1940 rev. 1952: John Henry, voor kamerorkest 1940: Our Town, concertstuk uit de filmmuziek 1942: Lincoln Portrait, voor spreekstem en orkest 1942: Music for Movies, voor klein orkest 1943: Four Dance Episodes from "Rodeo" Buckaroo Holiday: Allegro con spirito Corral Nocturne: Nocturno Saturday Night Waltz: Introduction – Slow Waltz Hoedown: Allegro 1943-1944/1945: Suite uit het ballet "Appalachian Spring" Very slow Fast Moderato Fast Still Faster As at first (slowly) Calm and flowing (Shaker Tune: Simple gifts) Moderato, Coda 1944 rev. 1962: Letter from Home 1944: Jubilee Variation on a theme of Goossens 1946: Danzón cubano 1949: Preamble for a solemn Occasion, voor spreekstem en orkest 1957: Orchestral Variations 1962: Connotations 1964]:Music for a great City 1964: Down a Country Lane, voor schoolorkest 1967: CBS (Signature Theme) 1967: Inscape 1972: 3 Latin-American sketches
Werken voor harmonieorkest 1933-1936: El Salón México 1938: An Outdoor Overture 1939: Quiet City, voor Engelse hoorn, trompet en harmonieorkest 1942: Fanfare for the common Man, voor koperblazers en slagwerk 1942: Lincoln Portrait 1964: Emblems, voor harmonieorkest
Muziektheater Opera's Voltooid intitelaktespremièrelibretto 1936 The Second Hurricane 2 aktes 21 april 1937, New York Edwin Denby 1954; rev. 1955 The Tender Land 2 aktes; rev. versie: 3 aktes 1 april 1954, New York, City Centre Opera; rev. versie: 20 mei 1955, Oberlin (Ohio) Horace Everett ook bekend als: Erik Johns, geïnspireerd door beelden uit «Let Us Now Praise Famous Men» van James Agee
Balletten Voltooid intitelaktespremièrelibrettochoreografie 1922-1925; rev. 1932 Grogh 1 akte (niet uitgevoerd) Harold Clurman 1934 Hear ye! Hear ye! 1 akte, 18 scènes 30 november 1934, Chicago Ruth Page Ruth Page 1938 Billy the Kid 1 akte 1938, Chicago Lincoln Edward Kirstein Eugene Loring 1942 Rodeo or The Courting at Burnt Ranch 2 scènes 1942, New York Agnes De Mille Agnes De Mille 1943-1944 Appalachian Spring 1944, Washington, D.C. Martha Graham Martha Graham 1959; rev.1962 Dance panels 7 scènes 3 december 1963, München, Bayrische Staatsoper Heinz Rosen
Toneelmuziek 1925: Music for the Theatre, suite in 5 delen voor Kamerorkest 1931: Miracle at Verdun, voor kamerorkest – tekst: Hans Chlumberg 1939: The Five Kings, voor zangstem, klarinet, trompet, gitaar, orgel en slagwerk – tekst: Orson Welles, naar William Shakespeare 1939: From Sorcery to Science, poppenspel voor orkest 1957: The World of Nick Adams, voor orkest
Vocale muziek 1921: Four Motets (koor) Help Us, O Lord Sing Ye Praises To Our King Have Mercy On Us, O My Lord Though, O Jehovah, Abideth Forever 1950 Twelve Poems by Emily Dickinson (for medium voice and piano) Nature, the gentlest mother There came a wind like a bugle Why do they shut me out of Heaven The world feels dusty Heart, we will forget him Dear March, come in! Sleep is supposed to be When they come back I felt a funeral in my brain I've heard an organ talk sometimes Going to Heaven! The Chariot. 1950: Old American Songs, set 1 (voor bariton en piano (of: orkest)) The Boatmen's Dance (minstrel song from 1843)