thumb|200px|Auguste Comte, een van de grootste exponenten van het positivisme. Het positivisme is de filosofische opvatting, dat alleen de empirische wetenschappen geldige kennis opleveren. Kennis kan slechts verworven worden door het toepassen van de wetenschappelijke methode; metafysica en theologie worden verworpen. Kennis is alleen mogelijk aangaande de wereld der verschijnselen, op grond van waarneembare feiten. Ook normatieve kennis of ethiek, en breder alle kennis die niet zintuiglijk controleerbaar is, wordt verworpen. Dit wordt in het positivisme gekoppeld aan het typische geloof in de vooruitgang van de mensheid in de richting van een positieve, op de dagelijkse praktijk gerichte wereldbeschouwing. Positivisme gaat daarnaast vaak gepaard met sciëntisme, de overtuiging dat de wetenschap een antwoord zal bieden op alle problemen., Historische inleiding tot de Wijsbegeerte, Universitaire Pers Leuven, 1989, p. 99. Deze stroming was vooral populair in de tweede helft van de 19e eeuw, maar kende in de 20e eeuw heroplevingen. Vaak is het de 'impliciete filosofie van de wetenschapper'.

Typering Het positivisme ontstond vanuit de confrontatie tussen de filosofie en het succes van de moderne wetenschappen. Filosofen werden geconfronteerd met het gegeven dat de empirische wetenschappen leken te slagen in datgene waar zijzelf en hun (speculatieve) metafysische systemen niet in slaagden: zekere en onweerlegbare kennis. Oorspronkelijk kon de filosofie nog gedijen naast de wetenschap, omdat de empirische wetenschap zich in het begin beperkte tot de "dode" natuur: natuurkunde en scheikunde. In de 19e eeuw kwamen echter ook de menswetenschappen op en werd de filosofie ook stilaan verdrongen van het studiedomein van de mens. Als eerste kwam zo de sociologie en later de psychologie van Wilhelm Wundt op. Niet toevallig is de sociologie verbonden met Auguste Comte, ook wel de vader van het positivisme genoemd., "Auguste Comte", The Stanford Encyclopedia of Philosophy, 2011, (red.), bezocht op 01-08-2012. Comte noemde de sociologie ook wel de "sociale fysica"., Historische inleiding tot de Wijsbegeerte, p. 98.

Het positivisme bevestigt deze overgang door te stellen dat de wetenschap met recht zich over alles uitspreekt omdat zij de enige is die dat adequaat kan doen. De rol die voor de filosofie hier nog is weggelegd is die van een fundering en uiteenzetting waarom de wetenschap als enige deze kennisaanspraak kan maken en anderzijds kan de filosofie zich bezighouden met de uiteindelijke systematisering van alle kennis. Het uitgangspunt is dat kennis alleen mogelijk is aangaande de wereld der verschijnselen.

Het positivisme vindt daarnaast zijn wortels in het sterke vooruitgangsgeloof en de autonomiegedachte (het sterkst uitgewerkt door Immanuel Kant) van verlichtingsdenkers en Franse Revolutionairen. In tegenstelling tot deze laatsten, hadden positivistische denkers een reformistische in plaats van een revolutionaire instelling. Comte geloofde bijvoorbeeld dat de opkomst van de moderne wetenschap een langzaam, maar onvermijdelijk proces is. Zo formuleerde hij de wet van de drie stadia: eerst ging de mensheid door een theologisch stadium waarin men de wereld rondom zich verklaart naar analogie met het menselijk handelen. Vervolgens komt de mensheid terecht in het metafysisch stadium waarin hij de wereld verklaart door te verwijzen naar abstracte principes of essenties. Uiteindelijk komt de mens in het positieve stadium terecht waarin hij leert dat alleen de empirische wetenschap echte kennis kan leveren. Kennis wordt hier werkelijk toegankelijk voor iedereen en relevant voor onze dagelijkse behoeften en noden. Het positivisme is dus onvermijdelijk volgens Comte.

Aanhangers Een van de eerste positivistische denkers was Saint-Simon, voluit Claude Henri de Rouvroy, wiens ideeën later verder uitgewerkt zouden worden door zijn volgeling Auguste Comte."positivism", Encyclopædia Britannica Encyclopædia Britannica Online, Encyclopædia Britannica Inc., 2012, bezocht op 01-08-2012. In het oorspronkelijk positivisme bestaat de opvatting, dat alle problemen die de mens kan stellen enkel en alleen op te lossen zijn met behulp van de wetenschappelijke methode, ofwel door een beroep te doen op gecontroleerde ervaringsgegevens. Deze opvatting was in de tweede helft van de 19e eeuw wijd verspreid, en werd vertegenwoordigd door filosofen als Richard Avenarius, Friedrich Jodl, Ernst Laas, Pjotr Lavrov, Ernst Mach, John Stuart Mill en C.S. Peirce en Abel Rey., Geschiedenis der Hedendaagse Europese Wijsbegeerte, MCMLII, Desclée de Brouwer, p. 23. Het positivisme vond ook gehoor in Latijns-Amerika. In Mexico legde de positivistische filosoof Gabino Barreda de basis voor een generatie van científicos, positivistische politiek-economische adviseurs, en Comtes devies 'Orde en Vooruitgang' werd opgenomen in de vlag van Brazilië.

Hoewel deze filosofie in de loop van de tijd aanhang verloor, kwam er in de 20e eeuw weer meer interesse in de vorm van het logisch positivisme of logisch empirisme van de Wiener Kreis, met filosofen als Rudolf Carnap en Otto Neurath. Deze baseerden zich naast Comte op Ludwig Wittgensteins Tractatus Logico-Philosophicus (1922) en combineerden het met het empirisme van David Hume. Ook hier hadden alleen de empirisch verifieerbare uitspraken zin, en werden metafysische en andere filosofische uitspraken verworpen als onzin. In zaken als ethiek, kunst en literatuur zagen logisch positivisten niets meer dan het uitdrukken van emoties. Dit staat bekend als het emotivisme.

Rechtspositivisme

De inzichten van Comte en andere vroege positivisten werden ook toegepast binnen de rechtsfilosofie onder de term rechtspositivisme. Net als bij Comte kan men ook in het recht drie stadia beschrijven: allereerst een fundering van het recht in God, vervolgens in ethische abstracte normen en ten slotte in de wil van de wetgever.

De rechtswetenschapper moet zich volgens het positivisme louter concentreren op de feitelijke wetgeving en positief rechterlijk materiaal. Deze materie moet dan op een ordelijke en duidelijke manier hiërarchisch geordend worden. De nadruk ligt vooral op de feitelijkheid van het recht: het recht is en blijft een menselijk product dat steeds weer aan verandering onderhevig is. Ethiek wordt volledig uitgesloten. Vertegenwoordigers zijn John Austin en H.L.A. Hart.

Kritiek Er zijn verschillende punten van kritiek geformuleerd door filosofen op het positivisme. Hieronder staan de voornaamste vermeld.Gebaseerd op , Historische inleiding tot de Wijsbegeerte, p. 99-104.

Positivisme als variant van het idealisme

Einsteins voornaamste punt van kritiek was dat het positivisme het bestaan van de buitenwereld, onafhankelijk van een waarnemer, niet erkent. Het positivisme lijkt daarom erg op het idealisme van Berkeley. "(...) de positivistische basisattitude, die in mijn ogen onhoudbaar is, en die volgens mij op hetzelfde neerkomt als Berkeley's principe, Esse est percipi [Zijn is waargenomen worden]." Terwijl positivisten menen dat zij alleen wetenschappelijke kennis erkennen, is volgens Einstein het positivisme zelf in strijd met de basisaannames van de natuurwetenschap: "Het geloof in een externe wereld, onafhankelijk van het waarnemend subject, is de basis van alle natuurwetenschap."A. Einstein, "Maxwell's Influence on the Evolution of the Idea of Physical Reality". in J.C. Maxwell: A Commemoration Volume (Cambridge, 1931), introduction.

Marxisten deelden deze kritiek. Lenin schreef: "Het ‘nieuwste positivisme’ is alleen maar zo’n twee eeuwen te laat gekomen; Berkeley heeft al voldoende laten zien dat men ‘uit gewaarwordingen, dus uit psychische elementen’ niets anders dan het solipsisme kan ‘opbouwen’."

Een foutief wetenschapsmodel In de 20e eeuw kwamen er stemmen op vanuit de wetenschapsfilosofie dat het model dat positivisten aanhangen niet geheel correct is. Positivisten gaan ervan uit dat wetenschappelijke kennis voortkomt uit inductie: men observeert bepaalde waarneembare fenomenen en haalt daar algemene en abstracte wetten uit. Zo lijkt het echter niet in de werkelijkheid te gaan. De eerste grondige kritiek kwam van Karl Popper en zijn falsificationisme: inductie is volgens Popper geen geldige logische redenering. Je kan van een paar observaties niet concluderen dat alle zaken zo zijn. Zelfs als je honderd witte zwanen hebt gezien, kan de volgende nog altijd een zwarte zwaan zijn. Volgens Popper kan men enkel falsifiëren of weerleggen. Men kan enkel een voorgestelde hypothese weerleggen door in het voorbeeld een zwarte zwaan tegen te komen. Hieruit blijkt echter dat men altijd al een bepaalde theoretische hypothese moet vooropstellen en vervolgens moet proberen deze hypothese te weerleggen. Zo'n hypothese kan slechts gecorroboreerd of ondersteund worden, maar nooit echt door de waarneming tot het niveau van zekere kennis gebracht worden. Van zuivere afleiding uit de waarneming naar zekere kennis is dus geen sprake.

thumb|upright|Een minuscuul mensje in een spermacel, getekend door Hartsoeker in 1695. Hartsoeker baseerde zich op het idee dat de man het wezen van het kind bepaalde en de vrouw slechts een draagster van dat kind was; door zijn microscoop zag hij wat hij verwachtte te zullen waarnemen. thumb|upright|Leonardo da Vinci meende verbindingen tussen de ruggengraat van de man en de testes te hebben gezien. Ook Da Vinci baseerde zich hierbij op theorieën die dergelijk verbindingen veronderstelden. In het werk van N.R. Hanson en Thomas Kuhn, vooral diens The Structure of Scientific Revolutions (1962) wordt het nog sterker geproblematiseerd. Zo wijzen beiden op het fenomeen van de theoriegeladenheid van de waarneming: wat een wetenschapper waarneemt wordt vaak bepaald door de theoretische achtergrond of zelfs de cultuur waarin de wetenschapper in kwestie leeft. Zo kan het voorkomen dat de wetenschapper simpelweg waarneemt wat hij wil waarnemen of wat hij verwacht waar te nemen. & & , Wetenschapsfilosofie, Assen, Van Gorcum, 2007, p. 153-154. Om dit te staven kan bijvoorbeeld verwezen worden naar de marskanalen van Schiaparelli, of, zoals hiernaast en hieronder afgebeeld, de fouten in de anatomische afbeeldingen van Da Vinci en die van Hartsoeker. Ook kan men verwijzen naar de inzichten van de gestaltpsychologie. Verabsoluteren van wetenschappelijke benadering Het positivisme stelt dat de enige wijze waarop we kennis kunnen vergaren die van de (empirische) wetenschappen is. Zo wordt kennis beperkt tot dat wat men empirisch en wetenschappelijk kennen kan. Het is echter een eigenschap van de wetenschappelijke benadering dat zij een objectief standpunt nastreeft en daarbij subjectieve gegevens zoals persoonlijke impressies en dergelijke uitsluit. Zo spreekt ze over kleuren en tonen in termen van golflengten en niet in termen van 'mooi' of 'fel'. Hoewel dit zeker ook een verrijking is voor onze kennis, vormt dit volgens sommige filosofen ook een verarming.

Edmund Husserl en andere fenomenologen betogen dat deze reductie andere vormen van kennis onterecht uitsluit. Husserl stelt dat dit objectivisme van de wetenschappen - dat in het positivisme wordt verabsoluteerd - gefundeerd is in de subjectieve leefwereld (Lebenswelt) van de mens. Het positivisme wil echter juist dit perspectief vanuit de leefwereld, hoe de mens deze het meest oorspronkelijk ziet, van elke kennisaanspraak ontdoen. Husserl stelt dat dit verkeerd is: het positivisme moet inzien dat zijn eigen perspectief niet zonder deze leefwereld kan, en daarbij dat zijn perspectief maar een van de vele mogelijke perspectieven op de wereld is. De objectieve kijk van de wetenschap biedt slechts een visie op de wereld of op de mens, en abstraheert daarbij van andere waardevolle gegevens. Cultuur-historische kritiek