Richard Georg Strauss (München, 11 juni 1864 – Garmisch-Partenkirchen, 8 september 1949) was een Duitse componist en dirigent. Hij is niet verwant aan Johann Strauss en diens familie uit Wenen.

Het Richard-Strauss-Institut beheert sinds 1999 een archief en museum over hem in Garmisch-Partenkirchen.

Levensloop Jonge jaren thumb|foto van Richard Strauss Strauss was de zoon van de hoornvirtuoos van de Königlich Bayerische Hofkapelle Franz Joseph Strauss. Eerste lessen kreeg hij voor viool bij Benno Walter, voor piano bij Carl Niest en voor muziektheorie bij hofkapelmeester Friedrich Wilhelm Meyer. Richard ontpopte zich al vroeg als een muzikaal talent. In 1876 schreef hij zijn Festmarsch, op. 1, die samen met twee andere werken in 1881 gepubliceerd werd.

Vanaf 1882 studeerde hij aan de universiteit Filosofie en Kunstgeschiedenis.

Eerste werken Na zijn debuut als dirigent aan het theater in Meiningen in 1884 werd hij op advies van de dirigent Hans von Bülow voor het seizoen 1885-1886 in München 2e kapelmeester naast Von Bülow zelf. Na een tussenengagement in 1886 als 3e kapelmeester aan het hoftheater in München, talrijke concertreizen en een assistentschap in 1889 bij de Parsifal-uitvoeringen tijdens de Bayreuther Festspiele, werd hij in 1889 groothertogelijk hofkapelmeester te Weimar.

Zijn eerste werken waren zogenaamde symfonische gedichten. Deze zijn te omschrijven als programmamuziek waarin een verhaal ('gedicht') te horen is. Sommige van de symfonische gedichten van Strauss waren op bestaande gedichten of andere literaire werken gebaseerd. Een van de eerste symfonische gedichten van Strauss was het vierdelige Aus Italien (1886). Daarna volgden Macbeth (1886-1888), Don Juan (eveneens 1888), Tod und Verklärung (1889-1890), Till Eulenspiegel (1895), Also sprach Zarathustra (1896), Don Quichote (1897), Ein Heldenleben (1897-1898).

Opera's Strauss legde zich vanaf 1893 tevens toe op het componeren van opera's. Zijn eerste opera's, Guntram (1893) en Feuersnot (1901), waren niet erg succesvol. De doorbraak kwam in 1905 met Salomé, op de letterlijk uit het Frans in het Duits vertaalde tekst van het toneelstuk van Oscar Wilde, dat gaat over de onthoofding van Johannes de Doper. Het succes en de opbrengst van Salomé waren gigantisch. Strauss kocht er zijn buitenhuis in Garmisch-Partenkirchen, in de Beierse Alpen, van. In dat huis is hij tot zijn dood in 1949 met zijn vrouw, de zangeres Pauline de Ahna (met wie hij sinds 10 september 1894 getrouwd was) blijven wonen.

Na verdere concertreizen naar Moskou, Barcelona, Amsterdam, Londen en Parijs werd Strauss in 1898 gedurende tien jaar als 1e koninklijke hofkapelmeester in Berlijn aangesteld. In 1903 vond in Londen de eerste Richard-Strauss-week plaats. In 1908 werd hij tot algemeen muziekdirecteur van de Berlijnse hofopera benoemd.

Na Salomé componeerde Strauss wederom een opera op een bewerking van Sophokles' drama: Elektra. Dit was tevens het begin van een succesvolle samenwerking met de tekstdichter Hugo von Hofmannsthal.

thumb|Richard Strauss in 1916, van Emil Orlik Bij het componeren van zijn opera's en andere vocale muziek (liederen) ondervond hij veel steun van zijn vrouw, die een verdienstelijk sopraan was en die hem daarom nuttige stemtechnische adviezen uit de eerste hand kon geven. Strauss toonde in zijn opera's een grote voorliefde voor hoofdrollen door sopranen. In Der Rosenkavalier zijn de drie grootste rollen voor sopranen.

De tweede grote opera van Strauss en Hugo von Hofmannsthal was Der Rosenkavalier (1910), wellicht het allergrootste succes uit het leven van Strauss. De samenwerking met Hugo von Hofmannsthal ging daarna verder in Ariadne auf Naxos, een opera in een opera.

In 1917 behoorde hij met Max Reinhardt en Hugo von Hoffmannsthal tot de medeoprichters van de Salzburger Festspiele.

Het laatste grote werk van de twee was Die Frau ohne Schatten. Na de voltooiing hiervan overleed Von Hofmannsthal. Strauss moest op zoek naar andere librettisten, maar een hechte samenwerking als met Von Hoffmansthal kwam niet meer tot stand.

Van 1919 tot 1924 was hij samen met Franz Schalk co-directeur aan de indertijd zojuist hernoemde Weense Staatsopera, gemarkeerd door de première van Die Frau ohne Schatten, door Strauss terecht zijn "laatste Romantische opera" genoemd (geschreven voor de oorlog, uitgevoerd erna). De lauwe ontvangst van dit werk in 1919 is waarschijnlijk dan ook te wijten aan alle gevolgen van het verlies van de Eerste Wereldoorlog in de samenleving.

Dagindeling Strauss' werkdag begon in de ochtend om negen uur. Hij nam plaats achter zijn bureau en ging met componeren verder precies op het punt waar hij de dag daarvoor was gestopt. Hij schreef in eerste instantie alles op met potlood. Vervolgens de pianopartituur in inkt. Hij werkte zo aan een stuk door tot en met het middaguur, zo'n uur of twaalf of een. 's Middags ging hij wat skaat spelen en schreef een paar pagina's partituur. 's Avonds – elke avond – dirigeerde hij in de concertzaal. Nervositeit kende hij niet, hij was altijd ontspannen en was de hele dag – zowel in de ochtend als in de avond – volledig helder van geest. Als zijn bediende hem zijn rok overhandigde voor het concert, stond hij op van het werk, reed naar de concertzaal en dirigeerde met dezelfde zekerheid en rust waarmee hij 's middags skaat had gespeeld. De volgende dag was exact een kopie van de vorige.

Strauss en de nazi's Over Strauss' contacten met de nazipartij schrijft Stefan Zweig in zijn boek De wereld van gisteren het volgende:

Hitler was een hartstochtelijk liefhebber van de muziek van Strauss. Op feestavonden in Berchtesgaden werden naast Wagner bijna alleen liederen van Strauss uitgevoerd.

Uiteindelijk konden de nazi's er niet onderuit om naast de naam van Strauss, de naam van de jood Stefan Zweig op het affiche van de Schweigsame Frau te plaatsen. Het was een eis van Strauss.thumb|Strauss in 1945De Gestapo onderschepte een brief van Strauss aan Stefan Zweig waarin hij om een libretto voor een nieuwe opera vroeg. De brief werd voorgelegd aan Strauss, die daarop meteen zijn ontslag moest indienen als president van de Kulturkammer, en de opera Schweigsame Frau werd verboden in Duitsland.

Laatste jaren Van 1933 tot 1935 was Strauss president van de zogenoemde Reichsmusikkammer en in 1936 componeerde hij de Olympische Hymne, die hij zelf dirigeerde tijdens de openingsceremonie van de Spelen in Berlijn. Er volgden veel internationale verplichtingen, onder andere in 1936 bij de Royal Philharmonic Society in Londen en voor de première van zijn Japanische Festmusik in Tokio in 1940. miniatuur|Het graf in 2024. Tegen het einde van zijn leven componeerde hij het symfonisch gedicht Metamorphosen en de Vier letzte Lieder (1948) op gedichten van onder meer Joseph von Eichendorff en Hermann Hesse, die in 1950 door Kirsten Flagstad in Londen in première gingen.

Overlijden Strauss overleed, met zijn vrouw en zoon aan zijn zijde, op 8 september 1949 in zijn huis in Garmisch-Partenkirchen. Dit huis bestaat tot op de dag van vandaag en behoort toe aan zijn nakomelingen. Het is niet voor het publiek toegankelijk.

De stoffelijke resten van Strauss werden gecremeerd. De urn werd begraven op de Garmisch-begraafplaats in Garmisch-Partenkirchen in een graf waarin zijn vrouw Pauline, hun zoon Franz (1898–1980) en zijn vrouw Alice (1904–1991), kleinzoon Richard (1927–2007) en wiens vrouw Gabrielle, geboren Hotter (1939–2020), en kleinzoon Christian en zijn vrouw Brigitte, geboren Eckhardt (1925–1988), werden begraven.

Nederland thumb|thumbtime=0:08|Strauss in Amsterdam, Amstel Hotel (film 1924) Strauss trad als dirigent meerdere malen in Nederland op. Het archief van het Koninklijk Concertgebouworkest vermeldt 36 concerten in Nederland met Strauss als gastdirigent, waarbij overwegend zijn eigen werk op het programma stond. In 1903 gaf hij een reeks van vijf concerten met dit orkest in Londen, waarbij ook zijn vrouw optrad als soliste. Willem Mengelberg, de dirigent van het Concertgebouworkest, was een trouw pleitbezorger van zijn werken. Ein Heldenleben, uit 1898, is zelfs aan Mengelberg en het Concertgebouworkest opgedragen.

Stijl Strauss geldt met zijn orkestwerken als muzikale erfgenaam van Hector Berlioz en Franz Liszt en met zijn opera's als erfgenaam van Richard Wagner. Hij bezat een grote kennis van het orkest en een opmerkelijk talent om buitenmuzikale zaken in muziek om te zetten. Zelf stelde hij dat hij in staat was "Ein Bierglas tönend zu malen". Strauss bewerkte Berlioz' instrumentatieleer. Tot 1909 werd hij als avant-gardist gevierd. Later werd hem verweten dat hij tot de traditionele tonale structuren was teruggekeerd, maar hij kreeg daardoor al tijdens zijn leven de status van klassieker. Door de wijze van instrumentatie en de polyfonie wordt zijn werk beschouwd als een hoogtepunt in de muziek van de late romantiek.

Composities (selectie) Werken voor orkest Symfonieën thumb|Richard Strauss op een postzegel uit 1954 1880: 1e Symfonie in d-klein, voor groot orkest 1883-1884: 2e Symfonie in f-klein, voor groot orkest, op. 12 Allegro ma Non Troppo Scherzo: Presto Andante Cantabile Finale: Allegro Assai, Molto Appassionato 1902-1903: Sinfonia domestica, voor groot orkest, op. 53 Bewegt - Thema I - Thema II - Thema III Scherzo (Munter) Wiegenlied - Mäßig langsam Adagio - (Langsam) Finale (Sehr lebhaft) 1911-1915: Eine Alpensinfonie, voor orgel en groot orkest, op. 64 Nacht Sonnenaufgang Der Aufstieg Eintritt in den Wald Wanderung neben dem Bach Am Wasserfall Erscheinung Auf blumige Wiesen Auf der Alm Durch Dickicht und Gestrüpp auf Irrwegen Auf dem Gletscher Gefahrvolle Augenblicke Auf dem Gipfel Vision Nebel steigen auf Die Sonne verdüstert sich Elegie Stille vor dem Sturm Gewitter und Sturm, Abstieg Sonnenuntergang Ausklang Nacht 1925: Sinfonie zu drei Themen in Es-groot

Symfonische gedichten 1886: Aus Italien, symfonisch gedicht in G-groot, op. 16 Auf der Campagna: Andante In Roms Ruinen: Allegro molto con brio Am Strande von Sorrent: Andantino Neapolitanisches Volksleben: Allegro molto 1886-1888, rev. 1890: Macbeth, op. 23 1888: Don Juan, op. 20 - vrij naar het gelijknamig gedicht van Nikolaus Lenau uit 1844 1889-1890: Tod und Verklärung, op. 24 1895: Till Eulenspiegels lustige Streiche - ("Nach alter Schelmenweise - in Rondoform"), op. 28 1896: Also sprach Zarathustra, op. 30 - vrij naar Friedrich Nietzsche Einleitung Von den Hinterwäldlern Von der großen Sehnsucht Von den Freuden und Leidenschaften Das Grablied Von der Wissenschaft Der Genesende Das Tanzlied Nachtwandlerlied 1897: Don Quichote - ("Phantastische Variationen über ein Thema ritterlichen Charakters"), op. 35 Introduzione Tema con variazioni (10 variaties) Finale 1897-1898: Ein Heldenleben, op. 40 Der Held Des Helden Widersacher Des Helden Gefährtin Des Helden Walstatt Des Helden Friedenswerke Des Helden Weltflucht und Vollendung 1941-1942: Die Donau (fragment), voor groot orkest, gemengd koor en orgel

Ouvertures 1873: Ouvertüre „Hochlands Treue“, voor orkest 1876: Konzertouvertüre in h-klein, voor orkest 1876: Ouvertüre in e-klein „Ein Studentenstreich“, voor orkest 1876: Ouvertüre in Es-groot „Dom Sebastian“ 1878: Ouvertüre in E-groot, voor orkest 1878-1879: Ouvertüre in a-klein, voor orkest 1883: Konzertouvertüre in c-klein, voor groot orkest

Concerten voor instrumenten (en orkest) 1880-1882: Concert in d-klein, voor viool en orkest, op. 8 Allegro Lento ma Non Troppo Rondo: Prestissimo 1882-1883: Concert nr. 1 in Es-groot, voor hoorn en orkest, op. 11 Allegro Andante Rondo: Allegro 1885-1886: Burleske d-klein, voor piano en orkest 1924-1925: Parergon zur «Symphonia Domestica», voor piano (linkerhand) en orkest 1927: Panathenäenzug, symfonische etudes in vorm van een passacaglia voor piano (linkerhand) en orkest, op. 74 1942: Concert nr 2 in Es-groot, voor hoorn en orkest