Jules Emile Frédéric Massenet (Montaud bij Saint-Étienne, 12 mei 1842 — Parijs, 13 augustus 1912) was een Frans componist, pianist en muziekpedagoog. Massenet was de productiefste en artistiek zowel als commercieel succesrijkste Franse operacomponist tussen 1870/1871 en de Eerste Wereldoorlog, de belle époque van de Derde Franse Republiek. In vier decennia schreef Massenet meer dan 30 opera's, waarvan er 25 werden opgevoerd.
Levensloop Massenet werd geboren in Montaud bij Saint-Étienne als jongste van elf kinderen in het gezin van Alexis Massenet (1788-1863) en Adélaïde Royer de Marancour (1809-1875). Zijn vader van oud-officier en had een bedrijf waar metalen werktuigen werden gemaakt. Alhoewel hij tien oudere broers en zussen had, nam zijn moeder, zelf een pianiste, de tijd om Jules pianoles te geven. In 1848 verhuisde het gezin naar Parijs.
Later studeerde hij solfège bij Augustin Savard, harmonie bij Napoléon-Henri Reber. Vanaf november 1861 studeerde hij compositie bij Ambroise Thomas en Charles Gounod.
De instrumentale muziek Aanvankelijk schreef Massenet piano- en orkestwerken. In 1861 publiceerde hij zijn Grande Fantaisie de concert sur le «Pardon de Ploërmel», de Giacomo Meyerbeer voor piano. De orkestwerken zijn meestal minder bekend dan zijn opera's. Hij schreef diverse composities voor orkest - waarvan zijn zeven suites, onder andere de Scènes Alsaciennes, Scènes Pittoresques, Scènes Napolitaines en de Scènes de Féerie, de bekendste zijn. Hij schreef in 1870 een symfonie en in 1903 een pianoconcert, helemaal in de traditie van de 19e eeuw.
Conservatorium Massenet ging op elfjarige leeftijd naar het Parijse Conservatoire National Supérieur de Musique en studeerde aanvankelijk piano bij Adolphe Laurent. Het conservatorium stond alom bekend om zijn uitstekende en progressieve piano-afdeling, opgericht door Louis Adam en zijn leerling Friedrich Kalkbrenner, die de zogenaamde ‘jeu perlé’ methode introduceerde: arm stil houden en pols- en vingertechniek ontwikkelen met als doel mooi helder en vooral virtuoos passagewerk te krijgen. Het werd het handelsmerk van veel Franse pianomuziek: mooie heldere toon en kristalhelder passagewerk. De hoogtepunten van het 'jeu perlé' zijn Debussy en Ravel.
In 1859 sloot Massenet zijn conservatorium studie af met een eerste prijs. Een mooie carrière als concertpianist zat er echter niet in. Er was geen geld voor. Massenet trok in bij een van zijn getrouwde zussen en verdiende wat met pianolesjes en als slagwerker in het orkest van de Parijse opera. Door deze baan ontstond zijn voorliefde voor opera.
Hij ging terug naar het conservatorium om compositielessen te nemen bij François Bazin. Die schonk weinig aandacht aan hem en Massenet werd zo’n beetje het zwarte schaap van de klas. Achttien jaar later nam Massenet Bazins leerstoel op het conservatorium als ook zijn leerstoel op de Académie des Beaux-Arts over.
Musicus miniatuur|links|Jules Massenet(1864), door Jules-Clément Chaplain (1839-1909)
Massenets tweede poging om zich als musicus te vestigen had meer succes. Hij won de fel begeerde compositieprijs Prix de Rome in 1863. Dat betekende drie jaar op kosten van het Comité ongestoord werken in een villa van De Medici net buiten Rome. Een van de bezoekers in de Villa Medici was Liszt. Hij gaf daar vaak concerten. Massenet viel hem als getalenteerd pianist-componist op en hij stuurde Constance de Saint-Marie naar hem toe voor pianolessen. In 1866 trouwde Massenet met haar.
Gedurende de tijd dat hij in Rome was bestudeerde hij de pianowerken van Chopin, Beethoven en Bach, volgens hem de enige ware pianocomponisten.
Pianoconcert in Es Massenet zag zichzelf alleen maar als pianist, niet als componist. Toch begon hij al in 1863 met schetsen voor een pianoconcert. Heel opmerkelijk want zijn grote succes kwam als operacomponist. De schetsen bleven 40 jaar op de plank liggen tot 1903, toen hij het werk voltooide binnen drie maanden. Daartussenin liggen zijn belangrijke opera’s.
Het pianoconcert van Massenet past geheel in de traditie van het jeu perlé. In het pianoconcert is de invloed van Liszt heel goed te horen, vooral in de opening van het werk en in het laatste (derde) deel. Het is wat dat betreft een mooie synthese van het Franse jeu perlé en de bravoure van Liszt. Het pianoconcert is niet doorgedrongen tot het standaardrepertoire en wordt vrijwel nooit meer uitgevoerd. Er bestaan slechts enkele opnames op lp of cd: de bekendste zijn die van Sondra Bianca (ca. 1955-1960), Marylène Dosse (1979), Stephen Coombs (1996) en Aldo Ciccolini (2001).
Vocale muziek Verschillende oratoria ontstonden voordat hij de muziekwereld begon te verblijden met opera's. In mei 1862 bood hij zijn eerste cantate Louise de Mézières aan het concours-Prix de Rome aan; hij ontving een eervolle vermelding en won een tweede prijs op het gebied van contrapunt en fuga. Hij won de Prix de Rome in 1863 met zijn cantate David Rizzio. Aan de prijs was een verblijf in de Villa Medici in Rome verbonden (1864-1865). In deze tijd leerde hij Franz Liszt kennen.
Opera thumb|Het originele affiche voor Thaïs Het grootste aandeel in het hele oeuvre van Massenet hebben de opera's. Hij gebruikte een lyrische grondlaag in zijn muziektaal, die zich over de stapjes van Le Roi de Lahore via Manon en Werther naar Thaïs ontwikkelde en daarna geen diep ingrijpende verandering meer onderging. Dit betekende echter geen uniformiteit, integendeel: Massenet reageerde op muzikale stromingen, maar hij absorbeerde ze eerder dan dat hij zich eraan overgaf. Zo beproefde hij in Le Roi de Lahore en Le Cid het genre van de Grand opéra van Giacomo Meyerbeer, maakte in Esclarmonde en Werther een eerbetoon aan Richard Wagner en nam in La Navarraise de stromingen van het muzikale verisme op. In deze opera gunde hij de sopraanrol aan Emma Calvé.
Hij was veelzijdig, rijk aan nuances en wendingen en verhief die rijkdom tot zijn scheppende credo. Dat vindt ook zijn uitdrukking in de genreaanduidingen, die hij zijn opera's gaf: van 'Opéra comique' en 'Opéra' over 'Opéra romanesque', 'Drame lyrique', 'Épisode lyrique', 'Pièce lyrique', 'Conte lyrique' tot 'Conte de fées', 'Miracle', 'Drame sacré', 'Comédie chantée', 'Drame musical', 'Comédie héroique' tot 'Opéra légendaire'.
Massenets neiging te variëren en te differentiëren toont zich in de details. In bijvoorbeeld Manon hanteerde hij tussen de beide traditionele uitingsvormen {spreken en zingen) van de opéra comique een groot aantal overgangsvormen. Daarmee kondigde hij het dan in Werther gebruikte principe van het doorcomponeren aan. Hij eiste een onophoudelijke wisseling van toonhoogte, stijl van voordracht en uitdrukking, die hij met honderden aanwijzingen voor intonatie, frasering, dynamiek, enzovoort, pijnlijk nauwkeurig documenteerde en becommentarieerde.
Heel belangrijk is in dit verband de behandeling en de betekenis van de taal in Massenets compositiestijl. Om zijn muziek zo goed mogelijk in overeenstemming met de taal te brengen, leerde Massenet vóór het componeren altijd de tekst van de libretti uit het hoofd. De muzikale finesses plooiden zich naar het Franse idioom. Al was hij geen grote vriend van veeleisende libretti, het ging hem toch altijd om de theatrale effectvolle beschrijvingen in muziek van de (bij voorkeur instabiele) toestand van de zielen. Soms wist hij de aria's in finesse door de recitatief-dialogische passages te overtreffen, een kernargument tegen het verwijt dat Massenet een "puur melodicus" was. Dat hij altijd dicht bij de taal bleef, is mede verantwoordelijk voor de zwevende kwaliteit van de muziek, voor haar lyrisme, die de dragende kracht werd voor de muzikale 'féminité'.
Muziekpedagoog Van 1 oktober 1878 tot 1896 doceerde Massenet compositie aan het Conservatoire de Paris. Tot zijn bekende leerlingen behoorden Ernest Chausson, Gabriel Pierné, Georges Marty, Paul Vidal, Xavier Leroux, Gustave Charpentier, Henri Rabaud, Max d'Ollone, Gabriel Dupont, Albéric Magnard, Henry Février en Florent Schmitt.
Laatste levensjaren miniatuur|Massenet rond 1910door Henri Manuel In 1879 maakte hij reizen naar Boedapest, Milaan, Londen, München, Buenos Aires, Rio de Janeiro en Praag. In 1895 werd hij tot Commandeur de la Légion d'Honneur benoemd. In 1910 werd hij president van het Institut de France.
Jules Massenet overleed op 70-jarige leeftijd in Parijs.
Massenets reputatie in Frankrijk werd na zijn overlijden door zijn leerlingen Alfred Bruneau, Gabriel Pierné, Gustave Charpentier, Henri Rabaud en Reynaldo Hahn levend gehouden, alsook door zijn collega-componisten Francis Poulenc en Claude Debussy, die liefdevol werken aan hem opgedragen hebben. In Duitsland werd een oorspronkelijk door Debussy positief bedoeld - indirect tegen Wagner gericht - oordeel in het negatieve getrokken, namelijk: "Massenet heeft het ware doel van de muziek verstaan. Men moet de muziek van alle geleerde bombast bevrijden. De muziek moet met bescheidenheid pogen vreugde te verbreiden." In deze zin, zag Debussy het echte talent van Massenet.
Stijl Volgens critici altijd aanwezige karakteristieken van Massenets componeerstijl zijn raffinement en delicatesse, en subtiel spel met tempo en klankkleur. Maar daarin ligt ook het gevaar voor de uitvoerenden: wie uitsluitend de noten naspeelt, haalt er niet meer uit dan schrale klanken. Een niet sensibel genoeg aanvoelen van de muziek betekent volgens deze commentaren onvermijdelijk dat de gevoeligheid, de fragiliteit en de transparantie wegvallen en gekunsteldheid en nadrukkelijkheid overblijven.
Composities
Werken voor orkest 1863 Ouverture en sol, voor orkest 1866 Pompeîa, symfonische suite 1866 Le Retour d'une caravanne, symfonisch gedicht 1867 Première suite d'orchestre, in 4 delen, op. 13 1870 Symfonie 1870 Scènes hongroises, 2e suite voor orkest 1874 Ouverture de "Phèdre" 1874 Scènes dramatiques, 3e suite voor orkest 1874 Scènes Pittoresques 4e suite voor orkest 1876 Scènes Napolitaines, 5e suite voor orkest 1881 Scènes de Féerie, 6e suite voor orkest 1881 Scènes Alsaciennes, 7e suite voor orkest 1883 Elegia, ter gelegenheid van het overlijden van Richard Wagner 1891 Visions, symfonisch gedicht 1897 Fantaisie, voor cello en orkest 1900 Brumaire, ouverture voor orkest 1903 Concerto in Es-groot, voor piano en orkest Andante moderato - Allegro non troppo (cadenza) Largo Airs slovaques: Allegro - Allegro maestoso - Allegro molto animato 1910 La Nef Triomphale, symfonische ode ter gelegenheid van de opening van Musée Océanographique de Monaco in Monaco en opgedragen aan de prins Albert I van Monaco 1915 Rapsodia satanica, uit de film Alfa Les Erinnyes, symfonisch gedicht naar het schouwspel van Leconte de Lisle
Werken voor harmonieorkest 1e Suite d'orchestre, bewerking door Eustace Andante religioso, bewerking door Wil van der Beek Le Cid, bewerking door Lawrence Odom Les Erinnyes, suite bewerking door Arie den Arend Ouverture "Phèdre", bewerking door Daniël Bolten voorzien van een opdracht door de componist Ouverture "Phèdre", bewerking door Lucien Cailliet Roi de Lahore, bewerking door Dureau Scènes Alsaciennes, bewerking door Gerard Boedijn Scènes Alsaciennes, bewerking door Daniël Bolten voorzien van een opdracht door de componist Scènes Napolitaines, bewerking door Paul Despray Scènes Pittoresques, bewerking door Millet Scènes Pittoresques, bewerking door Daniël Bolten voorzien van een opdracht door de componist Scènes Pittoresques, bewerking door Willem van Erp Scènes Pittoresques, bewerking door Bernard Rehl
Missen, oratoria, cantates en motetten 1862 Louise de Mézières, cantate 1863 David Rizzio, cantate voor solisten, gemengd koor en orkest 1864 Messe 1864 Requiem 1867 Paix et Liberté, cantate 1871 Marie-Magdeleine, (Drame sacré en 4 actes) oratorium voor solisten, gemengd koor en orkest - tekst: Louis Gallet - première: 11 april 1873, Parijs