thumb|Centruroides infamatus thumb|Italiaanse schorpioen (Euscorpius italicus) Schorpioenen (Scorpiones) zijn een orde van geleedpotige dieren die behoren tot de klasse der spinachtigen. Ze behoren tot de oudst bekende spinachtigen en worden gezien als een van de primitiefste landdieren. Schorpioenen worden vertegenwoordigd door ongeveer 1800 soorten en vele uitgestorven soorten die als fossiel bekend zijn. Het is een van de weinige groepen van dieren waarvan de vertegenwoordigers er allemaal min of meer hetzelfde uitzien en moeilijk met andere dieren verward kunnen worden. Het is de enige groep van dieren met gifklieren en een naaldachtig toedieningsapparaat aan het einde van een langwerpig, gespierd en erg beweeglijk deel van het achterlijf.
Alle schorpioenen zijn zeer giftig voor kleine dieren, enkele tientallen soorten zijn ook gevaarlijk voor de mens. De meeste schorpioenen zijn niet in staat om een mens te doden. Met name de soorten die algemeen voorkomen bezorgen de schorpioenen net als de spinnen een slechte naam. Schorpioenen worden door veel mensen beschouwd als gevaarlijke dieren.
Schorpioenen komen voor in subtropische en tropische landen en leven ook in woestijnen. Ze leven in spleten en holen; soms graven ze zelf een ondergrondse gang of hol en er zijn zelfs soorten die in bomen leven. Schorpioenen leven solitair en zijn kannibalistisch.
Schorpioenen zijn zonder uitzondering carnivoor en jagen op verschillende ongewervelden die door de mens als plaag worden beschouwd, zoals kakkerlakken en andere plaaginsecten. Schorpioenen zijn daarnaast zeer bestendige dieren, die soms in extreme omstandigheden leven. Kleinere soorten worden enkele centimeters lang en leven vaak slechts enkele jaren. Bij grotere soorten duurt het vele jaren voor ze volwassen zijn. Dergelijke soorten kunnen een lengte van meer dan twintig centimeter bereiken.
Verspreiding en habitat thumb|Wereldwijde verspreiding in het groen. Bron: Scorpion Systematics Research Group.
Schorpioenen zijn bewoners van warme streken, alle soorten komen voor in tropische tot subtropische gebieden. Ze komen op alle continenten voor, behalve Antarctica. Ook in Nieuw-Zeeland komen van nature geen soorten voor. In Afrika, Australië en Zuid-Amerika komen schorpioenen overal voor. In Noord-Amerika komen vertegenwoordigers voor in het zuiden en een groot deel van de Verenigde Staten, met in het westen een noordelijke strook in Canada. In het oosten van de VS ontbreken schorpioenen. De oostelijke grens van het verspreidingsgebied loopt grofweg van Winnipeg tot Atlanta.
In Europa en Azië komen de soorten alleen in het zuiden voor. Hierbij valt op dat het verspreidingsgebied beperkt is tot een vrijwel rechte lijn die de 45e breedtegraad volgt. In Europa zijn schorpioenen te vinden tot het midden van Frankrijk. De grens van het verspreidingsgebied loopt net ten zuiden van Duitsland.
Habitat Sommige soorten zijn in andere landen geïntroduceerd en hebben zich als exoot weten te handhaven. Een voorbeeld is de Zuid-Europese en Afrikaanse Europese zwarte schorpioen (Euscorpius flavicaudis), die tegenwoordig ook in Uruguay en Groot-Brittannië voorkomt. De soort is in Groot-Brittannië terechtgekomen door de handel in fruit en heeft zich gevestigd in Sheerness, Kent. Ook in Nieuw-Zeeland zijn ze door de mens uitgezet. thumb|Habitat van de Oost-Europese soort Euscorpius teregestinus
Vrijwel alle soorten zijn terrestrisch; het zijn bodembewoners en de meeste soorten leven in spleten in of dicht bij de bodem, waaraan hun lichaam is aangepast. Andere soorten zijn aangepast aan zanderige habitats en kunnen snel over rul zand rennen, verstoppen zich onder voorwerpen of graven zich half in. Andere soorten graven een hol, waarin ze zich vrijwel permanent ophouden en alleen verlaten om naar voedsel en een partner te zoeken. Dergelijke soorten zijn erg honkvast, maar er zijn ook schorpioenen die een zwervend bestaan leiden. Schorpioenen zijn slechts bij hoge uitzondering boombewonend. Liocheles australiensis is een van de weinige soorten die als strikt arboreaal kan worden aangemerkt. Deze soort is weleens aangetroffen op een hoogte van 40 meter.
In koude streken zoals gebieden rond de polen komen geen vertegenwoordigers voor, maar sommige soorten leven in noordelijke streken en zijn aangepast aan de hier koelere winters. Enkele schorpioenen kunnen tot hoog in de bergen worden aangetroffen. In de Andes zijn waarnemingen bekend tot een hoogte van 5500 meter boven zeeniveau en in de Himalaya is de soort Scorpiops rohtangensis tot op 4300 meter aangetroffen onder besneeuwde stenen.
Hoewel schorpioenen uit waterdieren zijn geëvolueerd, hebben alle soorten het vermogen om in water te overleven verloren. Sommige soorten zijn littoraal; ze leven in de getijdenzone tussen aangespoeld zeewier, zoals Vaejovis littoralis, die leeft langs de kust van de Golf van Californië. Ook deze soorten verdrinken echter ogenblikkelijk als ze in het water terechtkomen. Van de pas in 2007 beschreven fossiele soort Akrav israchanani wordt vermoed dat het dier volledig blind was en uitsluitend in diepe grotten leefde (troglobiet).
Uiterlijke kenmerken thumb|De lichaamsbouw van een schorpioen: Kopborststuk
Delen van de poten
Achterlijf Schorpioenen behoren tot de spinachtigen en zijn zodoende het nauwst verwant aan dieren als spinnen, mijten, teken en hooiwagens. Toch zijn ze eenvoudig van de meeste andere spinachtigen te onderscheiden door het langgerekte lichaam, de grijpscharen en de dikke 'staart' die een gifstekel draagt. Een schorpioen is te onderscheiden van alle andere geleedpotige dieren door te kijken naar de volgende kenmerken, waarvan de combinatie kenmerkend is voor schorpioenen; een duidelijk afgeplat lichaam vier paar looppoten en een paar grote uitsteeksels aan de voorzijde dat ieder een duidelijke schaar (chela) draagt een langwerpig deel aan de achterzijde dat een bol einde heeft met daaraan een stekelachtig uitsteeksel.
Lichaamsbouw Schorpioenen hebben net als alle spinachtigen een lichaam dat bestaat uit twee delen. Het voorste deel wordt het kopborststuk of prosoma genoemd en het achterlijf heet het opisthosoma. Er zijn wel spinachtige dieren die uit een geheel lijken te bestaan, zoals de hooiwagens, maar bij deze soorten zijn de beide delen gefuseerd. Schorpioenen hebben hiernaast ook een achterlijf dat uit twee duidelijk verschillende delen bestaat; het voorste deel is breed en afgeplat en bevat de meeste organen, dit deel wordt het mesosoma genoemd. Het achterste deel van het achterlijf is duidelijk afgesnoerd en dunner, het wordt vaak de 'staart' van de schorpioen of met een wetenschappelijker woord metasoma genoemd. Aan het uiteinde is een bolle tot druppelvormige structuur aanwezig, die het telson of gifstekel wordt genoemd.
Een typisch spinachtig kenmerk zijn de vier paar looppoten. Aan de kop zijn twee pootachtige structuren gelegen die aan het uiteinde een schaar dragen. Dit zijn gemodificeerde monddelen en geen echte poten.
Schorpioenen hebben geen felle balts- of schrikkleuren maar vertrouwen op hun camouflage. Soorten die in woestijngebieden leven zijn meestal zandgeel gekleurd en soorten die de bosbodem in regenwouden leven zijn veel donkerder,ook de zon heeft invloed op de kleur. Dit heeft te maken met de nachtelijke levenswijze; overdag zit de schorpioen verstopt en pas 's nachts gaat hij op jacht naar prooien. Kleinere soorten schorpioenen worden niet langer dan een paar centimeter, maar grotere soorten kunnen langer dan 20 cm worden. De allergrootste soort is de Indiase Heterometrus swammerdami. Deze soort kan volgens het Guinness Book of Records een lengte tot 23 centimeter bereiken.
Kopborststuk Het kopborststuk of prosoma is het voorste deel van het lichaam, het is aan de bovenzijde voorzien van een verstevigde plaat die het rugschild of carapax wordt genoemd.
Deze relatief dikke plaat heeft uitsparingen voor de ogen op het midden en de bij-ogen aan de voorzijde. De carapax is bij veel soorten gewelfd en draagt soms doorns. Het bevat in het midden twee kleine ogen die dicht tegen elkaar zijn gelegen en kleine, onderontwikkelde oogjes op de zijkant van het rugschild. Deze oogjes worden wel ommatidiën genoemd, bij sommige soorten ontbreken deze structuren en het aantal ommatidiën kan oplopen tot maximaal vijf paar. Ondanks de tot twaalf oogjes is het zicht van een schorpioen slecht; alleen grove lichtverschuivingen kunnen worden waargenomen. Voor een schorpioen is dit genoeg om te kunnen bepalen wanneer het dag is en geschuild moet worden. Vermoed wordt dat ze 's nachts navigeren op het licht van sterren om zo hun hol weer terug te vinden. De ogen bevatten slechts een soort fotoreceptor, waardoor ze geen kleuren kunnen waarnemen.
Aan de onderzijde van het kopborststuk is de genitaalheuvel gelegen met in het midden de geslachtsopening. De vrouwtjes nemen hierin een spermatofoor van het mannetje op, zie onder voortplanting.
Aanhangsels thumb|Poten en scharen van Androctonus australis Het kopborststuk van een schorpioen draagt zes paar gesegmenteerde aanhangsels, van achter naar voor bestaande uit vier paar looppoten, een paar pedipalpen of tasterpoten en een paar kaken. Deze laatste twee paar zijn monddelen, ze zijn aan de voorzijde van het kopborststuk gelegen. De looppoten ontspruiten aan het borststukgedeelte aan de achterzijde van het kopborststuk.
Van de twee paar monddelen is het kleinste paar in het midden gelegen en in rust moeilijk te zien. Deze structuren worden de kaken of cheliceren genoemd en dienen om het voedsel te vermalen. De cheliceren zijn geleed en eindigen in kleine schaarachtige delen. Het tweede paar is duidelijk veel groter en is aan de zijkanten van de cheliceren gepositioneerd. Deze zogenaamde pedipalpen zijn bij schorpioenen zeer sterk vergroot en eindigen net als de cheliceren in een schaarachtige structuur die bestaat uit een vergroot onbeweeglijk deel dat de tibia wordt genoemd en een kleiner deel dat bij alle soorten krachtig kan worden samengeknepen en de tarsus wordt genoemd. De geschaarde uitsteeksels van een schorpioen zijn dus geen poten zoals vaak beweerd wordt -maar monddelen. Ze hebben vaak doornachtige uitsteeksels die tanden worden genoemd en dienen om de grip te vergroten. De pedipalpen bevatten ook lange tastharen of setae, die een mechanoreceptorische functie hebben.
De looppoten bestaan uit vier geledingen die gezien vanaf het lichaam bestaan uit de heup (coxa), de dij (femur), de scheen (tibia) en ten slotte de voet (tarsus). De indeling van de pootsegmenten is overigens hetzelfde als die van de cheliceren en pedipalpen, ondanks hun totaal andere origine en functie. De tarsus van de looppoot dient om de poot te hechten aan de ondergrond, waartoe het ook verschillende structuren draagt. Bij woestijnbewonende soorten, die leven in omgevingen die bestaan uit rul zand zijn de poten voorzien van dikke haartjes die het contactoppervlak met het zand vergroten zodat de schorpioen zich ook op los zand snel kan voortbewegen. Dit doet denken aan sneeuwschoenen en komt ook voor bij andere woestijnbewonende dieren zoals de franjeteenhagedissen. Net als de pedipalpen bevatten ook de poten lange tastharen.
Aan de onderzijde van het achterste potenpaar is een voor schorpioenen karakteristiek orgaan zichtbaar dat de pectines of kam wordt genoemd. De pectines is een kamvormig orgaan dat ontstaan is uit looppoten, maar volledig is omgevormd en vlak boven de bodem is gepositioneerd. Met de pectines wordt de geur van prooidieren waargenomen maar ook eventuele partners kunnen worden opgespoord.
Mesosoma thumb|Onderzijde Euscorpius italicus met ademopeningen (groene pijlen) en pectines (rode lijnen)