Theophrastus (Bombast) von Hohenheim, beter bekend onder het pseudoniem ParacelsusOp zijn grafsteen stond ook nog de (voorts nergens gebruikte) voornaam Philippus en op zeker ogenblik noemde hij zichzelf Aureolus, maar de vaak gegeven namenreeks Philippus Aureolus Theophrastus Bombastus von Hohenheim was niet hoe hij officieel heette of hoe hij zich noemde. Meestal gebruikte hij de naam Theophrastus von Hohenheim, slechts zelden zijn volledige familienaam Bombast von Hohenheim. Zie: Thony Christie, What's in a name?, The Renaissance Mathematicus blog, 2012 (Egg bij Einsiedeln, 1493 of 1494 – Salzburg, 24 september 1541) was een beroemd maar tevens controversieel arts, filosoof en theoloog die zich bezighield met alchemie en astrologie. Nog sterker dan andere renaissancemedici bekritiseerde hij de autoriteiten in de geneeskunde en vertrouwde hij op persoonlijke ervaring en observatie.Giorgiana D. Hedesan, "Alchemy, Potency, Imagination — Paracelsus's Theories of Poison" in: It All Depends on the Dose. Poisons and Medicines in European History, eds. Ole Peter Grell, Andrew Cunningham en Jon Arrizabalaga, 2018, p. 81 Zijn voorkeur voor minerale geneesmiddelen boven kruiden legde de basis voor de iatrochemie. Zijn idee dat de dosis bepaalt of iets giftig is, liep vooruit op de moderne toxicologie en het fundamentele verband tussen dosis en effect.William B. Diechmann, Dietrich Henschler, Bo Holmsted en Gert Keil, "What Is There That Is Not Poison? A Study of the Third Defense by Paracelsus" in: Archives of Toxicology, 1986, p. 207-2013. Voorts wordt hij beschouwd als de eerste systematische botanicus en gaf hij het element zink zijn naam.Alan G. Hefner: "Paracelsus" Hoewel hij dus mee vorm gaf aan de Wetenschappelijke Revolutie, waren het mystieke, magische en profetische integraal onderdeel van zijn benadering.

Leven Jeugd Veel biografische gegevens zijn afkomstig uit het voorwoord van zijn Die große Wundartzney (Het grote chirurgieboek). Zijn vader was de arts Wilhelm Bombast von Hohenheim, zijn Zwitserse moeder een intendant van het hospitaal van Einsiedeln, een functie die ze na haar huwelijk opgaf.Encyclopædia Britannica 11th Edition: Paracelsus Na de dood van zijn moeder vertrok Paracelsus met zijn vader in 1502 naar Villach (Karinthië). De jonge Paracelsus (toen Theophrastus genoemd) ging daar naar de 'Bergschule' waar zijn vader chemieles gaf. Daar werden de jongeren opgeleid als toezichthouders en analisten voor de mijnbouw in goud, tin en kwik, alsook in ijzer, aluin en kopersulfaat ertsen. Die kennis van metallurgie, de verhalen van de mijnwerkers over metalen die in de aarde 'groeiden' en vervolgens in kuipen werden gesmolten, zullen waarschijnlijk zijn interesse in de alchemie en de transmutatie van metalen gewekt hebben. Zijn vader leerde hem de beginselen van de astrologie, de alchemie en de geneeskunde. Paracelsus noemt verschillende geestelijken van wie hij onderricht ontving in scheikunde, onder wie Trithemius, abt van Spanheim, bisschop Scheit van Stettbach, bisschop Erhart van Laventhal, bisschop Nicolas van Hippon en bisschop Matthew Schacht.Thomas Thomson: The history of chemistry, Volume 1, p. 141, 1885 Het was Trithemius van wie hij zijn initiatie in de alchemie kreeg.Archibald Cockren: Alchemy Rediscovered and Restored, p. 30

De Grote Wandeling In 1507, als Paracelsus 14 jaar is, begint de tijd die in de Paracelsus-biografie als 'de grote wandeling' bekendstaat. In vijf jaar bezoekt hij naar eigen zeggen de universiteiten van Basel, Tübingen, Wenen, Wittenberg, Leipzig, Heidelberg en Keulen. Rond 1516 zou hij in Ferrara de dokterstitel hebben verworven. Omstreeks die tijd begon hij ook de naam "Paracelsus" (voorbij Celsus) te gebruiken. Deze nieuwe naam gaf aan dat hij zichzelf als nog groter beschouwde dan Aulus Cornelius Celsus, een beroemd Romeins arts uit de 1e eeuw.Encyclopaedia Britannica 15th Edition: "Paracelsus". In 1516 deed hij in Bazel met de hulp van Sigismund Fugger, een rijke arts uit de stad, onderzoek naar mineralogie, chirurgie en chemie. Nadat Fugger de stad was ontvlucht op beschuldiging van necromantie, zette Paracelsus zijn zwerftocht verder. Onderweg verdiende hij wat bij door, onder andere, aan astrologische voorspellingen te doen.

Over zijn reisweg door Europa zijn verschillende routekaarten in omloop, die echter voor een groot deel op vermoedens berusten. Zelf noemt hij "Granada, Lissabon, Spanje, Engeland, Brandenburg, Pruisen, Litouwen, Polen, Hongarije, Walachije, Transsylvanië, Kroatië, Slovenië en andere landen". Daarbij deed hij niet alleen ervaring op met de meest uiteenlopende ziekten en geneeswijzen, maar nam hij ook als militair-geneesheer deel aan diverse oorlogen. De universitaire geneeskunde achtte hij daarbij van weinig nut, en hij raakte geïnteresseerd in de volksgeneeskunde. Barbiers - die in die tijd vaak als chirurgijn optraden - kruidenvrouwen, beoefenaars der zwarte kunst, alchemisten en kloosterlingen werden zijn leraren. Ook in deze mensen raakte hij teleurgesteld, omdat ook zij hem niet tot een grotere zekerheid konden brengen in wat hij zag als ware geneeskunst. Hij overwoog verschillende keren zijn onderzoekingen te staken, wat hij uiteindelijk niet deed omdat hij het als zijn christenplicht beschouwde zijn zoektocht naar werkelijke geneeskunst voort te zetten.

In 1524 of 1525 verbleef hij in Salzburg. Hier ontstonden zijn eerste theologische geschriften. Dit verblijf was van korte duur. In de lente en zomer van 1525 kwam het tot onlusten, toen mijnwerkers en boeren tegen de Salzburger prins-aartsbisschop in opstand kwamen. Welke rol Paracelsus hierbij heeft gespeeld, is niet duidelijk; vast staat dat hij de stad toen zeer plotseling weer heeft verlaten. Eind 1526 kwam hij in Straatsburg aan, met de bedoeling hier zijn vaste woonplaats te kiezen. Hij verwierf het burgerrecht en werd lid van het gilde Zur Luzerne, de beroepsvereniging van onder andere korenhandelaars, molenaars en chirurgen. Korte tijd later werd hij echter gevraagd om in Bazel de boekdrukker Johannes Froben, een van de intimi van Erasmus van Rotterdam, te behandelen. De geleerde drukker leed al langere tijd aan een aandoening van zijn rechterenkel, zijn artsen konden hem niet helpen en overwogen het amputeren van het been. Paracelsus wist hem te genezen en werd vervolgens, in 1527, door de gemeenteraad van Bazel tot stadsgeneesheer benoemd.

Hoogleraarschap Aan deze functie was tegelijk een hoogleraarschap aan de medische faculteit verbonden. Althans, daar gingen zowel Paracelsus alsook de reformatorisch gezinde gemeenteraad van uit. De conservatieve faculteit was het hier echter niet mee eens en stelde allerlei (formele) voorwaarden aan Paracelsus, waar deze waarschijnlijk niet op in ging. In deze van begin af aan gespannen sfeer publiceerde hij zijn beroemde collegeaankondiging, waarin hij zei dat hij zich niet op autoriteiten zou beroepen, maar dat hij door zou geven wat zijn eigen ervaring en zijn eigen werk hem hadden geleerd. Dit was niet in overeenstemming met de toenmalige medische wetenschap. Deze stond nog geheel in het teken van de scholastiek, ze was doordrongen en werd overheerst door de filosofie van Aristoteles, die uit het Grieks via het Syrisch, Arabisch en Hebreeuws naar het Latijn was vertaald en van Arabische commentaren was voorzien. De grootste autoriteiten op medisch gebied waren Galenus (129 - 216), met zijn theorie van de vier lichaamssappen (humores), en de Pers Avicenna (980 - 1037). Het onderwijs bestond uit het voorlezen en becommentariëren van de antieke teksten volgens de deductieve methode: definiëren, classificeren en argumenteren met behulp van syllogismen en axioma's. Geen waargenomen feiten, maar de autoriteiten leverden de argumenten.

miniatuur|Portret uit 1538, door Augustin Hirschvogel, met Paracelsus' motto Wie op zichzelf kan staan moet niet van een ander afhankelijk zijn.

Verwerping van de klassieke geneeskunde Dit hele systeem werd door Paracelsus verworpen, wat op grote weerstand van zijn geleerde tijdgenoten stuitte. Bovendien gaf hij een aantal colleges niet in het Latijn, maar in het Duits, en vulde zijn collegezaal zich met een bont publiek dat van overal kwam aanlopen. Zijn optreden leverde hem al gauw een spotnaam op: de woudezel van Einsiedeln. Paracelsus stond bekend om zijn lange volzinnen vol hoogdravende taal tijdens zijn colleges. Kenmerkend voor deze periode is de anekdote die vertelt hoe hij een medisch leerboek in het sint-jansvuur heeft gesmeten. Naast de problemen met de faculteit ontstond spoedig een conflict met de plaatselijke apothekers, aangezien Paracelsus, die als stadsgeneesheer ook met de controle over de apotheken was belast, de daar heersende misstanden aan de kaak had gesteld. De situatie verslechterde toen een door hem genezen kanunnik het beloofde honorarium weigerde te betalen. Het kwam tot een rechtszaak, die Paracelsus verloor. Hij werd boos en mogelijk beledigde hij de rechterlijke macht. Om te voorkomen dat hij werd opgepakt, zag hij zich gedwongen de stad te ontvluchten.

Levenseinde Het vagantenleven begon opnieuw. Eerst naar Colmar in de Elzas, dan verder door Zuid-Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk. Overal wachtten patiënten; daarnaast schreef of dicteerde Paracelsus zijn medische en theologische werken. Deze beslaan vele duizenden pagina's, waarvan bij zijn leven slechts een fractie werd gedrukt. Van al zijn medische boeken kon hij alleen Die große Wundartzney en enkele kleinere geschriften over de syfilis in druk zien verschijnen. In zijn verhandelingen over de syfilis waarschuwt Paracelsus voor een overmatig gebruik van het guajakhout (pokhout), waarna de importeurs daarvan zorgden voor een drukverbod.

Op 21 september 1541 maakte Paracelsus in Salzburg zijn testament op. Hij overleed drie dagen later. De doodsoorzaak is officieel nooit opgehelderd.

thumb|Het menselijk lichaam en de astrologische correspondenties - middeleeuwse prent

Vier pijlers van de geneeskunde Zonder kennis van de wereld kon men volgens Paracelsus geen arts zijn. In het Volumen Paragranum legde hij uit dat de geneeskunst op vier pijlers berust: filosofie, astronomie, alchemie en ethiek. Filosofie is te verstaan als natuurfilosofie, kennis van en inzicht in de kosmos. "Waar de filosoof eindigt, begint de arts", is een typerende uitspraak van hem. Astronomie in dit verband betekende de kennis van een bovenste sfeer, die uit lucht en vuur zou bestaan, terwijl de filosofie zich met het vaste en het vloeibare bezighoudt. Deze elementen werden door hem gezien als de grondbeginselen, de "moeders" zoals hij ze noemde, waar alles uit voortkomt.

Filosofie Paracelsus verwierp de traditie van het gnosticisme, maar behield naar het voorbeeld van Marsilio Ficino en Pico della Mirandola de hermetische filosofie, het neoplatonisme en het pythagorisme. Zijn opvattingen dat ziekte en gezondheid van het lichaam afhankelijk zijn van de harmonie tussen mens, de microkosmos en de macrokosmos (het universum) weerspiegelen de hermetische filosofie.

Paracelsus ging uit van het oude, hermetische inzicht, vervat in de tabula smaragdina: zo boven, zo beneden. Het universum is op de verschillende niveaus en patronen opgebouwd. De mens, als microkosmos, bevatte alles wat er in de macrokosmos te vinden is. Zodoende kon de studie van de wereld uitsluitsel geven over de mens, en vice versa. "Alles wat er in de grote wereld is, niet meer en niet minder, is ook in het menselijk lichaam aanwezig. Dezelfde soorten hout, stenen, kruiden etc. die er in de buitenwereld zijn, zijn er ook in de mens, alleen niet in dezelfde gedaante als in de elementen… Wie in staat is de gedaanten ervan in het menselijk lichaam te herkennen - dus: dit is de saffier in de mens, dat de mercurius, dit de cipres, dat flos cheiri etc. - die heeft het boek van het menselijk lichaam juist bestudeerd en doorgrond."Artsen op dwaalwegen, p. 67 Magie zou deze verborgen verbanden zichtbaar maken.