Zuid-Ossetië (Ossetisch: ; , Georgisch: ; , Russisch: ; ) is een bergachtig en dunbevolkt gebied in het centrale noorden van Georgië, aan de zuidkant van de Grote Kaukasus, met een oppervlakte van ongeveer 3900 km² en naar schattingen enkele tienduizenden inwoners. Ten noorden ervan ligt de Russische deelrepubliek Noord-Ossetië-Alanië.
Het gebied is sinds 1992 de facto een afgescheiden republiek onder de naam Republiek Zuid-Ossetië, vanaf 2017 met de toevoeging Staat Alanië. Georgië refereert aan het gebied met regio Tschinvali, dat geen bestuurlijke status heeft, verwijzend naar de hoofdstad Tschinvali. Georgië beschouwt het gebied als onlosmakelijk onderdeel van zijn staatsgebied. Sinds de Russisch-Georgische Oorlog van 2008 bezet Rusland het gebied.
Het Zuid-Osseetse separatistische leiderschap heeft regelmatig de intentie uitgesproken om de republiek te verenigen met Noord-Ossetië en op te laten nemen in de Russische Federatie. Enkele lidstaten van de Verenigde Naties erkennen de onafhankelijkheid van Zuid-Ossetië. De republiek is afhankelijk van politieke, financiële en militaire steun van Rusland.
Status
miniatuur|Internationale erkenning van Zuid-Ossetië: en . Het gebied had tussen 1922 en 1990 binnen de Georgische Socialistische Sovjetrepubliek een mate van autonomie als de Zuid-Ossetische Autonome Oblast. Tijdens het proces van Georgische losmaking van de Sovjet-Unie en Zuid-Osseetse pogingen zich aan het Georgische gezag te onttrekken, trok de Georgische sovjetrepubliek op 11 december 1990 de autonomie van de oblast in. Dit wakkerde het Georgisch-Ossetisch conflict aan en een maand later brak de eerste Zuid-Osseetse oorlog uit.
Tegen het einde van deze oorlog bekrachtigde het separatistische leiderschap in Zuid-Ossetië op 29 mei 1992 het onafhankelijkheidsbesluit van de Republiek Zuid-Ossetië. Deze onafhankelijkheid werd noch door Georgië, noch de internationale gemeenschap erkend. Georgië ziet Zuid-Ossetië als onlosmakelijk onderdeel van zijn staatsgebied. Het refereert eraan als 'regio Tschinvali', dat geen bestuurlijke status heeft.
Na de Russisch-Georgische Oorlog van 2008 erkende Rusland op 26 augustus van dat jaar als eerste VN-lid de onafhankelijkheid van de republiek Zuid-Ossetië en stationeerde er duizenden troepen. Daarna erkenden ook Nicaragua (2008), Venezuela (2009), Nauru (2009), Tuvalu (2011), en Syrië (2018), de republiek. De Pacifische eilandstaat Tuvalu trok in 2014 haar erkenning weer in, na het aangaan van diplomatieke relaties met Georgië. In 2026 trok ook Nauru haar erkenning in.
Verder waren er een aantal niet algemeen erkende separatistische republieken die Zuid-Ossetië erkenden, waaronder Abchazië, Transnistrië, Nagorno-Karabach (tot 2023), de Westelijke Sahara, en de Volksrepublieken Donetsk en Loegansk (beide tot 2022) Zuid-Ossetië als soevereine staat. Samen met Abchazië, Transnistrië en Nagorno-Karabach (tot 2023) vormt Zuid-Ossetië de Gemeenschap voor democratie en rechten van staten.
Aansluiting bij Rusland Zuid-Ossetië heeft de wens tot het samengaan met Noord-Ossetië en daarmee aansluiting bij Rusland nooit onder stoelen of banken gestoken. Dit speelde een belangrijke rol bij de ontstaansgeschiedenis van de Zuid-Ossetische Autonome Oblast in 1922 en kwam terug tijdens de val van de Sovjet-Unie. In januari 1992 was een grote meerderheid in een referendum voor aansluiting bij Rusland. Een tweede referendum tijdens de presidentsverkiezingen van 2006 herhaalde deze wens.
Latere voorstellen voor aansluitingsreferenda in 2008, in 2014-2017 en in 2022 werden niet uitgevoerd. Redenen waren onder andere het gebrek aan goedkeuring van Rusland, maar ook het mandaat dat er al ligt via de twee eerdere referenda. Voor Rusland was er door onder andere het integratiepact geen direct belang bij een formele annexatie op basis van een nieuw referendum. Ook zag ze een dergelijke stap als een risico voor meer internationale repercussies na de annexatie van gebieden in Oekraïne.
Wel was er parallel met de presidentsverkiezingen van 2017 een referendum over naamsverandering, in plaats van een aansluitingsreferendum. Daarmee veranderde de Republiek Zuid-Ossetië haar naam naar de 'Republiek Zuid-Ossetië - Staat Alanië', dat een verwantschap met Noord-Ossetië-Alanië en het middeleeuwse koninkrijk Alanië moest benadrukken.
Paspoortisatie Rusland begon vanaf eind jaren 1990 met een pro-actief beleid om het Russisch staatsburgerschap en paspoort onder de inwoners van Zuid-Ossetië te verspreiden. Het overgrote deel van de (Osseetse) inwoners van Zuid-Ossetië maakte hier gebruik van. Het proces intensifieerde zich vanaf 2002, na versoepelingen van Russische naturalisatieregels. De inwoners van Zuid-Ossetië konden door het staatsburgerschap aanspraak maken op een Russisch staatspensioen en andere sociale rechten, zoals medische zorg. Uit internationaalrechtelijke analyse bleek dat dit "paspoortisatie"-beleid een schending was van onder meer de Georgische soevereiniteit en een ongeoorloofde inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Georgië.
Deze paspoortisatie was een belangrijk speerpunt van Rusland om legitimiteit te kunnen ontlenen aan eventuele interventies. In de zomer van 2004, tijdens oplopende Georgisch-Zuid-Osseetse spanningen op dat moment, benadrukte de Russische regering de verplichting om Russische staatsburgers in Zuid-Ossetië te beschermen. President Medvedev gaf kort na het begin van de Russische inval in Georgië op 8 augustus 2008 aan dat "het beschermen van Russische staatsburgers" de reden van de inval was.
Geschiedenis De Osseten (Ossetisch: , ) stammen af van de Alanen, een Iraans volk dat onderdeel was van de nomadische Sarmaten en ontstond door vermenging met Kaukasische volkeren. Een deel van de Alanen trok westwaarts Europa in en een deel bleef in het zuiden van het huidige Rusland, langs en ten zuiden van de rivier de Don. In de middeleeuwen stichtten deze oostelijke Alanen het koninkrijk Alanië in de noordelijke Kaukasus, waar het hedendaagse Noord-Ossetië-Alanië een deel van was. Tijdens het bewind van de Mongolen in de 13e eeuw werd een deel van deze Alanen gedwongen naar het zuiden te migreren, van de steppen het Kaukasusgebergte in en later erover. Zij mengden zich met inheemse Kaukasische volkeren, waaronder de Georgiërs. Troepen van Timoer Lenk roeiden daarna een groot deel van de achtergebleven Alaanse bevolking uit.
Tot 1801: vorming identiteit miniatuur|De Osseetse migratie naar het zuiden met de eeuwen. Er ontstonden uiteindelijk drie nabijgelegen streken in de noordelijke Kaukasus waar de Alanen zich vestigden, die elk een eigen culturele en taalkundige (Osseetse) identiteit ontwikkelden. De Iron werd de grootste gemeenschap, die een gebied bewoonde dat ruwweg het moderne Noord-Ossetië werd. Onder Georgische invloed bekeerden zij zich tot het oosters-orthodoxe geloof. Ten westen hiervan lag Digor, de naam van een vallei. De Osseten hier bekeerden zich onder invloed van de Kabardijnen tot de soennitische islam. Dit gebied ligt in het moderne Kabardië-Balkarië en het westelijke deel van Noord-Ossetië.
Vanaf de late 15e eeuw migreerden Osseten naar Dvaleti, een historische Georgische streek waar de etnisch Georgische Dvalen woonden, ten noorden van de bergkam van de Grote Kaukasus tussen de Mamison- en Troeso-passen. Osseten noemen dit gebied Toealläg (ook wel Toeallag; Toeal betekent 'zuid'), wat gezien wordt als een verbastering van Dvaleti. Dvaleti lag ten zuiden van Iron in het uiterste zuiden van het moderne Noord-Ossetië en viel onder het Georgische koninkrijk Kartlië. In literatuur wordt ook verwezen naar de geografische term Mamison-Narbekken.
In deze periode vielen Dvaleti en het gebied van het hedendaagse Zuid-Ossetië onder de Kartliaanse streek Samatsjablo, die onder gezag stond van de Georgische adellijke familie Matsjabeli. Samatsjablo betekent letterlijk "van Matsjabeli". Het gebied genoot een mate van autonomie binnen Kartlië. De naam Samatsjablo maakte rond 1990 een opleving door als de onofficiële Georgische geuzennaam in een Georgisch nationalistische ontkenning van de Zuid-Ossetische Autonome Oblast. Later werd formeel het minder beladen begrip "regio Tschinvali" geïntroduceerd voor het gebied.
De Toeal-Osseetse gemeenschappen stonden door assimilatie met de Dvalen onder Georgische invloed, en waren net als de Irons in het noordoosten bekeerd tot het oosters-orthodoxe geloof. Taalkundig hadden ze een dialect van het Iron Ossetisch met veel leenwoorden uit het Georgisch. De Toeal-Osseten migreerden vanaf Dvaleti zuidwaarts over de Grote Kaukasus, waardoor in de 17e eeuw Osseetse gemeenschappen ontstonden in het uiterste noorden van het moderne Zuid-Ossetië en in de Troesovallei. Dit laatste gebied, dat in de moderne Georgische gemeente Kazbegi ligt, wordt door Zuid-Ossetië ook wel Oostelijk-Ossetië genoemd. De republiek claimt dit gebied van Georgië als onderdeel van Zuid-Ossetië.
Na de Russisch-Turkse Oorlog van 1768 tot 1774 werd het gebied Iron door het Russische Rijk geannexeerd. In 1783 sloot het Georgische Koninkrijk Kartli-Kachetië, waar de Toeal-Osseten onder vielen, het verdrag van Georgijevsk met het Russische Rijk, waarna de Russen in 1801 overgingen tot annexatie.
In het Russische Rijk (1801-1917) miniatuur| in Gouvernement Tiflis in 1886. In de 19e eeuw schreef de Russische kolonel Vasili Potto dat de onderwerping van de Osseten gekoppeld was aan het creëren van veiligheid rond de enige weg die Rusland door de Kaukasus met Georgië verbond, de 'Georgische Militaire Weg' door de Darjalkloof. Arnold Zisserman, een Russische assistent voor het prinselijk gezag in Kachetië, beschreef in 1847 hoe de onderwerping van de Kisten nodig was voor de veiligheid van de strategisch belangrijke weg. De Kisten, Georgische Tsjetsjenen, zorgden regelmatig voor problemen rond de weg, die ook de Osseetse gemeenschappen aan beide zijden van de Kaukasus met elkaar verbond bij gebrek aan een goed direct alternatief. De Russische heersers vestigden Osseten langs de weg om een demografische buffer tegen minder vriendelijke volkeren te creëren, wat een veilige doorgang ten goede kwam. De Iron en Toeallag Osseten raakten mede hierdoor meer op Rusland georiënteerd, wat in de 20e eeuw doorwerkte.
Tijdens de Russische bestuurlijke herindeling van Transkaukasië werd het leefgebied van de Toeallag Osseten in Georgië ingedeeld bij de oejezd Gori van het gouvernement Georgië. Vanaf 1846 viel het gebied onder het nieuwe gouvernement Tiflis. Een kleiner noordwestelijk deel van het Osseetse leefgebied werd in dat jaar bij het gouvernement Koetais ingedeeld. In 1842 werd in het noorden de okroeg Ossetië gecreëerd en afgesplitst van oejezd Gori. Dit was de eerste bestuurlijke eenheid op historisch Georgisch grondgebied die in de naam direct aan de Osseten refereerde.
In 1859 werd dit district weer afgeschaft door samenvoeging met het district Gorski en het oostelijke deel van Ossetië naar de oejezd Doesjeti ging. Medio 1859 werd Dvaleti van het oejezd Gori en gouvernement Tiflis afgescheiden en als district Nar aan het Osseets Militaire District toegevoegd, dat in 1860 opging in het oblast Terek. Een reden was dat dit deel van het gouvernement Tiflis ten noorden van de waterscheiding van de Kaukasus lag en het bestuur zo eenvoudiger werd gemaakt. Heden ten dage is dit het uiterste zuiden van het Noord-Osseetse district Alagirski.
Gedurende de 19e eeuw migreerden de Toeallag Osseten verder naar het zuiden, via de lagere bergen van Sjida Kartli over de centraal-Georgische rivier de Mtkvari, naar het Trialetigebergte. In Rusland en Zuid-Ossetië wordt aan hen gerefereerd als Trialeti-Osseten (Ossetisch: Триалеты Ирыстон). Zij vestigden zich in de centraal-Georgische districten Chasjoeri, Kareli, Gori, en Kaspi en assimileerden met de Georgiërs waardoor er veel gemengde families ontstonden.
In de Democratische Republiek Georgië (1918-1921)