Hideki Tōjō (Japans: 東條 英機, Tōjō Hideki) (Tokio, 30 december 1884 – aldaar, 23 december 1948) was een Japans militair en politicus tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Tōjō werd geboren te Tokio. Hij had een succesvolle carrière binnen het Japanse Keizerlijke Leger. In 1933 werd hij bevorderd tot generaal-majoor. In 1935 stond hij aan het hoofd van de Kempeitai van het in Mantsjoerije gelegerde Kanto-leger. In 1936 werd hij bevorderd tot luitenant-generaal. In 1937 werd hij benoemd tot stafchef van het Kanto-leger. Tōjō was een aanhanger van de 'Groot-Oost-Aziatische Gedachte' en behoorde tot de kliek die Japan in een oorlog stortte. In de laatste kabinetten van premier Fumimaro Konoe was hij minister van Oorlog (vanaf februari 1941).

In oktober 1941 werd hij – als kandidaat van de nationalistische militairen – premier, minister van Binnenlandse en Buitenlandse Zaken. Hij behield tevens het ministerschap van Oorlog.

Aanvankelijk bleek hij bereid om met de Amerikanen tot een vergelijk te komen, maar in december 1941 steunde hij de aanval op Pearl Harbor. Zolang de oorlogssituatie voor de Japanners gunstig was, bezat Tōjō macht, maar geen absolute macht, zoals Hitler en Mussolini. Volgens sommigen bezat hij die wel en had hij zoveel macht dat hij Japans dictator was. Op 18 juli 1944 trad Tōjō als gevolg van een reeks militaire nederlagen af.

Na de Japanse capitulatie (1945) schoot Tōjō zichzelf in de borst bij een poging zelfmoord te plegen. Hij overleefde deze poging en werd korte tijd later door de geallieerden gearresteerd. Vervolgens stond hij terecht in het Proces van Tokio. Hij werd op 12 november 1948 schuldig bevonden aan het beginnen van oorlog tegen diverse landen en onmenselijke behandeling van krijgsgevangenen. Eveneens wordt Tōjō verantwoordelijk gehouden voor de dood van bijna vier miljoen Chinezen en het goedkeuren van biologische experimenten op krijgsgevangenen. Op 23 december van dat jaar werd hij in Tokio opgehangen.

Jonge jaren Tōjō werd geboren op 30 december 1884 in Tokio. Al vrij snel in zijn leven werd zijn latere carrière bepaald. Zijn vader, Hidenori Tojo, een zeer toegewijde soldaat van het Japanse leger, kreeg tien kinderen waaronder drie zonen. Omdat twee van zijn zonen jong stierven werd Hideki de oudste van het gezin, en zoals de Japanse traditie het wil, zou ook Hideki Tōjō in de voetsporen van zijn vader treden en een militaire opleiding krijgen. Het jonge leven van Tōjō was sterk gefocust op discipline en volgens het confucianisme dwingt de positie van de oudste zoon heel wat respect af. Tōjō had een grote dunk van zichzelf in die jonge jaren en stond ook steeds op zijn strepen. Dit lokte echter vaak een gevecht uit op school maar hij doorstond ze allemaal.

Toen hij de militaire school betrad bezorgde zijn tengere en kleine gestalte hem heel wat problemen. Bovendien was hij nog bijziend en blonk hij niet uit in iets speciaals. Doordat hij deze gaven ontbeerde moest hij al zijn energie steken in het normale maar tevens harde werk om mee te kunnen met de rest van de jongeren. Hij ontwikkelde in die periode van zijn leven de capaciteit om altijd alles zo perfect mogelijk te doen. Dit definieerde zijn persoon, meer dan iemand anders geloofde hij in de kracht van de eigen wil en vooral in zichzelf. Vaak versloeg hij andere medestudenten in dingen gewoon omdat hij niet opgaf en kost wat kost het onder de knie zou krijgen. Ook in zijn latere carrière werd Tōjō gezien als een persoon met een ongekend doorzettingsvermogen en een uiterst gedisciplineerd en verzorgd karakter.

Militaire carrière Begin In 1902 zette Tōjō de volgende stap in zijn carrière, de militaire academie waar hij zich inschreef voor de opleiding infanterie. Rond die periode was net de Russisch-Japanse Oorlog uitgebroken en dit zorgde voor een toename in het enthousiasme van het leger. Ongeveer rond de 21ste verjaardag van Tōjō werd eindelijk Port Arthur ingenomen na een lang en zwaar beleg. De jonge officieren zoals Tōjō wilden ook hun kans krijgen om zich te bewijzen in militaire acties. Voor Tōjō kwam deze dag net na de val van Mukden (瀋陽), de dag waarop hij werd aangesteld als 2e luitenant. Maar de glorie die ze zochten werd opgeborgen voor latere tijden, de jonge officieren moesten eerst hun diensttijd in het garnizoen volmaken. Dit en de frustratie van een onderhandelde vrede tussen Rusland en Japan bracht een anticlimax teweeg voor de officieren. Niet alleen de glorie of het eervol sterven werd hun ontnomen maar ook hun kans op snelle promotie viel weg. Dus zat er niets anders op dan te wachten tijdens de tijd van vrede.

Eerste en enige vrouw in zijn leven Drie jaar na zijn terugkeer in 1906 trouwde Tojo met Katsu Ito. Katsu was een geëmancipeerde vrouw die niet zomaar de rol van onderdanige huisvrouw op zich zou nemen. Ze was de dochter van een kleine landeigenaar in Kyushu en was een van de weinige vrouwen die hogere studies ambieerde. Het was wel wat vreemd hoe het huwelijk in elkaar zat. Alhoewel Tōjō een redelijke koppig en asociaal persoon was, werd hun huwelijk niet de zoveelste liefdesloze verbintenis die opgedrongen werd door de ouders. Katsu was al vroeg bevriend met de familie en bezocht vaak hun huis. Al snel bleek dat Tōjō haar als zijn toekomstige vrouw wilde. Dat was ook zijn ouders opgevallen maar omdat het normaal de gewoonte is dat de ouders de bruid kiezen werd het huwelijk in het begin niet zo gelukkig onthaald. De moeder van Tōjō weigerde zelfs een tijdlang om haar in het familieregister in te schrijven. Katsu had het zeker niet makkelijk met de strikte moeder van Tōjō en vroeg zich af of het niet beter zou zijn om zijn familie en hem te verlaten. Uiteindelijk besloot ze toch te blijven door de aanhoudende steun en liefde van Tōjō.

Het huwelijk werd een succes en ze leefden gelukkig samen. In 1911 bracht ze het eerste kind van Tōjō op de wereld in het ouderlijke huis van Tōjō in Kōjimachi, Tokio. Ze zouden later nog zes andere kinderen krijgen. Dat Tōjō niet de man was die iedereen dacht dat hij was blijkt vooral uit de getuigenissen van zijn vrouw 17 jaar na zijn dood. Ze blikte terug op hun leven samen met een gevoel van verdriet en affectie. Elke dag dacht ze aan haar man en bezocht het familie-altaar om hem te eren. Ze vond haar man een heel zacht en warm persoon. Hij was wel een man van weinig woorden en niet iedereen begreep hem altijd maar ze kon altijd op zijn steun rekenen. Ze consulteerde hem dan ook altijd alvorens een grote beslissing te nemen. Nu hij de verantwoordelijkheid van een huwelijk en een gezin droeg, werd de druk op hem nog groter om zijn vader achterna te gaan.

Opkomst Toekomst verzekerd Door harde arbeid en lange uren van geconcentreerd werk steeg hij traag in de hiërarchie. Hij werd benoemd tot luitenant op 23-jarige leeftijd en werd pas zes jaar later kapitein. Zijn harde werk viel ook hoger geplaatsten op en dit leverde hem een plaats op in het college voor stafleden. Hij was bijna 30 wanneer hij daar afstudeerde, maar nu was zijn verdere toekomst tenminste verzekerd. Door zijn status van staflid moest hij niet op vroege leeftijd op pensioen gaan, wat wel het geval was bij minder succesvolle officieren.

Een paar maanden na de dood van Meiji (keizer) (明治天皇) in 1912 begon voor Tōjō en zijn familie ook een periode van rouw. Zijn vader stierf op 57-jarige leeftijd. Hij was het grote voorbeeld voor Tōjō omdat hijzelf van lage afkomst was maar toch een indrukwekkende militaire carrière had opgebouwd. Het eindpunt van zijn carrière was de benoeming tot generaal. Rond 1915 kwam de tijd van oorlog weer terug voor Japan dat besloot om de haven van Tsingtao, op dat moment in Duitse handen, in te nemen en zo de eerste stappen in China te zetten. De Japanners slaagden in deze opzet en legden China de "21 eisen" voor. Van al deze veranderingen merkte Tōjō maar weinig, hij deed enkel mee in een aanval tegen de bolsjewieken in Siberië. Buiten dat klein verzetje zat hij zijn staftijd uit in verscheidene regimenten zonder eigenlijk mee te doen in de oorlog. Maar zijn harde werk ging wederom niet onopgemerkt voorbij, hij werd geselecteerd voor een missie in het buitenland.

Kort verblijf in het buitenland In 1919 werd hij aangesteld als militair attaché in Zwitserland en Duitsland. Het Japanse officierenstelsel was gemodelleerd op dat van Duitsland en de studie hiervan betekende de toetreding tot een select groepje elite-officieren. Ook Hidenori Tōjō, de vader van Hideki Tōjō, had de eer dit te mogen meemaken. Deze kleine periode, die veel weg had van een pelgrimstocht, was een belangrijk punt in de ontwikkeling in de denkwijze van Tōjō. Hij bewonderde de Duitsers omwille van hun hardheid en hun vermogen om toch op te staan in tijden van moeilijkheden. Vaak zei Tōjō dat de Japanners nog heel wat konden leren van de Duitsers.

Omdat zijn verblijf in het westen een beetje uitliep had Tōjō maar beperkte tijd om het grote Amerika te zien. Mede door het feit dat hij er maar kort verbleef ontwikkelde Tōjō een negatief beeld van Amerika. Hij dacht een Amerika te zien dat rijk en blijkbaar onaangeraakt door de Eerste Wereldoorlog gekomen was. Daarboven vond hij dat de Amerikanen redelijk onbeleefd en zeer nonchalant waren. Op het militaire vlak dacht Tōjō dat Amerika niet zo ver stond en dat alles in het teken stond van het behalen van materiële welvaart. Hij kwam tot de conclusie dat Amerika misschien wel materieel sterker stond dan de Japanners maar de Amerikaanse wil om te winnen kon niet tippen aan die van het vurige Japan. Dit bleek later een zwak punt te zijn in de gedachtegang van Tōjō.

Tōjō keerde terug als majoor naar Japan in 1922. Hoewel zijn typische bril zijn zicht herstelde was zijn geest niet zo snel te herstellen. Hij bleef maar zitten met de gedachten die hij zich in zijn jonge jaren had gevormd. Vooral de haat tegenover Rusland zat hem diep. Zijn droom bleef " The Great Asia " en om dat te bereiken moest de ultieme vijand Rusland worden verslagen. Ook had hij geen liefdevolle woorden over voor Amerika. Hij vond dat zij indringers waren in Azië en kon geen motief vinden dat Amerika zou kunnen hebben om Japan van zijn veroveringsdrang te houden. Ook vond hij dat het Japanse ras werd gediscrimineerd door de Amerikanen.

Wisselende visie op het militarisme Tōjō studeerde met onderscheiding af aan het Militair Staf College en nam bij dit college de job aan van instructeur. Hierbij kon hij met een slecht gevoel getuige zijn van de neergang van het Japanse leger. Op dat moment was de jonge regent prins Hirohito (裕仁) aan de macht. Hij luisterde gehoorzaam naar de ouderen die zetelden in de genrō. Deze hadden het echter gehad met de bewapening van Japan en zagen meer heil in het pompen van geld in de economie. Het leger voelde maar weinig van de economische vooruitgang; maar wat erger was dat het beeld van de militairen achteruit ging. Er werd zelfs openlijk de vraag gesteld of het budget dat werd gespendeerd aan het leger niet te groot was.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren vooral de handelaren erop vooruitgegaan. Onder andere de Zaibatsu zoals Mitsubishi (三菱) en Toyota waren een voorbeeld voor vele jonge en ambitieuze Japanners. Daartegenover stelde een carrière in het leger helemaal niet zoveel meer voor. Ook het loon van een Japanse officier was niet om jaloers op te zijn. Maar een herwaardering van de militairen kwam er wat ongelukkig bij de grote Aardbeving Kanto 1923.De grote aardbeving in Tokio (関東大震災) Ze kregen zo de kans om zich in positieve zin te laten opmerken. Het leger betekende dan ook een zeer grote hulp voor de bevolking en won zo weer aan populariteit.