Velociraptor is een geslacht van uitgestorven vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Maniraptora, dat tijdens het Laat-Krijt, ongeveer 75 miljoen jaar geleden, leefde in het gebied van het huidige Mongolië.
Het eerste fossiel van Velociraptor werd in 1923 ontdekt. In 1924 kreeg het geslacht zijn naam die 'snelle rover' betekent. Toen werd de typesoort Velociraptor mongoliensis benoemd. In 2008 werd een tweede soort beschreven: V. osmolskae. Er is een dozijn exemplaren van Velociraptor opgegraven waaronder vrij complete zodat de wetenschappers een goed beeld kregen van hoe het dier eruitzag.
Velociraptor was een klein roofdier, ongeveer zo groot als een kalkoen. Hij liep op zijn achterpoten, was warmbloedig en bevederd en had een soort vleugels. Anders dan de meeste vogels had hij tanden in zijn bek en een lange staart. Aan zijn voet droeg hij een vergrote opstaande sikkelvormige klauw, waarmee hij een dodelijke steek kon toebrengen aan prooien die zwaarder waren dan hijzelf, zoals Protoceratops. Een van de beroemdste fossielen ter wereld bestaat uit een velociraptor en een protoceratops die al vechtend door zand bedolven en gefossiliseerd zijn.
Dat Velociraptor op een vogel leek, wordt verklaard door het feit dat hij tot de Dromaeosauridae behoorde, een groep bevederde dinosauriërs die nauw aan de vogels verwant was en vermoedelijk afstamde van een vliegende voorouder. Volgens sommige wetenschappers waren de dromaeosauriden zelfs echte vogels, die het vermogen tot vliegen weer grotendeels waren kwijtgeraakt. Een volwassen velociraptor was veel te zwaar om te kunnen vliegen, maar misschien konden de jongen vanaf een tak een glijvlucht uitvoeren.
Ontdekking en naamgeving thumb|270px|Het holotype AMNH 6515 thumb|270px|De oorspronkelijke tekening van het holotype De eerste fossielen van het geslacht werden opgegraven tijdens een expeditie onder leiding van Roy Chapman Andrews die het American Museum of Natural History naar de Gobiwoestijn uitgezonden had. Ze werden op 11 augustus 1923 ontdekt door Peter Kaisen bij Chabarach Oesoe, in lagen van de Djadochtaformatie van Mongolië, die dateren uit het Campanien en tussen de 75 en 71 miljoen jaar oud zijn. Het ging om een schedel en een klauw die het inventarisnummer AMNH 6515 kregen. In 1924 werden die beschreven door de directeur van het museum Henry Fairfield Osborn, en gebruikt als holotype om een nieuwe soort mee te benoemen: Velociraptor mongoliensis. De geslachtsnaam Velociraptor is afkomstig uit het Latijn en betekent 'snelle' (velox) 'rover' (raptor); de soortaanduiding verwijst naar de herkomst uit Mongolië. Eerder had Osborn de soort "Ovoraptor djadochtari" willen noemen — en die naam al gebruikt in een populair-wetenschappelijk artikel — maar daarvan afgezien. Een tweede exemplaar dat Osborn gebruikte voor de beschrijving, een zogenaamd paratype, was AMNH 6518, een gedeeltelijk skelet, waarvan alleen een stuk bovenkaak, een hand en een voet over was. Velociraptor is het tweede lid van de Dromaeosauridae dat beschreven werd, twee jaar na Dromaeosaurus zelf, maar dat werd indertijd niet onderkend.
In de tijd van Osborn werd niet begrepen dat Velociraptor nogal afweek van andere roofsauriërs. Men zag de soort als niet fundamenteel verschillend van de overige kleine theropoden en dacht dat hij koudbloedig was en geschubd. Het dier kreeg dan ook niet veel aandacht. Dat begon te veranderen toen John Ostrom in 1969 van de verwant Deinonychus aantoonde dat het een actieve warmbloedige vorm was die een vervaarlijke sikkelklauw aan de voet droeg. In de jaren daarna lieten nieuwe vondsten zien dat ook Velociraptor met zo'n wapen uitgerust was. Tegelijkertijd werd het duidelijk dat het dier zeer nauw aan de vogels verwant was. Velociraptor kwam zo in het centrum van de paleontologische belangstelling te staan. De behoefte aan aanvullende informatie over het fascinerende schepsel werd bevredigd door een aanhoudende reeks ontdekkingen uit de rijke fossielhoudende lagen van de Gobi.
Tijdens de Koude Oorlog behoorde Mongolië tot het communistische blok en paleontologen uit Polen en de Sovjet-Unie wisten in deze periode nieuwe en veel completere exemplaren te vinden; in totaal zijn er nu een dozijn bekend. De eerste vondst was specimen ZPAL MgD-I/97, een gedeeltelijk skelet dat in de jaren zestig door Pools-Mongoolse expeditie opgegraven werd in de Barun Goyot-formatie die jonger is dan de Djodochtaformatie. Het is daarom niet helemaal zeker of het wel een fossiel van Velociraptor betreft. Dezelfde formatie heeft nog een aantal skeletten opgeleverd maar die zijn nog niet beschreven. Nog talrijker waren echter de vondsten uit de oorspronkelijke Djadochta. In 1971 werd specimen IGM 100/25 ontdekt dat bijzonder volledig is. In de jaren zeventig werd ook IGM 100/24, een gave schedel, geborgen. Een Sovjetteam groef PIN 3143/8 op, een fragmentarische schedel, en een Japans team in de jaren negentig IGM 100/2000, het skelet van een jong dier. left|thumb|Specimen IGM 100/982 Vanaf het begin van de jaren negentig werden ook weer teams uit de Verenigde Staten en Canada in het gebied actief, wat leidde tot een nieuwe golf van vondsten. In 1991 werd specimen IGM 100/976 ontdekt, een gedeeltelijk skelet. Het jaar 1993 zag de ontdekking van IGM 100/985, een vrij compleet skelet van een onvolwassen dier en IGM 100/986, een groter exemplaar. IGM 100/982, een gedeeltelijk skelet van een volwassen dier, werd opgegraven in 1995. In 2002 werd IGM 100/200 gemeld, een schedel, en in 2004 IGM 100/54, een skelet zonder schedel. Naast de botten zijn er in de verschillende formaties ook veel losse tanden gevonden die aan Velociraptor toegeschreven zijn, hoewel het soms moeilijk is die van andere dromaeosauriden te onderscheiden.
Sinds eind jaren negentig is de soort in verschillende studies meer in detail beschreven, vooral wat de schedel betreft.
In 2008 werd een tweede soort benoemd door Pascal Godefroit: Velociraptor osmolskae, op grond van holotype IMM 99NM-BYM-3/3, een paar stukken schedel die in 1999 in de Volksrepubliek China, in Binnen-Mongolië, waren gevonden in lagen uit het Laat-Campanien van de Bayan Mandahoe-formatie door een Belgisch-Chinese expeditie. De soortaanduiding eert de Poolse paleontologe Halszka Osmólska. Naast het holotype zijn al in 1993 ook wat skeletten van jonge dieren uit deze formatie gemeld die echter nog niet beschreven zijn.
In de literatuur kan men nog twee andere soortnamen vinden. Gregory S. Paul meende dat verwante soorten, die onder andere namen waren benoemd, bij het geslacht Velociraptor moesten worden ondergebracht. Dat leverde in 1988 een Velociraptor antirrhopus (= Deinonychus) en in 2010 een Velociraptor mangas (= TsaaganM.A. Norell, J.M. Clark, A.H. Turner, P.J. Makovicky, R. Barsbold and T. Rowe, 2006, "A new dromaeosaurid theropod from Ukhaa Tolgod (Ömnögov, Mongolia)", American Museum Novitates 3545:1-25 http://www.bioone.org/doi/abs/10.1206/0003-0082%282006%293545%5B1%3AANDTFU%5D2.0.CO%3B2) op. Die namen worden echter niet door andere paleontologen gebruikt; de eerste tegenwoordig ook niet meer door Paul zelf.
Beschrijving Algemene bouw, grootte en onderscheidende kenmerken thumb|270px|Een groottevergelijking met een mens miniatuur Velociraptor is een kleine tweevoetige vleeseter. De grootste skeletten hebben een lengte tot 207 centimeter, met een heuphoogte van een halve meter en een massa van zo'n vijftien kilogram. Fragmenten wijzen op individuen van tweeënhalve meter lang en vijfentwintig kilogram zwaar. Op de onderarm van specimen IGM 100/981 zijn aanhechtingspunten, papillae ulnares, voor veertien slagpennen gevonden. Velociraptor was dus niet alleen warmbloedig en voorzien van een verenkleed om warm te blijven, hij had echte vleugels, zij het dat die te klein waren om mee te vliegen. Ze werden vermoedelijk door de volwassen exemplaren gebruikt om mee te pronken; mogelijk konden jonge dieren er een glijvlucht mee uitvoeren.
Velociraptor behoort tot de Deinonychosauria en deelt de vogelachtige kenmerken van die groep: behalve de slagpennen een groot gekield borstbeen, opklapbare lange armen met grote drievingerige handen, een horizontaler schouderblad, ribuitsteeksels (processus uncinati) om luchtzakken aan te drijven die steeds in één richting verse lucht door de longen bliezen en een naar achteren stekend schaambeen.
Hoewel het skelet van de soort V. mongoliensis nu erg goed bekend is, bleek het toch lastig om kenmerken te vinden waarin deze zich onderscheidt van verwante soorten, zogenaamde autapomorfieën. Osborn gaf wel een diagnose, lijst onderscheidende kenmerken, maar die is naar huidige inzichten totaal verouderd en bestond slechts uit eigenschappen die alle dromaeosauriden of zelfs theropoden in het algemeen bezitten. Osmólska wist in 2004 maar drie autapomorfieën te ontdekken: het holle profiel van de lange kop, een uitzonderlijk lang en dun achterste uitsteeksel van de praemaxilla dat onder het neusbeen doorloopt en de aanwezigheid van drie kleine openingen rond het middenoor, de recessus tympanici.
In 2012 stelde Alan Turner dat het holle profiel maar een illusie was, veroorzaakt doordat bij het fossiel meestal de smallere achterkant van de neusbeenderen verder ingedrukt wordt dan de brede voorkant. De andere twee kenmerken bleken achteraf ook bij verwanten voor te komen. Hij gaf echter een vervangende lijst van autapomorfieën. De zijwand van de hersenpan toont een uitzonderlijk diepe uitholling, de recessus prooticus. Het vorkbeen is V-vormig en heeft een gereduceerd hypocleidium, voorste punt, dat asymmetrisch uitgegroeid is. Het schaambeen heeft op de bovenste voorkant een richel voor de aanhechting van een spier, de musculus ambiens. Het zitbeen heeft op de bovenste voorrand een goed ontwikkelde bult.
Daarnaast stelde Turner een lijst vast van kenmerken die op zich niet uniek waren maar wel in combinatie. Die kon hij eenvoudig nagaan omdat hij in zijn studie van 2012 alle kenmerken van alle bekende dromaeosauriden geturfd had om hun verwantschappen te bepalen. Het bovenste slaapvenster is rond, omgeven door een ronde uitholling die aan de buitenzijde weer omzoomd wordt door een richel die zijwaarts bol loopt. Het voorhoofdsbeen is lang, viermaal langer dan de breedte gemeten bij de oogkas. De voorste rand van de grote schedelopening vóór de oogkas, de fenestra antorbitalis, is breed afgerond. De kleinere opening daar weer voor, de fenestra maxillaris, ligt niet in een uitholling die naar achteren open is. De eerste en tweede premaxillaire tanden zijn groter dan de derde en vierde. De praemaxilla heeft een lange onderste tak die tot ver achter het neusgat doorloopt. Het voorste deel van de onderkaak, het dentarium, is zeer laag, met een hoogte die maar een zevende of achtste van de lengte bedraagt. De onderrand van dit dentarium is licht bol in zijaanzicht in plaats van recht. Het zitbeen heeft een afgeronde lengterichel.
Skelet Schedel thumb|270px|Een afgietsel van de schedel