thumb|250px|Viering van het 30-jarig bestaan van het N.S.C. Carolus Magnus in 1954 De Nijmeegse Studentenvereniging Carolus Magnus ('N.S.V. Carolus Magnus', 'Carolus Magnus', in de wandelgangen ook 'Carolus' genoemd) is een gemengde, traditionele Nederlandse studentenvereniging in Nijmegen. De vereniging is officieel gedateerd vanaf 1 februari 1928, maar in haar huidige vorm is ze pas ontstaan op 26 april 1972.Genesis. Almanak der Nijmeegse Studentenvereniging Carolus Magnus, jaargang 1999-2000 (Epe: N.S.V. Carolus Magnus, 1999), viii.
De naam van de vereniging is een verwijzing naar Karel de Grote, die – zo wil de overlevering – omstreeks het jaar 800 een van zijn paltsen aan het Valkhof had, waar hij zo nu en dan kwam. De leden van de N.S.V. Carolus Magnus worden dan ook 'Carolingers' genoemd.
De vereniging telde omstreeks 2015 ruim 600 leden.
Algemeen Naast de gebruikelijke gala's, een almanak, tientallen feesten, commissies en recepties zijn er: Sportverenigingen (één mannen hockeyteam, één vrouwen hockeyteam en één mannen voetbalteam) Streekgenootschappen (onder andere Het Twentsche Ros en d'n Dulfkes) Culturele onderverenigingen (onder andere het Roomsch Katholiek Mensenkoor, de Kroegband, Den Paerschen Lip, Q.A.T.T.E.C.W.E.A.T.D.) Studentenweerbaarheid (de Nijmeegsche Studenten Schiet Vereeniging 'Het Vendel')
De sociëteit van de vereniging, ook wel "De Kroeg" genoemd, is gevestigd aan de Hertogstraat (Nijmegen) 141. Ze is elke doordeweekse avond geopend voor haar leden.
Geschiedenis De N.S.V. Carolus Magnus laat haar eigen geschiedenis beginnen bij de oprichting van de S.S.N. Roland in 1928. De S.V.N. de Meisjesclub (odz: "Lumen Ducet") werd een jaar later opgericht in 1929. Deze twee verenigingen waren beiden onderdeel van het in 1923 opgerichte Nijmeegsch Studenten Corps Carolus Magnus (odz: "Enisus arces attigit igneas" - vertaald uit het Latijn: Strijdend veroverde hij de lichtende burchten), het N.S.C.
Koepel Na jaren van discussiëren en fondsen werven wordt in 1923 de eerste Katholieke Universiteit in Nederland geopend. Uit vele gegoede katholieke families waren al studerende jongelui naar Nijmegen gehaald om de verwezenlijking van de katholieke volwassenwording gestalte te geven. Deze studenten waren zonder uitzondering lid geweest van een studentencorps, of via katholieke onder-verenigingen verbonden aan het corps in hun stad. Een eerste logische stap voor de studenten was dan ook om in Nijmegen een vereniging op te zetten. Met steun van de Rooms-Katholieke Kerk en de universiteit, die dit beide meer als controlemiddel over de studenten zagen dan als noodzaak, werd meegeholpen aan de oprichting van het Nijmeegsch Studenten Corps Carolus Magnus. Het N.S.C. verzorgde de ontgroeningen van de nieuwe studenten, richtte onder haar auspiciën (facultaire) studentenverenigingen op zoals de Juridische Faculteitsvereniging (1927).
Na de Tweede Wereldoorlog werd het N.S.C. het overkoepelend orgaan voor alle studentenorganisaties in Nijmegen, van welk overkoepelend orgaan elke Nijmeegse student automatisch lid werd bij inschrijving aan de Katholieke Universiteit; daarvoor hoefde geen ontgroening gelopen te worden. Onder die koepel ressorteerden twee aparte studentenverenigingen die een sociëteit bezaten: de S.S.N. Roland (voor mannelijke studenten) en de S.V.N. 'de Meisjesclub'. Voor deze beide verenigingen moest echter wel een ontgroening worden gelopen. Er bestond dus een scheiding tussen het Corps, het N.S.C. als een soort administratief lichaam, en de twee praktiserende sociëteiten. Niettemin streefde de Senaat van het Corps naar erkenning door de A.S.V., waarvoor dan ook verscheidene activiteiten zijn ondernomen.
Rooms-katholiek Nijmeegsch Studenten Corps Carolus Magnus / Sociëtas Studiosorum Noviomagensis. Inzegening van de kruisbeelden in de grote zaal door mgr. A.F. Diepen, bisschop van 's-Hertogenbosch, bij gelegenheid van de opening van het (vernieuwde) Corpsgebouw |thumb|260px In het begin werd het N.S.C. sterk gecontroleerd door de Rooms-Katholieke Kerk. Dit leidde dan ook vaak tot spanningen tussen Kerk en Universiteit enerzijds en het N.S.C. anderzijds. De eerste studenten in Nijmegen kwamen van het Delftsch Studenten Corps, het Utrechtsch Studenten Corps en ASC/AVSV, en moesten niets hebben van het vrome leven dat van hen verwacht werd. In de loop van jaren werd de relatie beter, maar een zekere spanning zou lang aanwezig blijven.
Het N.S.C. exploiteerde vanaf haar oprichting een pand aan de Oranjesingel nr. 42, tegenwoordig O'42, een ruimte waar vandaag de dag cultureel gerelateerde studentenactiviteiten plaatsvinden. In het pand aan de Oranjesingel waren 15 man personeel aanwezig, variërend van koks tot schoonmakers, garderobepersoneel en obers. Vanaf het begin werd er ook een volwaardige keuken met restaurant geëxploiteerd. Het N.S.C. zou hier tot na de Tweede Wereldoorlog gehuisvest zijn. Na de Tweede Wereldoorlog werden de exploitatiekosten te hoog, mede door teruglopende ledenaantallen, een zich sterk veranderende instelling bij de Nijmeegse studenten en het zich veranderende universitaire klimaat.
Sociëteit Roland Dat niet alleen het Corps drijvende kracht was achter het stichten van studentenverenigingen blijkt uit de oprichting van de Societas Studiosorum Noviomagensium 'Roland' in 1928. Verschillende stemmen gingen vanaf begin in 1924 al op om een studentensociëteit naar Delfts (DSS Phoenix) of Utrechts (PhRM) voorbeeld te beginnen. Het N.S.C. is echter nooit door de A.S.V. erkend als studentencorps en de sociëteit zoals deze vanuit het N.S.C. werd gewenst is er nooit gekomen.
Drie disputen besloten hierop zelf een sociëteit te beginnen, los van het corps, zodat de kerk hier minder invloed op zou hebben. In 1924 was deze sociëteit een feit en werden de eerste eigen ontgroeningen georganiseerd. Het groeiende ledenaantal en het enthousiasme waarmee de leden de sociëteit uit de grond hadden gestampt liet de kerk geen andere keus dan in 1928 eindelijk haar zegen en erkenning te geven aan de oprichting van S.S.N. Roland. Als oprichtingsdatum wordt 1 februari 1928 aangehouden. De eerste vergadering vond echter een aantal maanden eerder plaats, namelijk eind oktober 1927, na de groentijd van de sociëteit. De eerste praeses was J.A. Bremer, later notaris te Houten.
Tweede Wereldoorlog
In de meidagen van 1940 sneuvelde een aantal leden voor het vaderland; onder andere op de Grebbeberg (onder anderen Mr. M.A. Mignot en Mr. C.J. Daniels). Tijdens de daaropvolgende bezetting ging een aantal leden van de S.S.N. Roland in de illegaliteit. Een aantal van hen sloot zich ook bij het verzet aan. De senaat van het corps nam zitting in de 'Raad van Negen' (in 1943 opgericht). Binnen die raad speelde de senaat van het N.S.C. een actieve rol. Ook S.S.N. Roland zag zich, naarmate de oorlog vorderde, steeds meer genoodzaakt in de schemer te opereren. De groentijd werd mager, vanwege de lage aantallen nieuwe inschrijvingen aan de Katholieke Universiteit en ook de luxe die men gewend was verdween snel, al dan niet ook richting de burgerbevolking.
Net als alle andere studentenverenigingen in Nederland werd het Nijmeegsch Studenten Corps tijdens de Tweede Wereldoorlog gedwongen door de bezetter tot het ondertekenen van een verklaring tot het weren van Joodse leden in niet-commerciële verenigingen. De senaat van het N.S.C. weigerde dit en evacueerde dezelfde nacht nog met behulp van een aantal andere leden de belangrijkste eigendommen uit het pand aan de Oranjesingel. Door deze doortastende actie bleven vele artefacten, vaandels en documenten uit handen van de bezetter en zijn ze bewaard voor het nageslacht. De volgende ochtend werd het pand ingevorderd door de nazi's.
Tijdens het bombardement op de Nijmeegse binnenstad van 22 februari 1944 bleef het pand aan de Oranjesingel gespaard. Echter, na de ceremoniële overhandiging door de Canadezen in 1945 bleek het pand als gevolg van de oorlogsomstandigheden en het gebruik door de Wehrmacht en de Canadezen in een deplorabele staat te verkeren. Het studentenleven hernam zijn gang, maar de klap was groot. Een 'Zuiveringscommissie' ging na goedkeuring van de lokale autoriteiten aan het werk. Veel disputen hadden de oorlog niet overleefd en het zwaar beschadigde en verloederde pand aan de Oranjesingel drukte zeer zwaar op de begroting.
Heropbouw Na de bevrijding werd ook met de (her)opbouw van Sociëteit Roland begonnen. Dit leidde tot een explosieve groei van het studentenleven. Dit werd nog verder versterkt door de uitbreiding van de universiteit in 1951 met de medische faculteit. Er werd gestreefd naar een eigen sociëteitsgebouw dat uiteindelijk in de te herbouwen Commanderie van Sint Jan zou moeten worden gevestigd. Alle leden leverden daartoe midden jaren zestig eenmalig een forse extra financiële bijdrage. In de tussentijd werd gebruikgemaakt van diverse tijdelijke locaties, die meer of minder representatief waren, maar de Commanderie zou nooit de vestiging worden. Na de herbouw daarvan kreeg dat gebouw een museale bestemming.
Na de oorlog hervatte men de pogingen voor het N.S.C. erkenning te verkrijgen van de A.S.V.. Hiertoe werd in 1947 de Nijmeegse Studenten Roeivereniging Phocas opgericht. De drijvende kracht hierachter was pater (père) Van Ogtrop die als moderator van de N.S.C. en uit zijn tijd bij de Amsterdamsche Studenten Roeivereniging Nereus vele goede contacten had. Hij verzorgde de eerste boten en attendeerde de roeiverenigingen op deze nieuwe studentenroeivereniging. Bij de verschillende bezoeken werd duidelijk dat de vereniging een professionele instelling had en al snel werd de nieuwe roeivereniging uitgenodigd voor de belangrijke roeievenementen. Eind jaren zestig ging Phocas, na het uiteenvallen van het N.S.C., verder als zelfstandige vereniging. Vanwege haar geschiedenis als oudste niet-corporale roeivereniging van Nederland hangt Phocas' vlag op wedstrijden nog altijd op de 8e mast, na de vlaggen van de 7 corporale roeiverenigingen.
Roerige jaren vijftig en zestig De universiteit breidde in de jaren vijftig het aantal studies uit, met als gevolg dat de studentenbevolking gestaag groeide. Al snel ontstond bij sommige studenten onvrede over de centrale rol van het N.S.C. binnen de studentengemeenschap. Ook was er onvrede over de betalingen die bij het verplichte corpslidmaatschap hoorden, terwijl sommige studenten überhaupt nergens lid van wilden worden. Verder nam de landelijke aversie tegen ontgroenen toe, zo ook in Nijmegen. In 1952 besloot de Senaat van het N.S.C. dan ook tot het afschaffen van de ontgroening, en werd de term "Eigen Introductie" geïntroduceerd. Dit is een verwijzing naar de Open Introductie die de vereniging sinds jaar en dag samen met de universiteit organiseerde voor alle aankomende studenten.
Door de grote hoeveelheid verenigingen die het N.S.C. onder zich had raakte het meer en meer verlamd en kon het zich minder concentreren op zaken zoals exploitatie van de eigen sociëteit, banden met het 'buitenland' en de banden met de universiteit. Deze constructie leidde dan ook tot onbegrip in het 'buitenland'. Het was niet duidelijk wie het corps vertegenwoordigde; de Senaat van het N.S.C. of het Bestuur van de S.S.N. Roland, de grootste studentensociëteit die zich overal in den lande als vertegenwoordiger van de Nijmeegse heren studenten manifesteerde. Medio jaren vijftig exploiteerde het N.S.C. direct of indirect meer dan zeven sociëteiten, waaronder die van de S.S.N. Roland, de N.C.S.V. Diogenes, de N.V.S.V. Dynamene en de Meisjesclub. Verder stuurde het N.S.C. meer dan 40 sport-, facultaire en studentenverenigingen aan en verzorgde het de contributie en administratie van enkele duizenden Nijmeegse Studenten. Dit was een zware last die heeft bijgedragen tot de ondergang van het complexe N.S.C. als studentenorganisatie.
Einde van het N.S.C.