Rhinocerus is een houtsnede die in 1515 werd gemaakt door de Duitse kunstschilder Albrecht Dürer. Afgebeeld is een pantserneushoorn (Rhinoceros unicornis) uit India. De houtsnede werd veelvuldig gekopieerd, herdrukt en verspreid en had een grote invloed op de kunst. Tot in de tweede helft van de achttiende eeuw werd Dürers voorstelling van een neushoorn als natuurgetrouw beschouwd.
De neushoorn die model stond voor de houtsnede, werd in 1515 naar Lissabon verscheept. Waarschijnlijk was dit het eerste levende exemplaar dat sinds de derde eeuw in Europa te zien was.Er zijn bewijzen dat de Romeinen in de wildparken van de Romeinse heersers (Domitianus, Commodus en Caracalla) dit soort dieren hielden.Bedini blz. 143 en volgende Nog datzelfde jaar werd het dier naar Rome gestuurd als geschenk voor de paus. Dürer heeft de neushoorn nooit zelf gezien. Hij baseerde zich voor deze houtsnede op beschrijvingen en een schets van een onbekende kunstenaar.
De neushoorn thumb|Afonso de Albuquerque, onderkoning van Portugees-Indië, stond aan de basis van Dürers houtsnede. Zonder hem was er in 1515 geen neushoorn naar Lissabon verscheept. Hij viel later dat jaar in ongenade door paleisintriges en overleed op 16 december. Op 20 mei 1515 arriveerde de neushoorn in de haven van Lissabon.
Voorgeschiedenis De zeeroute naar India bestond pas enkele jaren. Wat Columbus niet gelukt was, lukte de Portugezen wel: via de routes van vroegere Portugese zeevaarders volgden zij de Afrikaanse westkust. In 1498 bereikte Vasco da Gama India, na een reis rond Kaap de Goede Hoop en over de Arabische Zee. In de daarop volgende decennia zou Portugal een belangrijke rol spelen in de specerijenhandel.
Onder leiding van Afonso de Albuquerque veroverden de Portugezen in november 1510 Goa, dat tot India behoorde. Daar zetten zij hun belangrijkste handelsnederzetting op. Langs de Indiase kust bezaten zij nog vijftig nederzettingen, die dienden als ondersteuning van deze handelspost.
Geschenk uit Oost-Azië Het uitwisselen van officiële geschenken hoorde in India bij de onderhandelingen met lokale heersers. Als onderdeel van zo'n diplomatieke uitwisseling kreeg onderkoning Albuquerque begin 1514 een neushoorn. De schenker was sultan Muzafar II, heerser van Cambay,Bedini blz. 140 en volgende het huidige Khambhat (Gujarat).
Albuquerque besloot om de neushoorn (in de lokale taal ganda genaamd) aan koning Emanuel I van Portugal te schenken. In januari 1515 ging het dier, begeleid door zijn Indische oppasser Ocem, scheep op de Nossa Senhora da Ajuda. In gezelschap van twee andere Portugese schepen verliet het transport Goa.
De reis, met alleen korte stops in Mozambique, op Sint-Helena en op de Azoren, verliep voorspoedig en duurde slechts 120 dagen. In Lissabon werd de neushoorn ontscheept nabij de net in aanbouw zijnde Toren van Belém. Het exotische dier werd gestald in de menagerie van het Ribeirapaleis. Dus afgezonderd van de olifanten en andere grote dieren, die in het Estaúspaleis waren ondergebracht.
Op 3 juni 1515 liet koning Emanuel de neushoorn en een jonge olifant samenkomen. Hiermee wilde hij het bericht van Gaius Plinius Secundus maior, dat neushoorns en olifanten bittere tegenstanders zijn, op de proef te stellen.Plinius d. A., Boek 8, blz. 60 en volgende Onder de ogen van een grote en luidruchtige mensenmenigte, bewoog de neushoorn zich langzaam en doelbewust richting zijn tegenstander. De jonge olifant daarentegen, verward door het lawaai, vluchtte in paniek van het strijdveld voordat het tot een gevecht kon komen.Bedini blz. 146–150; Hahn, blz. 92
De neushoorn van de paus thumb|Paus Leo X (1513-1521), Florentijn uit het geslacht Medici, was liefhebber van kunst, cultuur en goed eten en drinken. Hij had een extravagante levensstijl en veronachtzaamde zijn ambt. De chaos die hij bij zijn dood achterliet, wordt beschreven in het artikel over zijn opvolger, de Nederlandse paus Adrianus VI. In december 1515 kreeg de neushoorn een nieuwe halsband, gemaakt van groen fluweel met rozen en vergulde ogen en daarbij een ketting van verguld ijzer. Vervolgens werd het dier verscheept naar Rome als geschenk aan paus Leo X, tezamen met waardevolle artikelen zoals zilveren borden en kruiderijen.John Shearman: The Florentine Entrata of Leo X., 1515. In: Journal of the Warburg and Courtauld Institutes, 38ste druk, 1975; blz. 152–155; geciteerd van: Bedini blz. 157
Koning Emanuel had er belang bij om de paus gunstig te stemmen. Diens voorganger, paus Alexander VI, had in 1494 de grens aangewezen tussen de Spaanse en Portugese koloniën in de Nieuwe Wereld. In het Verdrag van Tordesillas werd deze grens bepaald op circa 370 mijl westelijk van de Azoren.
Onduidelijk bleef, waar in Oost-Azië de scheidslijn liep. De Aziatische grens was echter doorslaggevend voor de bepaling van het Spaanse en het Portugese aandeel in de lucratieve specerijenhandel. Opnieuw was voor de paus een beslissende rol weggelegd: aanleiding genoeg, om zich van zijn gunst te verzekeren door middel van geschenken. In 1514 had koning Emanuel hem al de Aziatische olifant Hanno ten geschenke gegeven.
De neushoorn zou echter nooit levend in Rome aankomen. In Marseille werd de reis nog even onderbroken. Toevallig bevond koning Frans I van Frankrijk (die later met de weduwe van koning Emanuel zou trouwen) zich in de Provence. Hij wilde het exotische dier graag met eigen ogen aanschouwen. Op 24 januari presenteerde men hem de neushoorn op een eiland in de bocht van Marseille. Daarna werd de pantserneushoorn voor de laatste keer ingescheept.
In een storm aan de Ligurische kust, noordelijk van La Spezia, maakte het schip slagzij. De aan het dek vastgeketende neushoorn verdronk. Zijn kadaver spoelde enige tijd later aan in de buurt van Villefranche-sur-Mer. Zijn huid werd teruggebracht naar Lissabon. Met stro opgevuld en vakkundig opgezet, stuurde men het dier opnieuw naar Rome. Naar alle waarschijnlijkheid kwam het daar in februari 1516 aan.Zie ook Bedini blz. 162 en volgende
Vervolgens Wat er met de opgezette neushoorn is gebeurd, is onbekend. Als het preparaat al daadwerkelijk in Rome is aangekomen, wekte het bij lange na niet dezelfde belangstelling als de levende neushoorn in Lissabon had gedaan. Mogelijk is het door Lorenzo II de' Medici (heer van Florence en broer van de paus) verscheept naar Florence voor zijn rariteitenkabinet.
Of misschien is het preparaat vernield tijdens de plundering van Rome in 1527. Toch schilderde Giovanni da Udine de neushoorn in de hoek van het Pauselijk paleis in Baldassini. Rafaël maakte later nog een schilderij voor het Apostolisch paleis in het Vaticaan.Bedini blz. 164 en volgende
Invloed van de aankomst van de neushoorn thumb|De Toren van Belém, in 1515 net in aanbouw, werd later versierd met een waterspuwer in de vorm van een neushoornkop. thumb|Rhinoceros, houtsnede van Hans Burgkmair uit Augsburg. thumb|Tekening in gebedsboek van keizer Maximiliaan I, toegeschreven aan de uit Regensburg afkomstige kunstschilder Albrecht Altdorfer thumb|Titelblad van Forma e natura e costumi de lo Rinoceronte, door Giovanni Giacomo Penni, 1515, Rome.
Neushoorns waren in geen eeuwen in Europa gezien en hadden bijna de status van mythische dieren. De aankomst van een levend exemplaar in Lissabon, op 20 mei 1515, bleef dan ook niet onopgemerkt. Sterker, het lijkt wel alsof er sprake was van een hype avant la lettre. Binnen enkele weken verspreidde het nieuws zich via brieven over grote afstanden. Kunstenaars, verspreid over Europa, lieten zich inspireren tot het maken van kunstwerken. Hieronder twee houtsnedes, die in grote oplagen werden gedrukt en verkocht.
In Lissabon De koopman Valentim Fernandes zag de neushoorn kort nadat deze in Lissabon was gearriveerd. Hij beschreef het dier in juni 1515, in een brief aan een vriend in Neurenberg. De in het Duits geschreven brief is niet bewaard gebleven, maar een kopie in het Italiaans bevindt zich in de Biblioteca Nazionale Centrale in Florence. Een tweede brief, van een onbekende afzender, werd rond dezelfde tijd vanuit Lissabon naar Neurenberg gezonden. Bij deze brief was een anonieme schets van de neushoorn gevoegd.
In Neurenberg, Augsburg en Wenen In Neurenberg kreeg Albrecht Dürer beide brieven en de schets in handen. Op basis hiervan maakte hij twee tekeningen. Aan de hand van de tweede tekening werd een blokdruk gemaakt, vermoedelijk uit perenhout. De zachtheid van dit hout maakt een grote detaillering mogelijk. Tegelijk is het hard genoeg is om voldoende afdrukken te kunnen maken voor de verkoop. In zijn in 1495 ingerichte atelier drukte Dürer zijn afbeeldingen af en legde er een voorraad van aan. Door kooplieden werden deze vervolgens op kerkmissen en markten te koop aangeboden.
In Augsburg, 150 kilometer zuidelijk van Neurenberg, maakte Hans Burgkmair rond dezelfde tijd eveneens een houtsnede. Burgkmair correspondeerde met kooplieden uit Lissabon en Neurenberg. Het is niet duidelijk of hij de beschikking had over de brieven of schetsen waarop Dürer zijn houtsnede baseerde. Evenmin is duidelijk of Burgkmair het dier zelf heeft gezien. Zijn neushoorn ziet er in ieder geval natuurgetrouwer uit, heeft geen tweede hoorn in de nek, en de kettingen aan de poten van het dier zijn duidelijk zichtbaar. Van Burgkmair's gravure bestaat nog slechts één afdruk, die wordt bewaard in het Albertina in Wenen.Bedini blz. 151 Een kopie is te vinden in de stoel van het priesterkoor in de St. Martinikerk in Minden.Bedini blz. 234
In Wenen bevindt zich nog afbeelding uit die tijd: een tekening aan de rand van een bladzijde in het gebedsboek van keizer Maximiliaan I. Deze is waarschijnlijk op Burgkmairs voorstelling gebaseerd: het dier draagt dezelfde voetkettingen. Maar evenals Dürers neushoorn heeft het een hoorn in de nek. Het dier is afgebeeld tegen een zeer uitgebreide achtergrond van planten, die doet denken aan Dürers Rasenstück. Het monogram van een later toegevoegde inscriptie wijst Albrecht Altdorfer, afkomstig uit Regensburg, aan als de maker.Giehlow, blz. 59 en volgende; zie ook Bedini blz. 151, afb. blz. 153; Bedini betwijfelt de toebedeling van de tekening uit het gebedsboek aan Altdorfer.
In Florence en Rome De uit Florence afkomstige arts en dichter Giovanni Giacomo Penni schreef, kort na aankomst van de neushoorn, een verhandeling met als titel Forma e natura e costumi de lo Rinoceronte. In juli 1515 verscheen deze verhandeling in Rome. Slechts één exemplaar is bewaard gebleven. Dit bevindt zich in de Bibliotheca Colombina van Sevilla. Op het titelblad staat een houtsnede van de neushoorn afgebeeld.Zie ook Bedini blz. 151 en volgende; daar is eveneens de houtsnede afgebeeld.
Eveneens in Rome, enige tijd na de dood van de neushoorns, werden twee fresco's vervaardigd in het Apostolisch paleis, de residentie van de paus.
In Lyon In Lyon duikt de neushoorn een halve eeuw later op in de Franse literatuur. François Rabelais maakt in zijn vijfde boek over de reuzen Gargantua en Pantagruel een opmerking, die mogelijk teruggrijpt naar 1515. Hij noemt een neushoorn, die ene Heinrich Klerberg hem ooit heeft laten zien, en vindt dat het dier nauwelijks verschilt van een mannetjesvarken.François Rabelais: Gargantua und Pantagruel. 2e druk: Frankfurt am Main, 1987; 2e druk, blz. 286; Bedini blz. 231 en volgende
De genoemde Klerberg kan worden geïdentificeerd als de koopman Johannes Kleberger uit Neurenberg. Hij stond bekend als kunstliefhebber: in 1526 liet hij zich door Dürer portretteren. Gedurende een zekere periode waren Kleberger en Rabelais stadsgenoten in Lyon. Rabelais vestigde zich aldaar in 1532. Hij overleed in 1553 in Parijs. Het genoemde boek verscheen postuum in 1564. Of Rabelais inderdaad de auteur ervan is, wordt overigens betwist.
Dürers houtsnede Details van de houtsnede De Duitse inscriptie van de houtsnede luidde als volgt:
thumb|Dürers tweede tekening, basis voor de houtsnede