Een pensioenfonds is een financiële instelling en een pensioenregeling met als doelstelling om, na pensionering, een (bijkomend) pensioen uit te keren aan de deelnemers van het fonds, op basis van de pensioenpremies die ze gedurende hun werkzame leven hebben betaald.

Dit artikel beschrijft een pensioenfonds hoofdzakelijk vanuit de Nederlandse situatie. Voor België worden in het kort de bedrijfspensioenplannen besproken.

De macro-economische situatie van pensioenfondsen en de regelgeving die dit met zich meebrengt is vergelijkbaar met andere landen.

Stelsel van oudedagsvoorzieningen In het stelsel van oudedagsvoorzieningen worden pensioenfondsen vaak aangeduid als de tweede pijler. De eerste pijler van de oudedagsvoorziening wordt dan gevormd door een basisvoorziening, meestal van overheidswege georganiseerd, een groot deel van de bevolking omvattend, en meestal betaald door middel van een omslagstelsel: er is geen sprake van fondsvorming. (Het met de uitvoering belaste fonds zal wel vaak over enige reserves beschikken, doch deze zijn gering in verhouding tot de totale verplichtingen.) De Nederlandse eerste pijler is de AOW.

De tweede pijler wordt gevormd door de pensioenfondsen. Deelname aan een pensioenfonds is veelal gekoppeld aan een arbeidsverhouding. De pensioenpremie wordt betaald door werkgever en/of werknemers, meestal door beide. De pensioenrechten worden in de loop van de dienstbetrekking opgebouwd, en zijn gerelateerd aan het verdiende salaris en de duur van de dienstbetrekking. Er vindt dus fondsvorming plaats. Deelname aan een pensioenfonds is meestal voor de betrokken werknemers verplicht. De deelname aan de tweede pijler verschilt sterk van land tot land. Zo had Nederland eind 2012 1007 miljard opgebouwd bij pensioenfondsen en België 20 miljard. Daar spaart men in principe van oudsher in de derde pijler. De derde pijler wordt gevormd door pensioenvoorzieningen op vrijwillige basis, vaak ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij. Deze vorm is met name bedoeld voor personen die niet in dienstbetrekking werkzaam zijn, en voor personen wier pensioen anders ontoereikend zou zijn, en dit op deze wijze willen verbeteren.

thumb|250px|right|Omvang pensioenkapitaal in een aantal landen als percentage van het bruto binnenlands product, stand 2011.

Het Nederlandse pensioenstelsel wordt gekenmerkt door een relatief grote tweede pijler. De eerste pijler financiert circa 50% van de totale pensioenen, de tweede pijler circa 45%, en de derde pijler circa 5%. Dit is onder meer toe te schrijven aan het feit dat in Nederland pensioenen van overheidspersoneel door kapitaaldekking gefinancierd zijn. In een aantal andere Europese landen is de eerste pijler van aanmerkelijk grotere omvang en wordt dit rechtstreeks uit de overheidsbegroting gefinancierd. (Dit kan ook gelden voor gewezen werknemers in andere sectoren zoals gezondheidszorg, post, spoorwegen.) Anderzijds kan de wijze van opbouw van een pensioen en de financiering ervan in andere landen op geheel andere wijze geregeld zijn, en wordt de hoogte van "de AOW" medebepaald door het arbeidsverleden en het verdiende loon.

Het gevolg hiervan is dat de totale, collectieve, "spaarpot" voor de oude dag in Nederland zeer groot is.http://weblogs.nrc.nl/schinkel/2010/09/28/hervorm-woningmarkt-ten-behoeve-van-vergrijzing/ De gevolgen van de vergrijzing zullen in Nederland daardoor relatief minder hevig zijn dan in andere landen, maar niet verwaarloosbaar. Bovendien heeft de overheid een latente fiscale claim op de belastingvrij opgebouwde pensioenpot van circa 450 miljard en een claim op de latente premies zorgverzekeringswet van circa 60 miljard.

Nederland heeft de grootste pensioenvermogens ter wereld. Eind 2011 bedroegen die 138% van het bruto binnenlands product.Jan Braaksma, 'Pensioenfondsen bezitten 138 % bbp', De Telegraaf, 12 juni 2013 (Duitsland beschikte over slechts 5,5%, wat een grotere nadruk legt op de eerste pensioenpijler.) Eind 2014 was dit opgelopen tot boven de 200% bbphttp://www.dnb.nl/nieuws/nieuwsoverzicht-en-archief/dnbulletin-2015/dnb319006.jsp met een pensioenvermogen van 1240 miljard,E. Rezelman, 200 miljard winst, maar geen euro naar gepensioneerden, RTL Nieuws 30 januari 2015 (aangepast 6 september 2015), laatst geraadpleegd op 24 maart 2019. drie keer de staatsschuld en twee maal de uitstaande hypotheekschuld.Rapport Eiopa 9 juli 2015

Taak Een gekapitaliseerd pensioenfonds heeft tot taak de ontvangen premies op een zodanige wijze te beleggen, dat een optimaal rendement wordt behaald, bij een zo laag mogelijk risico, zodat de gedane toezeggingen omtrent het pensioen ook inderdaad kunnen worden gerealiseerd. Hierbij zijn zeer lange perioden betrokken: het omvat de actieve periode, de periode van het pensioen tot het overlijden van de deelnemer (en, in veel gevallen, tot het overlijden van diens partner).

Beleid Een pensioenfonds heeft bij zijn beleidsvorming en -uitvoering te maken met diverse tegengestelde belangen, die voortdurend tegen elkaar moeten worden afgewogen. Tussen de diverse bij een pensioenfonds betrokken groepen personen kunnen (forse) belangenconflicten ontstaan.

In het kort kan gezegd worden dat een pensioenfonds een optimale balans moet vinden tussen zo laag mogelijke premies nu (te betalen door de huidige deelnemers, zogeheten actieven), en zo hoog mogelijke uitkeringen voor de huidige gepensioneerden (de zogeheten post-actieven) zowel als de toekomstige gepensioneerden, dus de huidige actieven. Daarbij moet men ook de eigen financiële gezondheid in de gaten houden, zowel nu als in de (verre) toekomst.

Dit alles vindt plaats in een per definitie onzekere omgeving, aangezien hierbij ramingen gemaakt moeten worden van de ontwikkeling van de uitgaven zowel als van de beleggingsopbrengsten over een lange reeks van jaren in de toekomst.

In het artikel asset-liability management wordt hierop nader ingegaan.

Regelgeving in Europa Eerste pijler pensioenfondsen (zoals de AOW in Nederland) vallen onder de verordening 1408/71 over de toepassing van sociale zekerheidsregelingen op werknemers, zelfstandigen en hun gezinnen bij grensoverschrijding. Het doel van deze verordening is opgebouwde rechten te behouden en verblijf in het buitenland geen negatieve factor voor de pensioenopbouw te laten zijn.

De richtlijn 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening regelt de tweede pijlerpensioensector in de Europese Unie.

De richtlijn schept het pan-Europese pensioenfonds en procedures voor deze fondsen. Een onafhankelijk comité van toezichthouders werkt deze procedures nader uit. Er bestaan nog geen pan-Europese pensioenfondsen, omdat de fiscale behandeling van pensioenfondsen, pensioenen en pensioenbeleggingen per lidstaat erg kan verschillen.

Deze richtlijn gaat uit van zelfregulering van het investeringsbeleid (prudent person principle), wat betekent dat er in principe geen beperkingen zouden zijn op de beleggingsvrijheid. De richtlijn laat echter wel investeringsbeperkingen van lidstaten toe en schrijft ook investeringsbeperkingen voor aan pan-Europese (grensoverschrijdende) fondsen. Deze zijn echter zo ruim gesteld dat ze in de praktijk gewoonlijk geen probleem zullen zijn.

Volgens de richtlijn moeten de pensioenfondsen te allen tijde een voldoende dekkingsgraad hebben. Dit wordt gewoonlijk uitgelegd als een dekkingsgraad van 100%. Voor het biometrisch risico moet een buffer worden opgebouwd volgens de regels opgelegd aan verzekeringsmaatschappijen, waardoor de dekkingsgraad tussen 104 en 105% zou komen te liggen. De lidstaten mogen aanvullende eisen stellen.

De Europese Commissie heeft een concept van een richtlijn voor overdraagbaarheid van pensioenen gepubliceerd. Dit concept is in behandeling maar maakt geen vooruitgang meer. In 2012 volgde een Witboek Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen.Witboek Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen Pensioenen in de derde pijler worden indirect geregeld door de regels voor de uitvoerders: de verzekeringsrichtlijnen als het om een verzekeraar gaat, de UCITS richtlijnen als het om banken of portefeuillebeheerders gaat.

De Tweede Kamer heeft grote zorgen geuit over twee onderdelen van het witboek: de aangekondigde herziening van de IORP-richtlijn en de aangekondigde richtlijn over overdraagbaarheid van pensioenen. De Tweede Kamer heeft de stellige indruk dat hierbij het principe van subsidiariteit aan de kant wordt gezet.Witboek pensioenen. Standpuntnotitie Tweede Kamer der Staten-Generaal Het is de eerste keer dat de Tweede Kamer zelfstandig haar positie over aangekondigde Europese voorstellen aan de Europese Commissie stuurt. Ook de pensioenfederatie houdt de IORP-richtlijn nauwlettend in de gaten.https://web.archive.org/web/20140808042919/http://www.pensioenfederatie.nl/Document/Standpunten/Voorstel_IORP_herziening.pdf

Op 26 januari 2016 publiceerde EIOPA haar eerste stresstest over de Europese pensioenen.Results of the first EU stress test for occupational pensions Toelichting DNB

Concentratietrend In diverse landen werd rond 2008 een concentratietrend waarneembaar. Dit is het gevolg van een aantal recente bewegingen: de rentevoet van de valuta's van de meeste ontwikkelde landen zijn scherp gedaald. Hierdoor waren rendementsgaranties, zoals die bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk gangbaar waren, niet te handhaven. scherpere, gedetailleerder en gecompliceerdere voorschriften drukten het rendement en vergrootten het risico voor de sponsor (de onderneming of bedrijfstak die het pensioen aanbiedt). Laks toezicht in de Verenigde Staten zorgde er bijvoorbeeld voor dat elke nieuwe regel ter verbetering van de solvabiliteit leidde tot een nieuwe verschuiving van het beschikbare-uitkeringssysteem naar het beschikbare-premiesysteem. boekhoudregels gebaseerd op het beschikbarepremiesysteem en geschreven vanuit de Britse situatie worden in alle EU-landen toepasbaar, tenzij er een golf van protesten opsteekt. Ook hierdoor nam het risico van de sponsor scherp toe. sommige toezichthouders lijken de mening toegedaan dat er geen plaats is voor kleine pensioenfondsen.

De reactie van de sponsors was er uiteraard op gericht het risico te beperken. In eerste instantie gebeurde dit door een verschuiving van het beschikbare-uitkeringssysteem naar het beschikbarepremiesysteem (verschuiven van het risico naar de deelnemer) en door aanpassingen in de beleggingsportefeuille (verminderen van het risico). In beide gevallen werd het potentiële pensioenkapitaal van de deelnemers aangetast zonder dat dit behoorlijk werd uitgelegd door de regelgevers. In het Verenigd Koninkrijk werden de effecten het eerst zichtbaar. Daar zijn ook de eerste hervormingsmaatregelen op tafel gekomen.