Hieronder staat een lijst van uitdrukkingen en gezegden met steekwoorden die beginnen met een letter in de serie P-U.
paal Ergens paal en perk aan stellen. Duidelijk maken wat kan en wat niet kan.
Voor paal/schut staan. Iets doms doen en betrapt worden.
Als een paal boven water staan. Aan geen twijfel onderhevig zijn.
Als puntje bij paaltje komt. Als het erop aankomt.
Zich tussen paal en pruim bevinden. Zich niet bewust zijn van het nakende gevaar.
paard Anderhalve man en een paardenkop. Weinig aanwezigen.
Het beste paard van stal. De belangrijkste persoon in het gezelschap.
Een blind paard zou er geen schade doen. Een armoedig interieur.
Een oud paard van stal halen. Wat men vroeger al eens heeft laten horen nog eens ten beste geven.
De prins op het witte paard. De man van je dromen.
Een paardenmiddel. Een uiterste wanhoopsmiddel. ook wel: een heftig maar doeltreffend middel
Het is trekken aan een dood paard. Het is een onbegonnen zaak.
Het paard achter de wagen spannen. Ook: Men moet de ploeg niet voor de paarden spannen. Een probleem totaal verkeerd aanpakken.
Het paard van Troje binnenhalen. Door onnadenkendheid of onnozelheid de vijand toelaten.
Hij is over het paard getild. Hij heeft te veel eigendunk of heeft een naar karakter, doordat hij zoveel geprezen of verwend is.
Hij is van zijn paard gevallen. Hij heeft zijn positie verloren.
Hij zoekt zijn paard en hij zit er op. Hij zoekt iets wat voor zijn neus is, wat iedereen ziet.
Hoog te paard zitten. Verwaand zijn, eigendunk hebben.
Honger als een paard hebben. Grote honger hebben.
Iemand te paard helpen. Iemand helpen een eerste begin te maken.
Je hebt sier-/luxepaarden en werkpaarden. Niet iedereen heeft dezelfde positie, de een moet harder of zwaarder werken dan de ander.
Man en paard noemen. Niets verzwijgen.
Met de witte perdekies naar Velzeke rijden. Krankzinnig worden. (In Velzeke bevindt zich een sanatorium; de 'witte perdekies' (witte paardjes) verwijzen naar een ziekenwagen, waarmee de geestesgestoorde afgevoerd wordt. Uitdrukking uit het zuiden van Oost-Vlaanderen.)
Op het apostelpaard rijden. Te voet gaan.
Op het verkeerde paard wedden. Een verkeerde inschatting maken.
Op zijn stokpaardje zitten. Over zijn lievelingsthema spreken.
Een dood paard aan een boom binden. Overdreven voorzichtig zijn.
De man wel, maar het paard niet. Niet helemaal eerlijk zijn.
Paradepaard. Een bezit, eigenschap, kunst of vaardigheid waar iets of iemand trots op is.
pad Van het padje af zijn. In de war zijn, malende. Maar ook: prettig gestoord zijn.
pakken Bij de pakken neerzitten. Ontmoedigd zijn.
Pampus Voor Pampus liggen. Niet meer verder kunnen. (Afgeleid van de ondiepte voor Amsterdam in de Zuiderzee.)
pan In de pan hakken. Een tegenstander verpletterend verslaan.
pap Een vinger in de pap hebben. Invloed hebben.
Er geen pap (ook: kaas) van gegeten hebben. Er geen verstand van hebben.
Er wel pap van lusten. Er niet genoeg van kunnen krijgen.
Geen pap meer kunnen zeggen. Meer dan verzadigd zijn.
Pappen en nathouden. Een situatie min of meer ongewijzigd laten, zonder een beslissing te nemen of daadwerkelijk een probleem op te lossen.
papier Papier is geduldig. Men kan alles wel op papier zetten, ook onzin.
pappenheimer Zijn pappenheimers kennen. De eigenaardigheden kennen van de mensen waarmee men te maken heeft (bijvoorbeeld een leraar zijn leerlingen).
parels Parels voor de zwijnen gooien. Goede raad geven aan mensen die daar evenwel niets van horen willen. Afgeleid van Matteüs 7:6, "Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u verscheuren."
pas Iemand de pas afsnijden. Iemand verhinderen een bepaalde actie uit te voeren.
Pas op de plaats maken. Geen voortgang maken. Geen groei of ontwikkeling doormaken.
Te pas en te onpas. Steeds opnieuw, of het nu zin heeft of niet.
Pasen Wanneer Pasen en Pinksteren op één dag vallen. Nooit.
paus Dat gebeurt pas als de paus een geus wordt. Dat gebeurt nooit.
In Rome geweest zijn, maar de paus gemist hebben. Wel kans hebben gehad, maar het belangrijkste gemist hebben.
Is de paus katholiek? Een antwoord op een vraag waarvan het antwoord overduidelijk "Ja" is.
Roomser dan de paus zijn. Zich overdreven precies aan de regels houden.
peil Ergens geen peil op kunnen trekken. Ergens niets uit kunnen opmaken. Ergens niet van op aan kunnen.
Beneden alle peil. Stijlloos.
pels Als een luis in iemands pels zijn. Zie: luis.
peper Dat ruikt naar peper. Dat is er duur.
Dat smaakt als peperkoek. dat smaakt erg goed.
De peper groeit bij hem op de rug. hij wil zijn leven maar niet beteren.
Een gepeperde rekening. Een hoge rekening.
Hij heeft peper in zijn achterwerk (of reet). Hij heeft een hoog tempo.
Iemand iets inpeperen. Iemand iets betaald zetten, goed laten voelen.
Iemand naar het peperland sturen. Iemand ver weg sturen.
Iemand peper geven. iemand slaag geven.
Peperduur. heel erg duur.
perk Binnen de perken blijven. Zodanig beperkt blijven dat het niet te veel overlast of schade veroorzaakt.
Paal en perk stellen. Grenzen stellen.
pet Daar heb ik geen hoge pet van op. Ik geloof niet dat hij/zij tot veel in staat is/zijn.
Ik vind het pet. Ik vind het een bijzonder slechte zaak.
Dat gaat me boven de pet. Dat is te ingewikkeld voor mij.
Als je je pet ertegenaan gooit dan blijft hij hangen. Dat stukje verfwerk is niet erg vlak uitgevoerd.
Gooi het maar in m'n pet, dan zoek ik het morgen wel uit. Daar heb ik nu geen tijd voor, misschien morgen.
Ergens met de pet naar gooien. Een taak bijzonder slordig uitvoeren.
Zij hielden het onder de pet. Zij brachten het niet in de openbaarheid.
Met de pet rondgaan. Geld inzamelen.
Dat is huilen met de pet op. Bedroevend resultaat.
Petje af! Ook: Daar neem ik de pet voor af. Respect betonen voor hoe iemand iets voor elkaar gekregen heeft.
piepzak In de piepzak zitten Zich ernstige zorgen maken; vol angst zijn.
Piet Een hele Piet. Iemand die meetelt.
Een hoge Piet. Iemand van hogere rang of stand.
Een Piet Lut of pietlut. Kleingeestig mens, voor wie alles nauw steekt, die op allerlei kleinigheden scherp toeziet. 'Lut' zou een verkorting zijn van "luttel", weinig, maar er is ook geopperd dat de naam verwijst naar de landen Put en Lud die in de Bijbel vlak na elkaar genoemd worden, Ezechiël 30:5.
Een Pietje precies. Iemand die de dingen altijd heel precies wil doen.
Iemand de zwartepiet toespelen. Zie zwartepiet.
Meedoen of erbij staan voor Piet Snot. Meedoen zonder toegevoegde waarde, en zonder erkenning.
pijp De pijp aan Maarten geven. Opgeven. Ook wel: sterven
De pijp uitgaan. Sterven.
Een loden pijp hebben. Een hete vloeistof snel kunnen opdrinken.
pik De pik hebben op iemand. Hekel aan iemand hebben.
Zich op zijn pik getrapt voelen. Zich zwaar beledigd voelen.
pink (< geldzak) Bij de pinken zijn. Erg slim en geleerd zijn.
pink (vinger) De pink aan of op de naad houden. Correct blijven.
Met zijn pink manoeuvreren. Goed kunnen manoeuvreren.
plaat De plaat poetsen. Ervandoor gaan. (Militair: de borstplaat van het harnas of de kolfplaat van het geweer gaan poetsen: een smoesje om te kunnen vertrekken.)
Je plaat blijft hangen/je plaat hapert. Dat heb je al gezegd; geen nood om het te herhalen. (Verwijst naar een kras in een grammofoonplaat, waardoor de naald hapert.)
Een plaat voor je hoofd hebben. Kortzichtig zijn, niet open staan voor de omgeving.
Op je plaat gaan. Vallen.
plank De plank misslaan. Niet het goede inzicht hebben; ernaast zitten.
Van dik hout zaagt men planken. (Doortastend, maar) niet erg nauwkeurig te werk gaan.
plak Onder de plak zitten (bij iemand). Onderdrukt worden, niets te zeggen hebben.
plas Er een plasje overheen doen. Ergens een kleine wijziging in aan (laten) brengen, die wel duidelijk laat zien dat de afzender iemand van belang is.
plat Plat zijn. Corrupt zijn.
Plat als een dubbeltje zijn. Zie: dubbeltje.
Platzak zijn. Geen geld meer hebben.
pleister Het is een pleister op een zere wonde. Het is bedoeld om het leed wat te verzachten.
Het is een pleister op een houten been. Het is een nutteloos voorstel.
pluis Dat is niet pluis. Dat is verdacht, niet in orde.
poep We zullen ze eens een poepie laten ruiken. We zullen iets doen dat hen zal verbluffen (vooral toegepast in situaties waar sprake is van competitie).
pols Uit de losse pols. Iets schijnbaar zonder moeite doen.
Iemand polsen. Behoedzaam bij iemand inlichtingen inwinnen.
poolshoogte Poolshoogte nemen. Een situatie verkennen, op onderzoek uitgaan.
poot De poten onder iemands stoel wegzagen. Iemands positie verzwakken.
Op zijn poot spelen. Boos uitvallen.
Op hoge poten. Zeer boos, verontwaardigd.
Pootje lichten. Iemand doen struikelen.
Geen poot aan de grond kunnen krijgen. Geen schijn van kans blijken te hebben.
Iemand een poot uitdraaien. Iemand te veel laten betalen.
Iets op poten zetten. Met iets beginnen.
pot De hond in de pot vinden. Er is niets meer te eten.
De pot op kunnen. Niet geïnteresseerd of onder de indruk zijn van wat een ander verder nog doet.
Een pot nat zijn. Allemaal hetzelfde zijn.
Een potje bij iemand kunnen breken. Fouten mogen maken die niet bestraft maar getolereerd worden.
Ergens een potje van maken. Ongeordend te werk gaan.
Op ieder potje past wel een dekseltje. Voor iedereen bestaat er een geschikte levenspartner.
Rond de pot draaien. Niet ter zake komen, uitvluchten zoeken.
praatstoel Op zijn praatstoel zitten. Voortdurend aan het woord zijn.
praten Praten als Brugman. Veel en met grote overtuigingskracht praten. (Verwijst naar de preker Johannes Brugman.)
prins Van de prins geen kwaad weten. Als in: "Hij wist van de prins geen kwaad", hij was zich van geen kwaad bewust, of, hij veinsde onschuld. (Verwijst mogelijk naar de Prins van Oranje, over wie men geen kwaad woord wenste te horen spreken.)
punt Als puntje bij paaltje komt. Als het er op aankomt om de consequentie te trekken en actie te ondernemen.
De puntjes op de i zetten. De laatste details afwerken.
Dat is geen punt. Ook: Daar maken we geen punt van. Dat is geen probleem. (Dat is helemaal geen argument.)
Daar kun je een punt(je) aan zuigen. Een goede prestatie, die moeilijk is na te doen.
Ergens een punthoofd van krijgen. Je aan iets ergeren.
Ergens een punt achter zetten. Er voorgoed mee stoppen.
put In de put zitten. Depressief zijn.
Een bodemloze put. Dat kost ontzettend veel geld.
rats Rats, kuch en bonen. Soldatenmaaltijd tijdens mobilisatie: stamppot, roggebrood en bonen.
recht (juridisch) Het recht in eigen hand nemen. Eigenmachtig optreden.
recht (wiskundig) Recht praten wat krom is. Door een ingewikkelde, onjuiste redenering een onzuivere situatie, daad of besluit trachten van een rechtvaardiging te voorzien.
regen Na regen komt zonneschijn. Aan alle onaangename zaken komt een keer een einde.
Pijpenstelen regenen. Heel hard regenen.
Van de regen in de drop. Een verandering in de situatie, waarbij het ene probleem is opgelost, maar een nieuw probleem is ontstaan; de toestand is veranderd maar niet verbeterd, of is zelfs erger geworden.
rekening Iemand de rekening presenteren. Iemand de kosten ten laste brengen (ook figuurlijk).
Het kind van de rekening. Degene die schade lijdt, terwijl anderen niets hebben.
rijk (welvarend) Een rijke stinkerd. Een rijk iemand.
rijk (staat) Het rijk alleen hebben. Ergens geheel alleen kunnen doen wat men wil, niet te hoeven overleggen.
rijtje Ze niet allemaal (alle vijf) op een rijtje hebben. Niet bij zijn volle verstand zijn. ('Alle vijf' verwijst naar de vijf klassieke zintuigen.)
roer Het roer omgooien. Beleidsverandering.
Het roer uit handen geven. Het leiderschap aan iemand anders overdragen.
roet Roet in het eten gooien. De plannen dwarsbomen.
Rome Zo oud als de weg naar Rome.