Koenraad I (c. 881 - Weilburg, 23 december 918), was vanaf 906 hertog van Frankenland en nadien van 911 tot 918 koning van het Oost-Frankische Rijk.

Adellijke vetes tussen de machtige aristocratische families om de macht in de verschillende stamgebieden binnen het Oost-Frankische rijk, de herhaalde invasies door de Magyaren en de zwakte van de Karolingische koningschap leidden tot het ontstaan van regionale machten, de latere hertogdommen. In deze tijd viel ook de opkomst van Koenraad, die zelf een vertegenwoordiger van deze opkomende regio's was en die tegelijk het regime van de Oost-Frankische Karolinger Lodewijk het Kind ondersteunde. Als koning probeerde Koenraad zich te verzetten tegen de dreigende ontbinding van zijn koninkrijk en om de heerschappij over zijn gehele koninkrijk uit de oefenen. Zijn zevenjarige heerschappij wordt daardoor voornamelijk gekenmerkt door een serie conflicten met de Oost-Frankische hertogen (duces) van de verschillende deelrijken en niet in de laatste plaats door invasies van de Magyaren. Koenraads regeerperiode markeert de overgang tussen het Karolingische - en het Ottoonse rijk. Het lukte Koenraad niet om een nieuwe koninklijke dynastie te vestigen, mede omdat hij niet vernieuwde. Hij regeerde op dezelfde manier als de Karolingen.

Zijn tijd behoort tot de bronnenarmste tijd van de gehele Middeleeuwen. Terwijl de decennia later geschreven Ottoonse historische werken Koenraad I nog positieve eigenschappen toedichten, wordt zijn gehele regeringsperiode in het geschiedkundig onderzoek vaak als mislukt beschouwd. Lange tijd werd de verkiezing van Koenraad I tot koning als het begin van de Duitse geschiedenis gezien. Pas onlangs zette zich de mening door dat het Duitse Rijk niet het gevolg is geweest van een of meer specifieke daden, maar dat er sprake is van een langdurig ontstaansproces. Koenraad wordt als een belangrijke speler in deze ontwikkeling gezien.

Leven tot zijn aantreden als koning Afkomst en familie Koenraad stamde uit het sinds het midden van de 9e eeuw aanwijsbare Frankische geslacht van de Konradijnen. Hij had door trouwe dienst aan keizer Arnulf carrière gemaakt en kreeg uitgebreide manoriale bezittingen aan de Mittelrhein en in Mainfranken in bezit. Het Konradijnse kerngebied van het Rijn-Lahn-Main-gebied omvatte ook graafschappen in de Wetterau, in de Lahngouw en de Niddagau alsook huisstichten in Limburg, Weilburg en Wetzlar, de randgebieden van het latere Opper-Hessen.

Koenraads vader, de omstreeks 855 geboren Koenraad de Oudere was graaf in de Hessengau, het Wormsveld en in het Mainfrankische Gozfeld. Hij trouwde met Glismut, een onwettige dochter van keizer Arnulf van Karinthië. Koenraad de Oudere had drie broers: Gebhard van Lotharingen, die graaf in de Rijngouw en de Wetterau was; Eberhard, graaf van de Opperlahngouw en Rudolf I van Würzburg. Rudolf was sinds 892 bisschop van Würzburg. Gebhard was vanaf 903 ook hertog van Lotharingen.

De zwakte van het koninklijke macht onder de laatste Karolingische heerser in het Oostfrankenrijk, Lodewijk het Kind en de onzekerheid van de machtsverhoudingen leidde tot verstrekkende vetes, die ook nog door verwoestende invallen van de Magyaren werden onderbroken. Tijdens deze invallen verloren de ooms van de latere koning Koenraad, Rudolf en Gebhard, respectievelijk in 908 en 910 het leven.

De opkomst van de Konradijnen in het Oost-Frankische koninkrijk en hun territoriale aanspraken bleven natuurlijk zonder weerstand van concurrerende adellijke geslachten. In 897 was er tussen de twee leidende adellijke families in Franken, de Konradijnen en de Babenbergers, een langdurige vete uitgebarsten. In deze zogenaamde Babenbergse vete ging het om de afbakening van invloedssferen in dit deel van het rijk. De oom van Koenraad, Everhard was in 902 in de gevechten gedood. Door een Lotharingse campagne verzwakte de macht van de Konradijnen nog verder. In 906 probeerde de Babenberger Adalbert hier gebruik van te maken om een campagne te beginnen, waarin Koenraads vader in de slag bij Fritzlar werd gedood.Het lijk was van Koenraad de Oudere werd door zijn weduwe Glismuoda en zijn zonen Koenrad en Eberhard in de vesting Weilburg begraven (Ernst Dummler: Geschichte des Ostfränkischen Reiches, deel II, blz. 538). De Rijksregering ondersteunde in deze Babenbergse vete echter de Konradijnen en dit was beslissend. Op instigatie van de Oost-Frankische koning werd Adalbert van Babenberg gevangengenomen en onthoofd. De Babenbergse bezittingen werden in beslag genomen. Zo eindigde de Babenbergse vete in 906 in het voordeel van Konradijnen. Deze uitkomst leidde tot aanzienlijke verschuivingen in de machtsverhoudingen. De Konradijnen hadden nu de onbetwiste suprematie in geheel Franken.

De Konradijnse dominantie aan het hof en de uitkomst van de Babenbergse vete, kostte ook de Liudolfingen, die familierelaties met de Babenbergers onderhielden, de toegang tot de koning, die zij nog in de tijd van Arnulf van Karinthië wel hadden bezeten. Dit betekende echter tegelijkertijd ook dat de invloed van de koning en daarmee ook die van Konradijnen in Saksen en Thüringen afnam. Er zijn bijvoorbeeld geen bewijzen overgeleverd dat de zeer jonge koning Lodewijk ook maar een keer in het hertogdom Saksen heeft verbleven.

In hun poging om zich ook in Lotharingen de leidende posities toe te eigenen, kwamen de Konradijnen in conflict met de Matfrieden, een van de machtigste adellijke families in dit gebied. Toen de Matfrieden in Lotharingen de huisabdijen van de Konradijnen bezetten, trok Koenraad in 906 met succes tegen hen ten strijde.

Koenraad had drie broers, de ongeveer vier jaar jongere Everhard III van Franken, Burchard en Otto. Nog in 904 en 910 wordt Koenraad in een oorkonde als lekenabt in Kaiserswerth genoemd. In een oorkonde wordt hij echter in 910 als dux genoemd. De titel zou een hertogdom kunnen suggereren of misschien is het een eervolle accentuering van de op dit moment in het rijk ongeëvenaarde machtige Koenraad,: Reges Pueri. Das Königtum Minderjähriger. Hannover 2001, blz. 633 die door de dood van zijn ooms en zijn vader het nieuwe hoofd van de Konradijnen was geworden. Vanaf 909 waren er onder de wereldlijke heren, die de koning van advies dienden, vrijwel alleen nog Konradijnen te vinden.

Opvolging van de koning In Lotharingen, het voormalige Austrasische kernland van het Karolingische Rijk, stond Lodewijks halfbroer Zwentibold aan het bewind. Mede hierdoor kon Franken onder bewind van Arnulf en Lodewijk tot het kerngebied van een toenemend zelfstandig Oostelijk rijk uitgroeien. Hier waren de Konradijnen, vooral na de uitsluiting van de Babenbergers, veruit de sterkste macht. Op het moment van de dood in september 911 van de geen directe erfgenamen achterlatende Oost-Frankische Karolinger Lodewijk het Kind hadden de Konradijnen zich dus een goede uitgangspositie verworven voor de te verwachten opvolgingsgevechten.

Maar niet alleen militair en in de context van de prestigegevechten tussen de groten van het Rijk hadden de Konradijnen hun positie uitgebouwd. Zij hadden ook aan hun legitimiteit gewerkt. Hun bloedverwantschap met de Karolingers speelde hierin een niet onbelangrijke rol. Koenraad was zich hier goed van bewust. Vanaf 908 trad hij in bijna elke tweede overgeleverde oorkonde als bemiddelaar op. Daarin wordt meestal benadrukt dat hij een bloedverwant, consanguineus, van de koning was.D Ko I 3, red. Theodor Sickel, MGH DD Dt. Könige I, Hannover, 1879-1884, pp. 3-4 (consanguineus noster Hludovicus). Op zijn beurt noemt Lodewijk Koenraad zijn nepos.D D LK 35 (Cuonrat dilectus et propinquus noster), 64 (Chǒnradi comitis nostri atque propinqui), 67 (Chonradi comitis et propinqui nostri), 72 (Chuonrati egregii ducis et fidelis nepotis nostri) en 73 (Chuonradus fidelis et dilectus comes ac propinqus noster). Koenraad bezette daarmee al vroeg de positie van een secundus a rege, de tweede na de koning. De overgang van het koningschap op Koenraad na de dood van Lodewijk het Kind is daarmee niet zo verwonderlijk, als in de latere weergave van de feiten door Widukind van Corvey wordt gesuggereerd. Hierin wordt Koenraad als een gelegenheidskandidaat beschreven.

Ook andere factoren begunstigden de verkiezing van Koenraad. De enige overlevende Karolinger, de West-Frankische koning Karel III ("de Eenvoudige"), was voor de adellijke families van het Oost-Frankische Rijk onacceptabel. Tegen hem sprak zijn politieke zwakte en zijn militaire mislukkingen. De Karolingers waren niet meer in staat om de uiteenlopende delen van het Frankische rijk bijeen te houden, alleen de Lotharingse rijksgroten spraken zich voor Karel uit.

De hoofden van de adellijke families in het Oost-Frankische gebied maakten onder zich uit wie de nieuwe koning moest worden. Otto de Illustere, het hoofd van de Saksische Liudolfingen, trad in slechts twee koninklijke oorkonden als bemiddelaar op en bevond zich vaak op afstand van het koninklijk hof. Luitpold van Karinthië uit de adellijke familie van de Beierse Luitpoldingen werd door Lodewijk in zijn oorkonden eveneens als nepos of vaker nog als propinquus noster (onze verwant) betiteld. Zijn nabijheid tot het koninklijk hof bleef echter beperkt tot de tijden dat hij in Beieren verbleef. De beslissende factor was echter dat Luitpold in 907 tijdens een veldtocht tegen de Magyaren om het leven kwam en dat zijn zoon Arnulf nog te jong was voor de koninklijke opvolging.

Koenraads klim naar het Oost-Frankische koningschap was sterk gebaseerd op de machtspositie, die zijn voorvaderen zich binnen het Karolingische Rijk hadden bevochten. Na de dood van zijn vader was hij, volgens de getuigenis van de bemiddelaars in de koninklijke oorkonden, tot de dominante wereldlijke adviseur aan het koninklijk hof van Lodewijk het Kind opgeklommen. Aan de leidende positie van de Konradijnen droegen verder ook hun uitstekende contacten met andere leden uit de regentenkring bij, zoals met aartsbisschop Hatto I van Mainz of met de bisschoppen Adalbero van Augsburg en Salomo van Konstanz.

Nadat Lodewijk het Kind op 24 september 911 was overleden, kozen de leiders van de Saksen, Alemanni en Beieren in het Frankische Forchheim, iets meer dan zes weken later namelijk op 10 november, de Frankische Koenraad tot koning.Annales Alamannici anno 912 (Codex Modoetinsi), red. Walter Lendi, Untersuchungen zur frühalemannischen Annalistik. Die Murbacher Annalen, Freiburg 1971, blz. 188. Door te kiezen voor Forchheim als plaats van samenkomst stelden de rijksgroten en de nieuwe koning zich in de Oost-Frankische rijk traditie. Waarschijnlijk zijn belangrijkste pleitbezorger bij deze verkiezing was aartsbisschop van Mainz Hatto I, de belangrijkste geestelijke in het Oost-Frankische rijk. Ook Salomo van Konstanz, die zich over de zwakte van de kindkoning Lodewijk had beklaagd, kan tot Koenraads sponsors hebben behoord. Niet bij deze koningskeuze betrokken waren echter de Lotharingers. Zij erkenden de West-Frankische koning Karel III de Eenvoudige als hun heer.

In 913 huwde Koenraad met Cunigonde van de Alaholfing-familie van Zwaben, de weduwe van Luitpold van Karinthië.

Koenraad als Oost-Frankische koning De uitgangssituatie