Ontwikkelingssamenwerking is bedoeld om ontwikkelingslanden en hun burgers en instellingen te helpen zich verder te ontwikkelen en zo een hogere levensstandaard te bereiken.
Ontwikkelingssamenwerking is actief op terreinen zoals onderwijs, gezondheidszorg, economische ontwikkeling, landbouw en infrastructuur. Naast concrete thema's richt ontwikkelingssamenwerking zich ook op zaken als het versterken van capaciteit en het vergroten van participatie van achtergestelde groepen.
De termen ‘ontwikkelingshulp’ en ‘ontwikkelingssamenwerking’ worden in praktijk door elkaar gebruikt. Van oudsher spreekt men van ontwikkelingshulp, maar in de jaren zeventig van de 20e eeuw werd de term ontwikkelingssamenwerking geïntroduceerd. Daarmee drukken donoren uit dat zij ontvangende landen en organisaties als gelijkwaardige partners beschouwen.
De route van ontwikkelingshulp Ontwikkelingshulp wordt langs meerdere routes verstrekt: door overheden, multilaterale instellingen en non-gouvernementele organisaties. In Nederland spreekt men van drie 'kanalen', in België van drie 'pijlers' in ontwikkelingssamenwerking. Naast deze traditionele kanalen of pijlers is een vierde route voor ontwikkelingshulp in opkomst: ontwikkelingshulp van particulieren, bedrijven, kerken, vakbonden, scholen, et cetera. In Nederland spreekt men van particuliere initiatieven in de ontwikkelingshulp, in België van vierdepijlerinitiatieven
Bilaterale ontwikkelingshulp Bilaterale hulp is hulp tussen de regering van het ontwikkelingsland en de regering van het donorland, bijvoorbeeld van Nederland aan Tanzania. Wereldwijd is de bilaterale hulp van 2003 tot 2008 gegroeid van 80 tot 135 miljard dollar en daarmee is dit de vorm van ontwikkelingshulp waar het meest aan wordt uitgegeven.
Multilaterale ontwikkelingshulp Multilaterale hulp wordt verstrekt door instellingen, zoals de Wereldbank, de Verenigde Naties en de Europese Unie. Multilaterale instellingen ontvangen subsidies van overheden. Zij voeren daar op hun beurt ontwikkelingsprogramma’s mee uit. In 2008 werd er 13,4 miljard dollar verstrekt via multilaterale instellingen.
Ontwikkelingshulp via niet-gouvernementele organisaties Niet-gouvernementele organisaties (NGO's) zijn particuliere, onafhankelijke hulporganisaties. Hun inkomsten bestaan uit donaties van particulieren, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Soms ontvangen zij subsidie van de overheid. De grootste NGO's wereldwijd zijn World Vision, Save the Children International en Care USA. De noordelijke NGO's rapporteerden in 2007 een gezamenlijke omzet van meer dan 20 miljard dollar.Develtere, Patrick, De vrije markt van de ontwikkelingssamenwerking, Davidsfonds, Leuven, 2009, pp 179
Particuliere initiatieven / Vierdepijlerinitiatieven Naast NGO's zijn ook burgers, sociale organisaties, stichtingen, scholen, ziekenhuizen, sportclubs, vriendengroepen en bedrijven actief. In Nederland worden dit particuliere initiatieve ofwel PI genoemd, in België spreekt men van de vierde pijler van de ontwikkelingssamenwerking. De particuliere hulp wordt ook wel 'doe-het-zelf-ontwikkelingshulp' genoemd.
Voor een deel van de particuliere initiatieven (PI) geldt dat het gaat om 'niet-domeinspecifieke organisaties'. Dat wil zeggen dat deze organisaties weliswaar bezig zijn met ontwikkelingssamenwerking, maar daar niet voor zijn opgericht en zich er ook niet in hebben gespecialiseerd. Dit geldt wel in alle gevallen voor organisaties uit de drie andere kanalen of pijlers.
'Niet-domeinspecifieke organisaties' kunnen bijvoorbeeld een sportclub of school die zich inzet voor sanitatie of kinderopvang in ontwikkelingslanden zijn. Maar het kan ook gaan om een bedrijf of beroepsorganisatie die zeer specialistische kennis en ervaringsdeskundigheid overdraagt of inzet voor ontwikkelingssamenwerking. Voorbeelden zijn: een ingenieursbureau dat sanitatieprojecten uitvoert of een kleinschalige, particuliere ontwikkelingsorganisatie van oogartsen die gratis staarbehandelingen verstrekken. Dat laatste sluit aan bij een andere ontwikkeling binnen de internationale samenwerking, de Noord-Zuid samenwerking tussen beroepsgroepen. Bijvoorbeeld internationale samenwerking 'van boer tot boer' waarbij boeren uit het Noorden samenwerken met boeren uit het zuiden, soms ondersteund door gespecialiseerde, faciliterende (ontwikkelings)organisaties.
Belangrijke noot bij informatie over kleinschalige, particuliere initiatieven in ontwikkelingssamenwerking is dat veel informatie over die organisaties wordt gekleurd door een onderliggend debat. Daarin staat de vraag centraal wie het beste ontwikkelingssamenwerking vorm kunnen geven, de nieuwkomers of de gevestigde partijen. De PI's bogen zich vooral op transparantie en kostenefficiëntie. De gevestigde organisaties bogen zich vooral op professionaliteit.
Het debat is ontstaan toen het aantal PI's in het afgelopen decennium een stormachtige groei doormaakte. In Nederland is het overgrote deel van de PI's ontstaan in de relatief korte periode na de millenniumwisseling. Daardoor is in die periode vrij plots een situatie ontstaan waarin PI's marktaandeel dreigden weg te halen bij de gevestigde organisaties in ontwikkelingssamenwerking. PI's maakten aanspraak op subsidieregelingen die voorheen voornamelijk ter beschikking waren van de gevestigde ontwikkelingsorganisaties. Daarnaast werven de PI's, net als de meeste andere ontwikkelingsorganisaties, ook fondsen bij particulieren.
Het debat over welke van de hier genoemde pijlers of kanalen het beste vorm geven aan ontwikkelingshulp is echter deels achterhaald door nieuwe ontwikkelingen in de markt. De belangrijkste subsidieregelingen waar de Nederlandse, kleinschalige hulp uit kon putten, zijn aangepast op een wijze dat de PI's er nauwelijks meer aanspraak op kunnen maken. PI's financieren hun projecten nu voornamelijk uit particuliere fondsen.
In Nederland stuurt de overheid bovendien in toenemende mate op participatie van het bedrijfsleven in ontwikkelingshulp. Toenmalig minister (2007-2010) Bert Koenders maakte deelname in het medefinancieringssysteem (MFS), het belangrijkste subsidiestelsel voor ontwikkelingssamenwerking, deels afhankelijk van partnerships met de private sector.
Financiering Het grootste deel van het budget voor ontwikkelingssamenwerking komt van overheden van rijke landen. In 2008 gaven deze overheden samen 120 miljard dollar aan officiële ontwikkelingshulp. De Verenigde Staten waren in 2008 in absolute zin de grootste donor, met een hulpbudget van 26 miljard dollar. Nederland bezette de zesde plaats met bijna 7 miljard dollar. België gaf 2,4 miljard dollar.OESO International Development Statistics Online
Relatief gezien zijn Noorwegen, Zweden, Denemarken, België, Nederland en Luxemburg de grootste donoren: zij besteden minimaal 0,7% van hun BNP aan ontwikkelingssamenwerking. Daarmee voldoen zij aan een internationale norm, die leden van de OESO in 1970 met elkaar afspraken.
Naast overheidshulp komt een belangrijk deel van ontwikkelingshulp voort uit particuliere kanalen, zoals ontwikkelingsorganisaties, bedrijven en burgers. Nederlandse ontwikkelingsorganisaties hebben een gezamenlijk budget van 1,3 miljard euro. website branchevereniging Partos, ‘feiten en cijfers’
Een nieuwe manier van financiering voor projecten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking is crowdfunding. Via crowdfunding verstrekken groepen particulieren gezamenlijk financiering ten behoeve van projecten in ontwikkelingslanden.
Noodhulp Ontwikkelingssamenwerking onderscheidt zich van noodhulp door een structurele aanpak van de oorzaak van problemen op lange termijn. Noodhulp (of humanitaire hulp) biedt een oplossing voor tijdelijke problemen veroorzaakt door natuurrampen of gewapende conflicten.
Een voorbeeld ter verduidelijking: noodhulp: in een regio waar hongersnood heerst als gevolg van een overstroming worden voedselpakketten verdeeld. ontwikkelingssamenwerking: in een regio waar veel honger voorkomt leert een hulpverlener aan lokale boeren duurzame landbouwtechnieken zoals irrigatie en vruchtwisseling. Zo kan de bevolking zelf voor voldoende en gezond voedsel zorgen.
Visies Over ontwikkelingssamenwerking bestaan veel uiteenlopende overtuigingen. Deze kunnen grofweg ondergebracht worden in drie grote groepen. Hoewel deze theorieën elk een dominante periode kenden hoeven ze niet als contrair aan elkaar te worden beschouwd. Door middel van begrip van de drie groepen kunnen supplementaire wijzen van ontwikkelingswerk worden ontwikkeld.
Moderniseringstheorie De aanhangers van de moderniseringstheorie stellen dat onderontwikkeling een gevolg is van interne factoren zoals slecht bestuur, traditionele productie en cultuur. Ontwikkeling volgt uit de ontmanteling van deze traditionele structuren en het volgen van het Europese model. Enerzijds vindt het zijn oorsprong in de evolutietheorie en het werk van Max Weber en Émile Durkheim. Deze auteurs zochten naar verklaringen voor de verschuiving van traditionele naar moderne economie en vonden deze in de verandering van sociale en culturele instituties.
Anderzijds vindt deze theorie haar oorsprong in de diffusietheorie. Gunnar Myrdal argumenteerde dat door groeiimpulsen van kapitaal, technologie en instituties de moderniteit zich verspreidt van geürbaniseerd gebied naar ruraal gebied, dit noemt hij de spread effects. Veel van dit denken is ook terug te vinden in het unilineaire ontwikkelingsmodel van Rostow. Deze theorie was heersend in de jaren 50 en 60 en kreeg als voornaamste kritiek eurocentrisch te zijn en traditionele economieën te denigreren.
Afhankelijkheidsschool Volgens de aanhangers van de afhankelijkheidsschool ligt de oorzaak van de onderontwikkeling van de derde wereld bij de ongelijke (economische) machtsverhoudingen tussen Noord en Zuid. De meeste anders-globalisten horen bij deze groep.
Deze school vindt haar oorsprong in auteurs zoals Karl Marx en Friedrich Engels. De klassenstructuur die deze auteurs beschreven wordt geprojecteerd op het internationaal systeem. Binnen deze visie wordt het Zuiden uitgebuit door het kapitalistische Noorden. Ook het Latijns-Amerikaans structuralisme had een grote invloed op deze school. Het was Raúl Prebisch, hoofd van de Economische Commissie voor Latijns-Amerika die stelde dat de internationale economische orde verdeeld was tussen een industriële kern en een agrarische periferie waarbij de kern de periferie domineert en depriveert.
De afhankelijkheidsschool stelt dat de vrijemarkteconomie de financiële winsten probeert te maximaliseren zonder oog voor de sociale en ecologische gevolgen. Door de globalisering zouden bedrijven aan maatschappelijke controle, arbeidswetten en milieunormen ontsnappen, omdat er geen internationale politieke instellingen zouden zijn die voldoende invloed op multinationale ondernemingen kunnen uitoefenen.
De aanhangers van de afhankelijkheidsschool ijveren voor Eerlijke handel die arbeiders en landbouwers uit het Zuiden een eerlijke prijs en goede arbeidsomstandigheden garandeert. Kwijtschelding van de financiële schulden van de armste landen. Correcties op de vrije markt, zoals de tobintaks, verlaging van de invoerrechten en afschaffing van de landbouwsubsidies in het Noorden. Duurzame ontwikkeling
Ze protesteerden in de jaren 80 en 90 tegen de Structurele Aanpassings Programma's (SAP) van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) die lokale regeringen aanzetten tot bezuinigingen op basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg en onderwijs.
Neoliberale school De aanhangers van de neoliberale school gaan ervan uit dat de problemen in de ontwikkelingslanden zelf ontstaan. De onderontwikkeling is volgens hen een gevolg van corruptie, (religieuze) onderdrukking, snelle demografische groei, andere mentaliteiten, natuurrampen en etnische conflicten.