thumb|Suikerbietenplant thumb|Suikerbietveld, Eigenbrakel, België De suikerbiet of beetwortel (Beta vulgaris subsp. vulgaris var. altissima) is een wortelgewas dat wordt geteeld voor de winning van suiker (sacharose). De plant is een kweekvorm van de biet (Beta vulgaris subsp. vulgaris). Er zijn tal van rassen, die verenigd worden in de cultivargroep Altissima. Suikerbieten vormen net als aardappelen, tarwe en snijmais een van de meest geteelde gewassen in Nederland en België. Het gewas dient niet verward te worden met het kleinere gewas cichorei, waarvan de op bietenwortels gelijkende wortels worden verwerkt tot inuline en de zoetstof fructose.
De suikerbiet is in België en Nederland een belangrijke bron van suiker. De suikerbiet is eetbaar, maar is erg hard. De rode biet of kroot is een variant van de biet die wel eetbaar is. De rode biet heeft voor de oogst de meest ideale vorm (een knol met slechts een dunne wortel in de grond zodat de bieten veel schoner geoogst zouden kunnen worden) maar het is de veredelaars niet gelukt om de krootvorm en een hoog suikergehalte te combineren. De voederbiet lijkt het meest op de suikerbiet. In feite is een voederbiet de oorspronkelijke suikerbiet welke onder andere voor een hoger suikergehalte is veredeld. Dat terwijl de voederbiet het lagere suikergehalte heeft moeten houden (een te hoog suikergehalte leidt bij een rund tot problemen in de pens). Daarnaast is ook de bladgroente snijbiet een variant van de beta vulgaris.
De plant wordt tot 80 centimeter hoog, de bloemen zijn geplaatst op een steel, zijn klein en hebben geen opvallende kleuren. De biet is een tweejarige plant. Het eerste jaar vormt de biet de energierijke wortel. Maar vooral in een koud voorjaar kan een biet al in het eerste jaar overgaan in de generatieve fase en vormt de plant een zaadstengel ('schieters'). Dit is voor het suikergehalte zeer ongewenst.
De suikerbiet heeft, hoewel het in tegenstelling tot mais, sorghum en suikerriet geen C4-gewas is, een hoge productie en dus een hoge CO2 - opname en dus hoge energieproductie. De teelt, vervoer en verwerking in een moderne fabriek kost minder energie dan de energie van de gewonnen suiker. Als voedingsstof maakt suiker en restproducten als pulp en melasse onderdeel uit van de koolstofcyclus en komt alle CO2 via mens, dier, schimmel of bacterie weer terug in de atmosfeer. De Nederlandse verwerker Cosun heeft echter ook een onderzoekcentrum voor een bredere benutting van suiker en de pulp.
Geschiedenis Vroege geschiedenis thumb|Omdat de suikerbietenteelt in sommige streken van groot belang is, duikt de suikerbiet op in verschillende stadswapens. Dit wapen is dat van de Duitse gemeente Klein Wanzleben.
Vóór de ontdekking van de suikerbiet als suikerbron was suikerriet na honing de voornaamste zoetstof. Suikerriet werd geteeld door slavenarbeid in tropische Europese kolonies – voornamelijk in de Caraïben – en de ruwe suiker werd naar Europa getransporteerd voor raffinage. Het was een luxeproduct bestemd voor de rijkere klassen.
In 1600 beschreef de Fransman Olivier de Serres in Le théâtre d'agriculture et mesnage des champs dat een suikersiroop kon worden gewonnen uit bieten, maar deze ontdekking bleef relatief onopgemerkt. De Duitser Andreas Marggraf slaagde er in 1747 in om het sap uit de bieten en wortelen te halen en de suiker te doen kristalliseren. Hij constateerde tevens dat het om dezelfde stof ging als de suiker in suikerriet. Franz Carl Achard zette Marggrafs werk verder en begon rond 1784 met diverse gewassen te experimenteren in zijn tuin te Kaulsdorf. en , The Sugar Beet Crop, 2012, p. 9 Hij stelde vast dat de Silezische voederbiet (conisch en wit) het hoogste suikergehalte had, zij het variabel en niet veel meer dan enkele procenten.
Door kundige teeltselectie wist Achard dit op te drijven van 1,6 naar 5 %. en , The Sugar Beet Crop, 2012, p. 13Bernard Wilkin, Robin Schäfer en Tony Pollard, "The Real Fate of the Waterloo Fallen. The Exploitation of Bones in 19th-Century Belgium" in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, LIII, 2023, nr. 4, p. 11 In 1801 richtte hij met de steun van koning Frederik Willem III van Pruisen de eerste bietsuikerfabriek op in het Silezische Kunern (tegenwoordig Konary in Polen). Niet veel verder, in Krayn (nu Krajno), richtte zijn vriend, baron Moritz von Koppy, in 1805 een iets grotere fabriek op, wat belangrijk bleek toen die van Achard twee jaar later afbrandde. In 1809 publiceerde hij zijn bevindingen in het boek Die europaïsche Zuckerfabrikation aus Runkelrüben. Ook opende hij in 1810 een school te Kunern waar hij de productie van bietsuiker onderwees aan studenten uit diverse landen.
Ingevolge de Vrede van Tilsit (1807) werd Pruisen onderworpen aan het continentaal stelsel dat Napoleon een jaar eerder had ingesteld. Waar de Britten al de aanvoer van ruwe suiker uit de Franse koloniën hadden geblokkeerd, stokte door het embargo nu ook de aanvoer uit de Britse koloniën. De verkrijgbaarheid van rietsuiker kwam onder druk te staan op het continent en de prijs werd zeer hoog. Daarom ging Napoleon op zoek naar een alternatief.
Voortbouwend op het Pruisische pionierswerk verordende hij in 1811 dat 32.000 ha akkerland moest worden toegewezen aan de suikerbietenteelt., Sugar Beet, 2008, p. 15 Het resultaat was 7.000 ha en de oprichting van ruim veertig kleine suikerfabrieken. Het volgende jaar werd het areaal wettelijk opgedreven tot 100.000 ha en werden 334 fabrieken vergund (waarvan de helft ook werd gerealiseerd, vooral in Noord-Frankrijk en België). Cruciaal was ook de oprichting in 1812-1813 van een aantal (nochtans efemere) scholen waar een middenkader werd gevormd dat de technieken aanleerde.Michael Fakhri, Sugar and the Making of International Trade Law, 2014, p. 36-37 In Nederland kreeg het napoleontische beleid ingang door toedoen van prins-stadhouder Charles-François Lebrun. De eerste grote bietsuikerfabriek in Nederland werd in 1811 gebouwd in Oosterbeek. In België werd de eerste suikerfabriek in 1812 gestart in de abdij Ter Kameren.
De napoleontische impuls werd al in 1813-1814 afgebroken door de ineenstorting van het Eerste Franse Keizerrijk en het weer volop beschikbaar komen van goedkoper suikerriet. Niettemin verdween de jonge nijverheid in Frankrijk zelf niet volledig. Tegen 1830 kwam het er tot een heropleving. Vanuit het gekortwiekte overzeese rijk (Martinique, Guadeloupe, Réunion) kon onvoldoende rietsuiker worden aangevoerd, zodat er ook een markt was voor de duurdere bietsuiker. De koloniale en maritieme belangen stonden in Frankrijk tegenover de landbouwsector, die geleidelijk het pleit won. Er werden tarieven ingesteld die de Cubaanse en Braziliaanse suiker duurder maakten en die toelieten dat de binnenlandse bietsuikerindustrie zich ontwikkelde.Michael Fakhri, Sugar and the Making of International Trade Law, 2014, p. 37 Een toonaangevende ondernemer was Louis Crespel-Dellisse. Op wetenschappelijk en technologisch gebied werd beduidende voortgang gemaakt. Machines werden ingevoerd uit Engeland. De zaadveredeling werd op punt gesteld door Louis de Vilmorin, wiens publicatie uit 1856 een botanische betekenis had die de suikerbiet oversteeg.
Ondertussen was de bietsuikerindustrie ook in de Lage Landen weer van de grond gekomen. In het jonge België begon Guillaume Mellaerts in 1834 een eerste fabriek in Sint-Truiden. Een ander project werd in 1836 gestart in Tienen en groeide uit tot de Tiense Suikerraffinaderij. Ook de suikerfabriek van Waterloo dateert uit dat jaar. Het was een geïntegreerd agro-alimentair bedrijf waar de teelt van suikerbieten en het raffineren van biet- en rietsuiker werden gecombineerd met het gebruik van reststromen voor veeteelt en distillatie van alcohol.Dominique Willemart, "La sucrerie de Waterloo" in: Ucclensia, november 1986, p. 14
Nederland had door zijn koloniale rijk minder nood aan bietsuiker. De eerste fabriek werd in 1858 begonnen door De Bruyn in Zevenbergen. Het kostte de Nederlandse boeren tijd om te wennen aan de bietenplantages. Het zaad moest netjes in rijen worden gezaaid met zaaimachines, om ervoor te zorgen dat de bieten los van elkaar vrij konden groeien. Door de mooie rijen werd het wieden van onkruid eenvoudiger.
Beendermeel In de 19e eeuw werd beendermeel gebruikt om bietsuiker te ontkleuren, zodat hij de aantrekkelijke witte kleur verkreeg die de consument gewend was van rietsuiker.Bernard Wilkin, Robin Schäfer en Tony Pollard, "The Real Fate of the Waterloo Fallen. The Exploitation of Bones in 19th-Century Belgium" in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, LIII, 2023, nr. 4, p. 11-12 Charles Derosne was in 1811 verantwoordelijk voor deze innovatie. Dit beenzwart of deze beenderkool kende ook toepassing als meststof, en de vraag ernaar werd zo groot dat het de prijs van dierlijke botten opdreef. In die omstandigheden begon men ook menselijke beenderen te gebruiken, afkomstig van gesneuvelde soldaten uit massagraven. De Napoleontische Oorlogen hadden ervoor gezorgd dat deze grondstof in overvloed aanwezig was. Vanaf 1824 is er bewijs dat de massagraven van Leipzig – elf jaar na de Volkerenslag – op industriële wijze werden geëxploiteerd.Bernard Wilkin, Robin Schäfer en Tony Pollard, "The Real Fate of the Waterloo Fallen. The Exploitation of Bones in 19th-Century Belgium" in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, LIII, 2023, nr. 4, p. 15 Ook in Waterloo werden soldaten en paarden opgegraven ten behoeve van de suikerindustrie die er vanaf 1834 ontstond, alsook voor export naar Frankrijk. Verschillende kranten uit deze tijd schreven erover. Hoewel het een algemeen bekende praktijk was, werd deze door de journalisten sterk afgekeurd. Tegen het einde van de 19e eeuw waren nieuwe ontkleuringstechnieken beschikbaar en schijnt het fenomeen te zijn uitgedoofd.Bernard Wilkin, Robin Schäfer en Tony Pollard, "The Real Fate of the Waterloo Fallen. The Exploitation of Bones in 19th-Century Belgium" in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, LIII, 2023, nr. 4, p. 24 Het klonk nog door in de Tsjechische roman De lotgevallen van de brave soldaat Švejk uit 1923, waarin iemand tegen de hoofdpersoon zegt dat hij "vast ooit in de suiker zal belanden".
Industrialisatie Nadat de Napoleontische Oorlogen in 1815 waren afgelopen, stortte de teelt van suikerbieten weer in, omdat rietsuiker weer goedkoop werd. Na de afschaffing van de slavernij steeg de prijs van het suikerriet opnieuw. De suikerrietplantages werden namelijk voordien bewerkt door slaven, een zeer goedkope vorm van arbeid.
In de 20e eeuw maakt landbouwmechanisatie en eenkiemig zaad de bietenteelt veel eenvoudiger. De teelt van suikerbieten is sinds 1968 afhankelijk van de marktpolitiek van de Europese Unie. Sinds 2006 is een hervorming van de suikermarkt in de EU gaande met lagere prijzen voor suiker en suikerbieten. Boeren mogen daarnaast een maximale hoeveelheid suiker produceren via een quotasysteem. Het areaal kromp zo ver dat de EU netto importeur van suiker ging worden.
Hoewel suikerbieten eigenlijk niet te eten zijn vanwege hun hardheid, werden ze in Nederland tijdens de hongerwinter (1944/'45) in de Tweede Wereldoorlog toch gegeten, net als tulpenbollen. Men had er speciale raspen voor.
De wereldsuikerproductie verzevenvoudigde tussen 1900 en 1964. In de westerse wereld daalt de consumptie inmiddels licht vanwege gezondheidsperikelen en het gebruik van kunstmatige zoetstoffen. De toename van de wereldsuikerconsumptie zit vooral in landen als China en India.
EU-suikermarktordening