De Heilige Drie-eenheid, Drievuldigheid of Triniteit (van het Latijnse: trinitas, Oudgrieks: τριάς, Trias) is de theologische opvatting in veel takken van het christendom dat er één God bestaat in drie goddelijke Personen: de Vader, de Zoon (Jezus Christus) en de Heilige Geest. In deze betekenis krijgt het woord een hoofdletter. Met name van belang is het standpunt dat Jezus God én mens is.

De Drie-eenheid is in de late oudheid en de vroege middeleeuwen onderwerp van strijd geweest: vooral arianen hebben zich verzet tegen de erkenning hiervan. Tegenwoordig zijn het onder andere de unitaristen, de Jehovah's getuigen, de Heiligen der Laatste Dagen en de broeders in Christus, die het leerstuk afwijzen.

Drie-eenheid in de Bijbel De term 'Drie-eenheid' komt niet in de Bijbel voor. Ook een theologie inzake de Drie-eenheid als zodanig wordt niet in de Bijbel aangetroffen.A. Meesters: Is er meervoud in God?, in: Geloven op Goede Gronden. Twaalf Artikelen over God, Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer 2012, pp. 55vv.G.J. Heering: De Christelijke Godsidee, Van Loghum Slaterus Uitgeversmij. N.V., Arnhem 1945, pp. 101 e.v. Wel bevatten volgens sommige opvattingen zowel het Oude als het Nieuwe Testament aanwijzingen en formuleringen inzake de goddelijkheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest die de interpretatie ten gunste van een Drie-eenheid ondersteunen.Verg. de opmerking van Karl Barth: "Deze leer als zodanig begint met het volmondig erkennen niet in de teksten der oud- en nieuw-testamentische getuigenissen van Gods openbaring staat.", K. Barth: Kirchl. Dogmatik, I, 1, München 1932, S. 396, 330-331, aangehaald bij Heering: De Chr. Godsidee etc., p. 110

Hebreeuwse Bijbel De manier waarop in het Nieuwe Testament wordt gesproken over de Heilige Geest heeft voorlopers in de Hebreeuwse Bijbel, zoals Genesis 2:7, Jesaja 32:15-20, Ezechiël 11:19 en 36:26-27. De theologie van die tijd kent beelden die in het Nieuwe Testament op parallelle wijze worden toegepast op Jezus. Andere verwijzingen zijn latere interpretaties. Zo verwezen vroege theologen in het algemeen naar plaatsen waar gesproken wordt over engel, woord, geest, wijsheid of de aanwezigheid van God, zoals plaatsen waar God over zichzelf in het meervoud spreekt (Genesis 1:26; 11:7) en in het bijzonder het drievoudige "Heilig!" van de serafijnen in Jesaja 6:3, die in de liturgie in de Trisagion werd overgenomen.

Ook de verschijning van drie mannen in Genesis 18:1-3 werd veelvuldig als aanwijzing voor een Drie-eenheid aangemerkt. Hierin wordt gezegd: "De HEER verscheen opnieuw aan Abraham" en "toen hij opkeek, zag hij even verderop drie mannen staan" die door Abraham vervolgens met enkelvoud "Heer" werden aangesproken. Toen een van deze mannen aankondigde dat Sara op zeer hoge leeftijd nog een kind zou krijgen en zij hierom lachte, "vroeg de HEER aan Abraham" waarom Sara had gelachen en beloofde hij: "over precies een jaar, kom ik bij je terug". Toen de mannen vertrokken, vroeg de HEER zich af waarom hij iets geheim zou houden voor Abraham en zei de HEER dat hij naar Sodom en Gomorra zou gaan. Hierop gingen twee mannen naar Sodom, "terwijl Abraham bij de HEER bleef staan" en ging onderhandelen om het lot van de onschuldige inwoners van Sodom en Gomorra te redden. "Zodra de HEER zijn gesprek met Abraham had beëindigd, ging hij weg." En vervolgens wordt het verhaal vervolgd met nog maar twee mannen, die "engelen" worden genoemd (Genesis 18:1-19:1).

Nieuwe Testament De vroegste formulering in het Nieuwe Testament die een aanwijzing bevat voor het concept van de Drie-eenheid is die van Paulus in 2 Korintiërs 13:13: "De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de eenheid met de Heilige Geest zij met u allen." In 1 Korintiërs 12:3-6 worden gaven in een "doelbewust stijgende opbouw" toegeschreven aan de Geest, de Heer en God.Thomas Söding, Art. Trinität, I. Biblisch-theologisch, in: LThK3 Band 10, 239–242 (hier 241) Ook Efeziërs 1:3-14 spreekt over Vader, Zoon en Geest naast en boven elkaar.Jürgen Werbick: Trinitätslehre. In: Theodor Schneider (uitgever): Handbuch der Dogmatik, Band 2. Patmos, Düsseldorf 2000, pag. 481–574 (hier pag. 488).

Historisch zeer invloedrijk was de doopformule in Matteüs 28:19, die spreekt over een doop "in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest". De formulering in de naam van (εἰς τὸ ὄνομα - letterlijk "in de naam") duidde een eigendomsoverdracht aan.Vergelijk Joachim Gnilka: Das Matthäusevangelium (Herders theologischer Kommentar zum Neuen Testament, Band 1/2). pag. 509 Als "tegenhanger" van deze doop geldt die van Jezus door Johannes de Doper omdat daar (Matteüs 3:13–17 (vergelijk Marcus 1:9–11, Lucas 3:21,22, Johannes 1:32–34)) door het opstijgen van de Geest en de stem van de Vader de Vader, de Zoon en de Heilige Geest ook verenigd waren.Vergelijk Gnilka, ibid. en Michael Schmaus: Artikel Trinität, in: Heinrich Fries (uitgever): Handbuch theologischer Grundbegriffe. Kösel, München 1962, pag. 264–282, hier pag. 267 Vermoedelijk is deze doopformule een uitbreidingSöding, ibid.; Werbick 2000, ibid., pag. 490. van een eerdere doop "in de naam van Christus" (zoals in Handelingen 2:38, 8:16, 10:48, 19:5). Ook de na het jaar 100 ontstane Didachè (de vroege "Catechismus met instructies inzake de liturgische voltrekking")Nog vroeger, rond 60-65, gedateerd door Klaus Berger: Das Neue Testament und frühchristliche Schriften. Insel, Frankfurt/M., Leipzig 1999, pag. 302. kent al zo'n uitgebreidere doopformule: "dopen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest".Didachè 7

Comma Johanneum Een marginale aantekening, een glos, kwam tussen de tekst van de Vulgaat terecht en werd geleidelijk niet meer als aantekening herkend. Toen Erasmus een Grieks Nieuw Testament uitgaf, werd het comma Ioanneum er pas in opgenomen toen hij een Grieks handschrift vond waar het in stond. Vermoedelijk wist hij niet dat men, om hem zover te krijgen, het Latijnse stukje tekst naar het Grieks had terugvertaald. In de vertalingen die uitgaan van de Textus Receptus is het te vinden. Zo geeft bijvoorbeeld de Statenvertaling 1 Johannes 5:7-8 als volgt weer: "Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een. En drie zijn er, die getuigen op de aarde, de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot een." Sinds tekstcritici aantoonden dat deze passage uit de Vulgaat in die vorm in geen enkele Griekse tekst voorkwam laten de meeste vertalingen de toevoeging weg. Zo schrijft de Leidse vertaling: "Drie zijn de getuigen; de Geest, het water en het bloed; en die drie zijn eenstemmig."

Goddelijkheid van de Vader De term "God" verwijst in het Nieuwe Testament meestal naar de Vader. God en de Zoon van God verschijnen als onderscheiden van elkaar als het gaat om: "God zond Zijn Zoon" (Johannes 3:17). Of als Jezus "aan de rechterhand van God" zit (Handelingen 7:56). God is (zoals in 1 Petrus 1:3) de "Vader van onze Heer Jezus Christus". Dit geldt ook voor de toekomst: uiteindelijk "zal de Zoon zich onderwerpen ... opdat God over alles en allen zal regeren" (1 Korintiërs 15:28).Franz Graf-Stuhlhofer: Jesus Christus – Gottes Sohn. Leun 32012, pag. 18–20.

Goddelijkheid van Jezus Christus Reeds de oudste teksten van het Nieuwe Testament beschrijven een nauwe verwantschap tussen God en Jezus: deze werkt met goddelijk gezag - zelfs in die mate dat God in Jezus en door hem Zijn scheppen, oordelen, verlossen en zich openbaren voltrekt.Vergelijk: Söding: Artikel Trinität, 240 Binnen de christologisch meest veelzeggende teksten berichten zowel de hymne in Kolossenzen 1:15-20 als Johannes 1 van een voormenselijk bestaan als een rol als Schepper van de kosmos van en in Christus. De relatie tussen Christus als Zoon van God en God de Vader is voor meerdere schrijvers van het Nieuwe Testament heel belangrijk. Een speciale band wordt benadrukt door de Abba-aanroeping en de "erkenning" van de Vader door de Zoon (vergelijk Matteüs 11:27, Lucas 10:22); vooral het evangelie volgens Johannes spreekt van een innige relatie van eenheid en een wederkerige immanentie tussen Vader en Zoon in de liefde. Ook de "Ik ben" uitspraken van Jezus worden gezien als aanwijzing voor de Drie-eenheid (Johannes 8:24,58).

Johannes 20:28 wordt vaak zo uitgelegd dat de discipel Thomas Jezus direct "God" noemde, toen hij tegen Jezus uitriep: "Mijn Heer en mijn God!".Gerretsen verwerpt deze tekst als bewijsplaats voor de volle Godheid van Christus, J.H. Gerretsen: Christologie, Firma H. ten Hoet, Nijmegen 1911, p. 22. Voor Gerretsen is Jezus wel "God" (Theos), maar niet "de God" (ho Theos). Voor Barclay geldt deze tekst als de enige onbetwistbare bewijsplaats waar Jezus "God" (in de zin van "ho Theos") wordt genoemd, Barclay: Jesus as They Saw Him, etc. p. 24, maar hij tekent hier wel bij aan: "About this passage there is no doubt, but it must be remembered that this is not the verdict of a theologian but the reaction of a loving heart." Ook wordt de term "God" in het Nieuwe Testament op Jezus toegepast, zoals in Johannes 1:1,Jezus wordt hier in de Griekse tekst "God" (Theos) genoemd, maar niet "de God" (ho Theos) - d.i. God in absolute zin, verg. W. Barclay: Jesus as They Saw Him, etc. p. 22. Romeinen 9:5, Hebreeën 1:8-10, Kolossenzen 2:2, 2 Petrus 1:1 en het duidelijkst in 1 Johannes 5:20, waar hij "de ware God" wordt genoemd,Graf-Stuhlhofer: Jesus Christus – Gottes Sohn, 2012, pag. 39–41Door Gerretsen verworpen als bewijsplaats, Christologie etc., p. 23; Barclay acht het aannemelijk dat Jezus hier "God" in absolute zin wordt genoemd, maar voegt daar wel aan toe: "But once again the doubt is such that we could not base any firm argument on the passage", Jesus as They Saw Him, etc. p. 26.F.W.A. Korff: Christologie II, C.F. Callenbch N.V., Nijkerk 1941, p. 134: "Ten aanzien van Rom. 9:5, 1 Joh. 5:20, 2 Petr. 1:1 blijft discussie mogelijk, of het woord 'God' in deze teksten werkelijk betrekking heeft op Jezus Christus betrekking heeft." hij wordt een godgelijk wezen genoemd in Filippenzen 2:6 en als een God aanbeden in 1 Korintiërs 8:6.Horst Georg Pöhlmann: Abriß der Dogmatik. Gütersloh, 4e druk 1973, pag. 236W. Barclay: Jesus as They Saw Him, SCM Press, Ltd., Londen 1962, p. 32: [als samenvatting over de term "God" toegepast op Jezus:] "The result of this examination is that there is only one passage in the New Testament, John 20.28, where there is no doubt that Jesus is called God." Pag. 33: "There is a curious problem here. If it were possible to take all the passages in the New Testament in which Jesus 'may' be called God [i.e. John 1.1; Romans 9.5; Hebrews 1.8-10, Col. 2.2, 2 Peter 1.1, etc.] and to put them together, the evidence would be very strong, but the curious fact is that so many of the passages involve a doubt either of the text or of the translation." Maar ook indirect worden God en Jezus gelijkgesteld, zoals in uitspraken als "ik ben de Alfa en de Omega", die zowel uit de mond van God als vanuit de mond van Jezus klinken (Openbaring 1:8, 22:13).Dat Jezus hier spreekt, blijkt uit Openbaring 22:12 en 20. Andere gelijkstellingen worden besproken door Graf-Stuhlhofer: Jesus Christus – Gottes Sohn, pag. 24–31

Goddelijkheid van de Heilige Geest