Het Maratharijk (Maharati: मराठा साम्राज्य), later bekend als de Marathaconfederatie, was een staat die in de 17e en 18e eeuw een groot deel van het huidige India en Pakistan omvatte. Het rijk werd geregeerd door de Maratha's, een hindoeïstische krijgerskaste.
De naam Maratha is bewaard gebleven in de naam Maharashtra, een Indiase deelstaat met als hoofdstad Mumbai. Marathi, de officiële taal van het Maratharijk, is nu nog de belangrijkste taal van Maharashtra.
Achtergrond Islamitische sultans (1350-1600) Begin 14e eeuw werd de Dekan in een serie veldtochten onderworpen door Alauddin Khalji, de sultan van Delhi. De veroveraars verdreven de bestuurlijke elite maar slaagden er niet goed in een nieuw bestuur op te zetten. Het gebied lag te ver van Delhi en was te groot om van daaruit te worden bestuurd. Al in 1347 verklaarde de in de Dekan aangestelde gouverneur zich onafhankelijk. Hij was de stichter van de dynastie van de Bahmaniden. De Bahmaniden bouwden forten en zetten een systeem op voor de belastingwinning. De dynastie kwam in 1518 ten einde. Het gebied viel uiteen in de sultanaten van de Dekan, vijf verschillende staatjes die elkaar afwisselend hielpen en bevochten.
De islamitische heersers van al deze staten en staatjes hadden gemeen dat ze over een bevolking heersten die in overgrote meerderheid hindoe was. In tegenstelling tot het sultanaat Delhi ontstond er in de Dekan geen aanzienlijke minderheid van moslims. Hoewel de hoven van de sultans van de Dekan ook islamitische avonturiers en huurlingen uit Perzië en Centraal-Azië trokken, bleven de sultans voor het bestuur daarom grotendeels afhankelijk van een hindoeïstische elite. De schriftelijke administratie bleef ook na de islamitische verovering van het gebied in handen van brahmanen. Om het leger van de sultans op sterkte te houden moesten hindoes worden aangesteld en bevorderd tot de hoogste rangen van het leger. De sultans zagen hier geen bezwaar tegen en gebruikten deze Maratha's als een welkom tegenwicht voor de islamitische facties aan hun hoven.
thumb|280px|Een prins op valkenjacht, miniatuurschildering uit het sultanaat Golkonda, rond 1610-1620, collectie van de British Library. Hoewel de heersers in de Dekan die dergelijke kunst lieten maken moslims waren, rekenden ze voor het bestuur en de administratie op een hindoeïstische elite Vanzelfsprekend betekende dit dat de sultans hun hindoeïstische onderdanen niet tegen zich konden opzetten. Er vonden in de sultanaten van de Dekan geen gedwongen bekeringen plaats en de rechten van hindoeïstische tempels bleven gewaarborgd.Gordon (1993), p. 14 Marathi werd de bestuurstaal van de sultanaten van Ahmednagar en Bijapur. In Ahmednagar was het dagelijks bestuur vrijwel geheel in handen van Deshasta's, een machtige groep brahmanen.
Maratha als kaste Het woord Maratha stond tot 1350 slechts voor een bewoner van Maharashtra. Later veranderde de betekenis en werden Maratha's een nieuwe hindoeïstische elite van bestuurders en militairen.
Met de verdrijving en vernietiging van de oude elite door Alauddin Khalji ontstond een vacuüm dat door lokale opportunisten van uiteenlopende sociale en economische afkomst gevuld kon worden. Zulke lieden traden eerst in militaire dienst. Na een periode van trouwe dienst kon de sultan ze daarna belonen met het recht op de belastingwinning voor een bepaald gebied. Er ontstond zodoende een gewapende landadel van invloedrijke hindoeïstische families. Deze nieuwe landadel was trots op hun nieuwe status en ontwikkelde eigen normen, tradities en voorschriften op het gebied van kleding, voedsel en religie. In feite ontwikkelden de Maratha's zich op die manier tot een nieuwe kaste.
Een duidelijk kenmerk was de militaire achtergrond als soldaten en krijgers. Militaire training werd als een belangrijk onderdeel van de opvoeding gezien. De jacht was een ander belangrijk aspect. Ook werden hindoeïstische voorschriften nauwkeuriger nageleefd, zoals het verbod op hertrouwen van weduwen.Gordon (1993), p. 17
Huwelijken werden voornamelijk binnen de eigen groep gesloten, zodat de Maratha-families een steeds hechtere band vormden. De belangrijkste Maratha-families waren te machtig om door de sultan te worden verdreven uit het gebied waar ze hun machtsbases opgebouwd hadden. In plaats daarvan werden de rechten semi-erfelijk: meestal stelde de sultan uit de familie een opvolger aan die dan dezelfde rechten kreeg toegewezen. Genealogen in dienst van de families stelden legendarische stambomen op die de status van de familie moesten bevestigen.
Land en lokaal bestuur De Dekan kan grofweg in drie sterk verschillende landschappen worden ingedeeld: de smalle maar vruchtbare kuststrook van de Konkan in het westen, daarachter de grillige West-Ghats en het wijde, droge plateau van de Desh. De Konkan geeft behalve in de andere gebieden ontbrekende landbouwproducten ook toegang tot overzeese handelsroutes. De Ghats waren strategisch van belang als doorgang voor handelsroutes tussen de kust en het binnenland. De grillige bergen hier waren makkelijk verdedigbaar tegen vijandige indringers. De Desh is qua oppervlakte veel groter dan de andere twee gebieden, maar het was in de 16e tot 18e eeuw een onvruchtbaar en dunbevolkt gebied. Hongersnoden zorgden regelmatig voor het compleet ontvolken van het land, waarna nieuwe kolonisten nodig waren om te zorgen dat er weer opbrengst kwam.
Het grootste gedeelte van de Dekan was een dunbevolkt, landelijk gebied waarin de schaarse dorpen vaak versterkt waren en de lokale elite zich in forten kon verschansen. Dorpen hadden een leider, de patil, die verantwoordelijk was voor de verdeling van de opbrengst van het land. De belasting werd overgedragen in natura. Ongeveer 40% tot 50% hiervan ging naar de landelijke elite of de sultan.Gordon (1993), p. 22 Boven de patils stonden deshmukhs, de bestuurders van een district. Een deshmukh had honderden dorpen en soms een aantal forten onder zich. Lokale leiders werden bijgestaan door klerken, die uitsluitend tot de brahmaanse kaste behoorden, en die een tweede groep bevoorrechte families vormden. Elk dorp had een kulkarni, een dorpsklerk, verantwoordelijk voor het bijhouden van de bestuurlijke administratie.
Sommige rechten waren erfelijk en de lokale macht was daarom in handen van een kleine groep bevoorrechte families. Het verlenen van rechten bleef echter in handen van de sultan, wat de enige manier was waarop deze de loyaliteit van de deshmukhs kon afdwingen. De rechten en plichten van een deshmukh werden uiteengezet in een contract (sanad). De deshmukh was verantwoordelijk voor de lokale belastingwinning, ordehandhaving, rechtspraak en - in oorlogstijd - de levering van troepen aan de sultan. In ruil werd hem een bepaald aandeel in de opbrengst en ceremoniële rechten verleend. De deshmukh kon bijvoorbeeld een ceremoniële rol tijdens festivals op zich nemen, of het recht hebben op een olifant, ceremoniële mantel, of een drummer om zijn komst aan te kondigen.Gordon (1993), p. 24-34
thumb|350px|Mogolkeizer Shah Alam II leidt zijn leger over een rivier. Onbekende schilder, Lucknow, rond 1790
Oorlogsvoering en conflict In vredestijd waren de deshmukhs slechts een soort lokale bestuurders. In de 17e eeuw was de Dekan echter het toneel van vrijwel continue oorlog en conflict. In zulke conflicten vervulden de Maratha-families een sleutelrol.Gordon (1993), p. 34-35 De belangrijke families leefden in versterkte forten. De jongemannen werden goed opgeleid in de oorlogsvoering. De deshmukh had bovendien een klein legertje ter beschikking. Wanneer er in de staat conflicten tussen verschillende facties uitbraken, zoals over de opvolging van de sultan, gaven de deshmukhs de doorslag. Hun keuze was niet alleen van cruciaal belang voor het sultanaat, maar ook het fortuin van de eigen familie werd eraan verbonden.
De oorlogsvoering in het India van die tijd was een bombastische en trage aangelegenheid, waarbij diplomatie een belangrijke rol speelde. Het klimaat verdeelde het jaar in een periode voor militaire campagnes en een periode waarin het moeilijk was strijd te voeren, de moesson. Een vorst of sultan die een vijandelijke staat aanviel moest over voldoende geld beschikken om een leger te verwerven en op de been te houden. Ook diende hij voldoende tact te hebben om de facties binnen zijn leger uit elkaar te houden, en tegelijk de facties aan zijn hof in toom te houden tijdens zijn afwezigheid. De logistieke problemen van het op de been houden en bevoorraden van een leger waren enorm. De zware bewapening van de soldaten betekende dat het leger vaak niet meer dan 10 km per dag kon afleggen. De olifanten, paarden en lastdieren voor de artillerie, tenten en karren hadden verzorging en grote hoeveelheden voer nodig. Het begeleidend personeel, kooplieden en kampvolgers maakte dat het leger op een rijdende stad leek. Het spreekt voor zich dat van een verrassingsaanval geen sprake kon zijn: vaak was al maanden van tevoren bekend dat er een aanval op komst was.
Als het leger eenmaal de vijandige staat binnendrong, begonnen eindeloze onderhandelingen met de lokale deshmukhs. Deze hadden de keuze zich om te laten kopen of verzet te bieden. De sultan ontving geduldig de overlopende deshmukhs een voor een in zijn tent. Patrouilles moesten worden uitgezonden om deshmukhs die niet kwamen opdagen te bewegen zich alsnog te onderwerpen. Spionnen van de vijandige vorst probeerden ondertussen regimenten in het leger om te kopen om zich in het geval van een veldslag afzijdig te houden, of over te lopen. Als de verdedigers voldoende geld hadden om zelf een leger op de been te brengen, hadden ze de keuze om slag te leveren. Anders trokken ze zich terug in hun forten en wachtten af. Het was niet ongebruikelijk dat het geld van de binnendringende sultan opraakte, of de moesson begon voor er slag geleverd was. In dat geval werd meestal in rechtstreekse onderhandelingen tot een vergelijk gekomen.
Als er een veldslag geleverd werd, gingen vaak dagen van onderhandelingen vooraf, waarbij beide partijen probeerden delen van het vijandige leger om te kopen. De verdedigers slaagden er soms in de vijand geheel af te kopen met de belofte van schatting of grondgebied. Om een vijandig fort te kunnen belegeren was nog veel meer geld nodig dan voor een veldslag: in dat geval moest het leger vaak maandenlang op de been gehouden worden. Tot laat in de 17e eeuw kwam het nauwelijks voor dat een fort werd ingenomen.Gordon (1993), p. 37-40
De Mogols veroveren de Dekan (1595-1636) Midden 16e eeuw verscheen een nieuwe macht in het noorden van India, de Mogols. Keizer Akbar (1556-1605) had de ambitie heel India te regeren en zocht erkenning als soeverein van de sultans van de Dekan. In 1595 maakte hij gebruik van een opvolgingsoorlog in het sultanaat Ahmednagar. De Mogollegers vielen het sultanaat binnen maar het duurde tot 1600, toen Akbar zelf de leiding van de campagne op zich nam, dat de hoofdstad Ahmednagar werd ingenomen. De sultan van Kandesh werd in het jaar erop onderworpen en beide gebieden werden als provincies aan het Mogolrijk toegevoegd.Eraly (1997), p. 160-161; Richards (1993), p. 53-55