Het Portret van Adele Bloch-Bauer I is een vierkant schilderij van de Oostenrijkse kunstenaar Gustav Klimt uit 1904–'07 in diens "gouden stijl". Het schilderij kreeg van de nazi's in 1941 de titel Dame in Goud om de Joodse connectie van het kunstwerk uit te wissen. De geportretteerde vrouw is Adele Bloch-Bauer (1881–1925), een Joods-Oostenrijkse salonnière en kunstverzamelaarster.

Beschrijving

miniatuur|Weergave van compositielijnen

Medio 1903 gaf Ferdinand Bloch-Bauer Klimt de opdracht een portret van zijn vrouw Adele te schilderen; hij wilde het werk in oktober van dat jaar aan Adele’s ouders schenken als verjaardagscadeau. Klimt trof voor het portret uitgebreidere voorbereidingen dan voor enig ander werk waaraan hij werkte. Tussen 1903 en 1904 maakte Klimt meer dan honderd voorbereidende schetsen. De Bloch-Bauers kochten ook enkele van deze schetsen toen ze zestien andere tekeningen van Klimt verworven. Klimt werkte er zeker drie volle jaren aan en voltooide het werk uiteindelijk pas in 1907.

In december 1903 bezocht Klimt samen met collega-kunstenaar Maximilian Lenz de Basiliek van San Vitale in Ravenna, Italië, waar hij de vroegchristelijke Byzantijnse mozaïeken op gouden ondergrond van Justinianus I en zijn vrouw, keizerin Theodora I, bestudeerde. Lenz schreef later dat “de mozaïeken een enorme, beslissende indruk maakten op Klimt. Hieruit komt de schittering, de strakke versiering van zijn kunst voort”. Klimt zei later dat de “mozaïeken van ongelooflijke pracht” een “openbaring” voor hem waren. De mozaïeken van Ravenna trokken ook de aandacht van andere kunstenaars die illustraties van het werk maakten, waaronder Wassily Kandinsky in 1911 en Clive Bell in 1914.

In de jaren 1890 werd Klimt beïnvloed door de Europese avant-garde, met name door het jugendstilwerk ('art-nouveau') van de schilders Fernand Khnopff, Jan Toorop en Aubrey Beardsley. Ook elementen van deze stijl en de gerelateerde Wiener Secession zijn verwerkt in het portret.

Het schilderij wordt beschouwd als een topwerk van Klimts arbeidsintensieve "gouden stijl", die maar weinig werken heeft voortgebracht. Het werk is een collage met zwierige art-nouveaukrullen, abstracte geometrie en het ogenmotief van Egyptische goden. Uit die drukke, Byzantijns aandoende achtergrond kijkt het moderne gezicht zelfverzekerd maar wat melancholisch. Om haar nek draagt Adele dezelfde met edelstenen ingelegde ketting die Klimt in het schilderij Judith I (1901) heeft afgebeeld. Een groot deel van het portret werd uitgevoerd met een uitgebreide techniek waarbij bladgoud en bladzilver werden gebruikt en vervolgens decoratieve motieven in bas-reliëf werden toegevoegd met gesso, een verfmengsel bestaande uit een bindmiddel gemengd met krijt en gips. Het schilderij van olieverf op doek heeft de afmetingen 138 × 138 cm. De lijst voor het schilderij, ook bedekt met bladgoud, werd gemaakt door de architect Josef Hoffmann.

Klimt maakte van Adele nog een tweede portret in 1912, niet in goud maar in felle, modernere kleuren; Portret van Adele Bloch-Bauer II.

Provenance Bloch-Bauer (1907–1938) De Joods-Oostenrijkse Adele Bloch-Bauer en haar echtgenoot, Ferdinand, onderhielden nauwe contacten met kunstenaars van de Wiener Secession-kringen en met vooraanstaande figuren uit de wetenschap en politiek. Tot hun kennissenkring behoorde ook kunstenaar Gustav Klimt, die door haar echtgenoot financieel werd ondersteund en voor wie Adele meerdere keren model stond. Het echtpaar bezat een omvangrijke kunstcollectie, bestaande uit onder meer schilderijen, tapijten, meubels en porselein.

Adele Bloch-Bauer liet door haar schoonbroer Gustav Bloch, welke advocaat was, haar testament vastleggen met de wens dat haar echtgenoot Ferdinand de zeven schilderijen van Klimt die zij bezaten na zijn dood aan de Oostenrijkse Staatsgalerie in Wenen zou nalaten.

Ferdinand Bloch-Bauer ondertekende een verklaring waarin hij de wens van Adele in haar testament erkende. Na haar overlijden in 1925 schonk hij in 1936 een van de landschapsschilderijen aan de Österreichische Galerie Belvedere in Wenen.

Na de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland in maart 1938 vluchtte Ferdinand naar Zwitserland. Zijn bezittingen bleven achter, en de schilderijen van Klimt werden door de nazi’s geconfisqueerd. Toen hij in 1945 overleed, liet hij zijn eigendommen na aan de kinderen van zijn broer Gustav Bloch. Later zou een arbitragecommissie oordelen dat Adele waarschijnlijk nooit de rechtmatige eigenaar van de schilderijen is geweest. Zij achtte het daarentegen waarschijnlijker dat Ferdinand Bloch-Bauer de rechtmatige eigenaar was en dat zijn erfgenamen, de kinderen van zijn broer Gustav, de rechtmatige eigenaren waren.

Österreichische Galerie Belvedere (1941–2006) miniatuur|upright|Klimts Schloss Kammer am Attersee III (1910), dat werd geruild voor het Portret van Adele Bloch-Bauer I

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de schilderijen echter net als veel andere "naziroofkunst" (kunstwerken die van joodse eigenaren waren ontvreemd in oorlogstijd) in handen van de Oostenrijkse overheid. In december 1941 droeg Nazi-advocaat Friedrich Führer de schilderijen Portret van Adele Bloch-Bauer I en Appelboom I over aan de Galerie Belvedere in ruil voor Slot Kammer aan de Attersee III, dat hij vervolgens verkocht aan Gustav Ucicky, een buitenechtelijke zoon van Klimt. In een begeleidend briefje bij de schilderijen stond vermeld dat hij handelde in overeenstemming met het testament van Adele. Om elke verwijzing naar het joodse onderwerp te verwijderen, gaf de galerie het portret een nieuwe naam: Dame in Goud (Duits: Dame in Gold).O'Connor, Anne-Marie (2012) The Lady in Gold. The Extraordinary Tale of Gustav Klimt's Masterpiece, Portrait of Adele Bloch-Bauer, p. 151-152 Zestig jaar lang was dit schilderij het pronkstuk van de Österreichische Galerie Belvedere in Wenen.

Maria Altmann (2006) miniatuur|upright|Poster in Wenen ter afscheid van het schilderij

In 1998 ontdekte journalist Hubertus Czernin dat Maria Altmann (1916–2011), de enige nog levende erfgenaam, aanspraak kon maken op de werken. Zij was de dochter van Gustav Bloch. Zij begon in 2000 een juridische procedure in de VS om zes Klimt-schilderijen terug te krijgen: Adele Bloch-Bauer I, Adele Bloch-Bauer II, Appelboom I, Berkenbos, Huizen in Unterach am Attersee en Amalie Zuckerkandl. De Oostenrijkse overheid werd na een jarenlange juridische strijd verplicht vijf kunstwerken terug te geven aan Altmann, alleen Amalie Zuckerkandl mocht blijven.

Nadat het besluit van de commissie bekend was gemaakt, plaatste Galerie Belvedere een reeks advertenties bij bushaltes en op perrons van de Weense metro. Op de posters stond “Ciao Adele”, waarmee reclame werd gemaakt voor de laatste kans om het schilderij te zien voordat het het land zou verlaten. Vele bezoekers kwamen afscheid nemen van de werken; er vormden zich lange rijen die het hele blok omliepen. Het verlies van de schilderijen werd in Oostenrijk beschouwd als een verlies van een nationaal erfgoed. Hoewel sommige Oostenrijkers de staat opriepen om de vijf schilderijen aan te kopen, verklaarde de regering dat de prijs te hoog zou zijn om de uitgave te rechtvaardigen. De schilderijen werden in maart 2006 uit Oostenrijk geëxporteerd en werden van april tot juni van dat jaar samen tentoongesteld in het Los Angeles County Museum of Art.

Ronald Lauder (2006–heden) Toen Altmann werd gevraagd wat ze met de schilderijen wilde doen, zei ze: “Ik zou niet willen dat een particulier deze schilderijen koopt, [...] Het is voor mij heel belangrijk dat ze door iedereen die ze wil zien, bekeken kunnen worden, want dat zou de wens van mijn tante [Adele] zijn geweest.” Desondanks werden alle schilderijen aan particuliere verzamelaars verkocht en kwamen ze, met uitzondering van Adele Bloch-Bauer I, in particuliere collecties terecht.

In 2006 werden de vijf werken aan Altmann gerestitueerd en kort daarna verkocht ze vier van de vijf schilderijen via veilinghuis Christie's aan kunstverzamelaars. Het schilderij Portret van Adele Bloch-Bauer I had zij in juni 2006 al verkocht, volgens The New York Times voor het recordbedrag van €106 miljoen, indertijd het hoogste bedrag dat ooit voor een schilderij was betaald. Het doek werd gekocht door cosmeticamagnaat Ronald Lauder voor zijn Neue Galerie in New York, een klein museum dat enkel werk van Duitse en Oostenrijkse kunstenaars tentoonstelt. Adele werd het topstuk van dit museum.

In totaal werden de vijf schilderijen verkocht voor €256 miljoen. waarvan €4,8 miljoen ging naar de bouw van het Holocaust Museum in Los Angeles.

Nalatenschap De film Woman in Gold van Simon Curtis uit 2015 is gebaseerd op de juridische strijd van Altmann om onder meer het het Portret van Adele Bloch-Bauer I, weer in familiebezit te krijgen.

Zie ook Lijst van duurst verkochte schilderijen

Externe links Larry Buchanan 10-Minute Challenge: Klimt's Woman in Gold, The New York Times, 1 maart 2026

Categorie:Werk van Gustav Klimt Categorie:Schilderij in New York (stad)