Slakken of buikpotigen (Gastropoda) zijn een klasse in de stam van de weekdieren (Mollusca). De naam buikpotigen en de wetenschappelijke naam verwijzen naar de gespierde onderzijde van het langwerpige lichaam, waarmee de dieren zich voortbewegen. De naam 'Gastropoda' is afgeleid van het Oudgriekse γαστήρ, gastēr, buik of maag, en πούς, pous, poot. Gastropoda is een zogenaamde plurale tantum, het is altijd meervoud.

De eerste herkenbare slakken stammen uit het Cambrium. Er zijn wereldwijd zo'n 60.000 tot 75.000 soorten beschreven en benoemd. De meeste slakken zijn tweeslachtig; ze kunnen van gescheiden geslacht zijn maar ook hermafrodiet.

De slakken zijn op verschillende manieren in te delen. Zo zijn slakken de enige weekdieren die behalve in het water ook op het land voorkomen. Ongeveer 30.000 soorten leven in zee, 5.000 soorten in zoet water, en 30.000 soorten die op het land leven. Er zijn slakken met een huisje (huisjesslakken) en slakken zonder huisje (naaktslakken), soorten die door middel van kieuwen ademen en andere die longen hebben. Er zijn aaseters, planteneters, detritus-eters, en op prooien jagende vleeseters.

De huisjesslakken worden gekenmerkt door een enkele schelp die meestal windingen heeft. Doordat deze slakken vaak een verkalkt huisje hebben, zijn er van deze diergroep veel uitgestorven soorten bekend. Veel soorten worden gebruikt als gidsfossiel, aan de hand waarvan de ouderdom van aardlagen kan worden vastgesteld.

Algemeen miniatuur|Elysia crispata, een in zee levende naaktslak (lengte ca. 3,5 cm.) De bij mensen bekende slakken komen voor in de tuin en zijn landbewonend, wat een grote uitzondering is binnen de weekdieren.

Het lichaam van een slak bestaat voor een heel groot deel uit water. De slijmerige huid zorgt er bij landbewonende slakken voor dat de dieren niet uitdrogen. De belangrijkste functie van slijm ligt echter in de voortbeweging. Het zorgt er als het ware voor dat de weg geplaveid wordt, waardoor het dier zich al glijdend gemakkelijk over het substraat kan voortbewegen. Als een slak verticaal moet voortbewegen, wat meer grip vereist dan horizontaal bewegen, wordt een ander soort slijm afgescheiden. Naast het vochtgehalte zijn slakken ook zeer gevoelig voor andere omgevingsinvloeden zoals temperatuur, lichtintensiteit en met name het zoutgehalte, omdat dit van zeer grote invloed is op de vochthuishouding van hun waterige lichaam.

Landbewonende soorten zoeken plaatsen op waar de relatieve luchtvochtigheid hoog is. Daarom leven veel soorten verscholen in de vegetatie, onder afgevallen bladeren of dood hout, onder stenen, in spleten etc. De meeste soorten mijden de zon hoewel een aantal zich heeft aangepast aan een leven in een droge en hete omgeving. Veel soorten zijn vooral of zelfs alleen 's nachts actief of komen tevoorschijn na een regenbui.

De meeste slakken hebben een onopvallende verschijning om geen vijanden aan te trekken. De huisjes van veel zeeslakken hebben weliswaar een prachtige schelp maar deze is bij levende dieren niet te zien vanwege het periostracum van de schelp. Zeenaaktslakken hebben vaak juist felle kleuren om aan te geven dat ze giftig zijn. Veel soorten hebben spectaculaire kleuren en patronen, en zijn daarom geliefd in zoutwateraquaria. Van dode dieren die men in een conserveringsvloeistof bewaart, blijven kleuren meestal niet behouden.

Evolutie De slakken ontwikkelden zich in zee, de vroegst bekende soorten stammen uit het late Cambrium. Sommige slak-achtige fossielen als Helcionella en Scenella uit het Vroeg-Cambrium worden tegenwoordig niet meer als slakken beschouwd. Het in het vroege Cambrium levende diertje Aldanella had een gedraaide schelp maar was waarschijnlijk geen weekdier. In het Ordovicium waren er al verscheidene vormen van slakken in diverse typen wateren. Soorten uit het Paleozoïcum behoren tot de meer primitieve weekdieren, hoewel sommige nog steeds bestaan. Tijdens het Carboon hadden de slakken al de vormen en maten van de soorten die we vandaag kennen maar dat is slechts gebaseerd op de uiterlijke gelijkenis van de schelp. De voorouders van de meeste moderne slakken kwamen pas voor in het Mesozoïcum. De eerste landbewonende slak is Maturipupa en duikt op in het Carboon in Europa. De landbewonende slakken waren echter dun gezaaid tot in het Krijt, waar onder andere de bekende Helix-soorten uit stammen.

In aardlagen uit het Mesozoïcum en het Cenozoïcum komen net iets meer fossielen van weekdieren dan andere fossielen voor. Dit is te danken aan de harde schelpen van slakken (en tweekleppigen) die goed bewaard kunnen blijven. Ze worden in allerlei soorten afzettingen aangetroffen, als het sediment maar niet ontkalkt is. Van schelpen van slakkensoorten worden ook afdrukken in oorspronkelijk zacht sediment als fossiel aangetroffen. De geologische studie van fossiele slakken en weekdieren in het algemeen geeft een beeld van de veranderingen van het milieu in het verleden.

Ammonieten worden wel verward met fossiele slakken. Ammonieten behoren echter tot een uitgestorven groep inktvissen of koppotigen, een andere weekdiergroep. Net als slakken hadden deze dieren een enkele, spiraalvormige schelp. De dieren bezaten echter, net als de huidige inktvissen, meerdere tentakelachtige armen.

Anatomie miniatuur|300px|De algemene anatomie van een landslakDe algemene anatomie van de (land)slak wordt uitgebreid beschreven in G.M. Barker (ed.) (2001), The Biology of Terrestrial Molluscs, CABI Publishing, een collectie van wetenschappelijke artikels. De anatomie kan echter per soort verschillen en afwijken van het hier getoonde algemene schema. Zo wordt in een artikel van deze collectie, Structure and Function of the Digestive System in Stylommatophora van V.K. Dimitriadis het maagzakje ("gastric pouch") beschreven als zijnde een algemeen eigenschap van de Stylommatophora. Echter, het maagzakje komt niet voor bij de Helix- en Cornusoorten van de tuinslakken familie. Bekendheid met dit soort verschillen is in het bijzonder relevant voor de helicicultuur-sector waar veel onderzoek en analyse gedaan wordt met tuinslakken. Zo is het risico aanzienlijk dat bevindingen in onderzoek naar toepassingen in cosmetica en medicijnen foutief gegeneraliseerd wordt naar alle landslakken. Maar ook de wettelijk verplichte testen op authenticiteit van slakkensoorten die voor commerciële doeleinden door leken in de natuur verzameld zijn ("verkopen ze werkelijk die slakkensoorten die ze zeggen te verkopen?"), worden stukken eenvoudiger wanneer de verschillen tussen de vele soorten gastropoden duidelijk zijn. thumb|right|300px|De belangrijkste kenmerken van een naaktslak. De meeste soorten slakken hebben net als alle weekdieren een uitwendig skelet dat bestaat uit een steeds groter wordende spiraalsgewijs opgewonden buis die dicht is aan de kleine kant en open is aan de grote kant. Dit 'slakkenhuis' bestaat meestal uit verschillende windingen en is opgebouwd uit kalk (calciumcarbonaat) en hoornachtige stoffen die verwant zijn aan chitine.

De draaiing (torsie) van de schelp zoals bij de wijngaardslak is later in de evolutie bij sommige soorten weer verloren gegaan, zoals bij de schaalhorens. Er zijn ook veel (niet aan elkaar verwante) groepen die geen uitwendige schelp meer hebben, maar die alleen een rudimentaire inwendige schelp of zelfs in het geheel geen schelp meer bezitten. Slakken zonder duidelijk slakkenhuis worden naaktslakken genoemd.

De torsie is bij de meeste slakkensoorten rechtsgewonden. Dit is in de anatomie aan de ligging van de organen te zien. Het is ook zichtbaar aan de draaiingsrichting van de schelp (Als men het slakkenhuis met de top van de schelp aan de bovenkant houdt en de mondopening naar zich toe houdt, dan is de schelp rechtsgewonden als de mondopening zich aan de rechterkant van de schelp bevindt). Er zijn ook soorten die een torsie naar links vertonen. Bijna elke soort is uitsluitend rechts- of uitsluitend linksgewonden, maar in zeldzame gevallen komen van een normaal rechtsgewonden soort ook linksgewonden individuen voor (of omgekeerd). Er is in dat geval sprake van een gril van de natuur, dat niet genetisch bepaald is.Ass. prof. Angus Davison (3 juni 2020), in onder andere "The love story of Jeremy, the left-behind snail", "Rare snail makes science history thanks to international hunt for a mate.", en "Jeremy, The Lonely, Left-Twisting Snail, Dies — But Knows Love Before The End" Ook de organen zijn soms omgedraaid. Dit is als een misvorming op te vatten. Nog uitzonderlijker is het voorkomen van zowel links- als rechtsgewonden slakken in het geslacht Amphidromus, zoals bij Amphidromus inversus.

De torsie heeft zich tijdens de evolutie geleidelijk ontwikkeld uit een recht lichaam. Hier heeft de slak voor moeten inleveren; het komt vaak voor dat een slak bijvoorbeeld maar één ontwikkelde nier heeft, of zelfs maar één nier. De andere is in de loop van de evolutie verdwenen om ruimte te sparen. Dit komt ook voor bij een andere diergroep met een langwerpig lichaam; de slangen, al gaat het hierbij om de longen.

Omdat de schelp in principe uit één deel bestaat, worden ze ook wel 'Univalvia' genoemd, omdat ze maar één (uni) schelp (valva) hebben, in tegenstelling tot de tweekleppigen of schelpdieren, die twee schelpen hebben en bivalvia worden genoemd (bi betekent twee).

De in zee levende keverslakken hebben een huisje dat bestaat uit meerdere kalkdelen (vaak acht), en behoren wel tot de weekdieren maar niet tot de slakken.

Alle slakken hebben een langwerpig lichaam, dat in drieën is verdeeld; de gespierde voet voor de verplaatsing, een viscerale massa boven de voet die de organen bevat en zich in principe in de schelp bevindt en een vaak goed te onderscheiden kop. Op de kop zijn de twee gesteelde ogen zichtbaar, de steeltjes worden tentakels genoemd. Lang niet alle slakken hebben echter ogen, de soorten die ze wel hebben kunnen alleen lichtverschuivingen waarnemen. Sommige soorten hebben complexe ogen met lenzen. Alle slakken hebben onder de ogen een gepaard gesteeld zintuiglijk orgaan dat korter is dan de oogstelen, de zogenaamde tasters. Deze bevatten receptoren die onder andere geuren analyseren en worden gebruikt om de omgeving waar te nemen. Bij verstoring hebben slakken de typische gewoonte om de ogen en de tastorganen 'in te trekken' wat een zeer opmerkelijk gezicht is.

Sommige zeeslakken leven ingegraven in de zeebodem, en hebben ademhalingsbuisjes die boven de waterbodem reiken om zuurstof en voedsel uit het water te filteren of vijanden op te merken.

Voedsel en vijanden Veel op het land levende slakken eten voornamelijk planten, maar vele soorten eten ook aas, paddenstoelen en schimmels. Veel soorten zijn belangrijke opruimers die ten onrechte als schadelijk worden gezien. Sommige naaktslakken eten ook wel andere dieren, waaronder andere naaktslakken. In zee levende slakken kunnen behoren tot de planteneters, aaseters en ook vleeseters, zoals de wulk. Carnivore zeeslakken boren gaatjes in schelpen en eten het andere weekdier op.

Slakken hebben een rasp-achtige tong, genaamd radula, die bestaat uit vele duizenden kleine hoornachtige tandjes. Hiermee worden dunne laagjes weefsel van het voedsel geschraapt. De grootte, vorm en aantal tanden is dan ook aangepast op het voedsel van de slak.

Vijanden van landbewonende slakken zijn vooral vogels zoals lijsters, vooral de zanglijster is dol op slakken en laat soms ware kerkhoven van gebroken huisjes achter. Ook sommige andere dieren eten slakken, en zijn er meestal in gespecialiseerd vanwege het niet eenvoudig te kraken huisje. Voorbeelden zijn sommige slangen en hagedissen en een aantal insectenlarven, zoals die van veel loopkevers maar ook duizendpoten, kikkers en padden, muizen en egels lusten graag slakken. Een hagedis die veel slakken eet en ook in Nederland en België voorkomt is de slang-achtige hazelworm (Anguis fragilis). Sommige dieren eten liefst naaktslakken, andere hebben liever huisjesslakken.